Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6044

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
349868 - KG ZA 09-1386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering schadevergoeding. Geen onrechtmatige overheidsdaad.

Uit het door eiser gegeven overzicht volgt niet zonneklaar dat moet worden aangenomen dat uit het strafdossier blijkt dat eiser de feiten niet heeft begaan. Veeleer blijkt uit dat overzicht dat er onvoldoende bewijs is voor de ten laste gelegde feiten. Geoordeeld wordt dan ook dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan het criterium dat uit de stukken moet blijken dat de gewezen verdachte de feiten niet heeft begaan. Dit brengt mee dat de vordering van eiser op gedaagde onvoldoende is komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 5 november 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 349868 / KG ZA 09/1386 van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser,

advocaat mr. J.M. Stevers te Leiden,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. E.G. Fels te ’s-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 oktober 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser is op 15 november 2006 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van meerdere diefstallen in de periode van maart 2005 tot en met november 2006.

1.2. Op vordering van de officier van justitie van het parket te ’s-Gravenhage heeft de rechter-commissaris op 17 november 2006 een bevel tot bewaring verleend. Op 29 november 2006 heeft deze rechtbank de gevangenhouding voor een periode van 30 dagen bevolen. Op 28 december 2006 heeft de rechtbank de gevangenhouding met 60 dagen verlengd. Het beroep daartegen door eiser is door de raadkamer van het gerechtshof

’s-Gravenhage afgewezen.

1.3. Gedurende de inverzekeringstelling zijn in de periode van 15 november 2006 tot 1 december 2006 ten aanzien van eiser beperkende maatregelen getroffen.

1.4. Verzoeken van eiser tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis zijn telkens afgewezen op de zittingen van de meervoudige kamer van de rechtbank van 22 februari 2007, 14 mei 2007 en 13 juli 2007. Ter terechtzitting van 24 september 2007 is de voorlopige hechtenis van eiser opgeheven.

1.5. Bij vonnis van 8 oktober 2007 van deze rechtbank is eiser vrijgesproken van de feiten die hem ten laste waren gelegd. De rechtbank heeft niet wettig en overtuigend bewezen verklaard dat eiser de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Dit beroep is op 2 november 2007 ingetrokken.

1.6. Eiser heeft op 15 februari 2008 bij deze rechtbank verzoeken tot schadevergoeding ingediend uit hoofde van artikel 89 Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 591a Sv. Eiser is op 22 juli 2008 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken wegens het niet tijdig indienen daarvan.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert – zakelijk weergegeven – gedaagde te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 45.432,- als voorschot op de vergoeding van de door hem geleden schade.

2.2. Daartoe voert eiser samengevat het volgende aan.

Eiser is vrijgesproken, omdat niet is gebleken van zijn betrokkenheid bij de diefstallen. Eiser heeft schade geleden door de lange duur van de voorlopige hechtenis. Hij heeft daardoor veel kosten moeten maken. Vanwege de ontstane huurachterstand is zijn woning ontruimd en is zijn huisraad verloren gegaan. Voorts is sprake van immateriële schade, door de aantasting van zijn persoon en goede naam en de ernstige beperking van zijn bewegingsvrijheid.

De gevangenhouding van eiser vormt een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Eiser is onder verantwoordelijkheid van gedaagde een groot aantal dagen in voorlopige hechtenis gehouden, terwijl daarvoor gelet op artikel 67a lid 3 Sv geen grond was. Eiser is immers daarna vrijgesproken. Bovendien blijkt uit het strafdossier van eiser dat niet alleen het wettig en overtuigend bewijs niet was geleverd, maar ook dat vaststaat en al in een vroeg stadium vaststond dat eiser onschuldig is.

Eiser heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering. Hem is de mogelijkheid geboden gebruik te maken van de zogenaamde remigratieregeling, waarbij personen van buitenlandse herkomst ondersteuning wordt geboden bij de terugkeer naar hun geboorteland. Daaraan is de voorwaarde verbonden dat de Nederlandse nationaliteit wordt opgegeven. Eiser heeft thans een verblijfsvergunning die op 11 november 2009 verloopt. Eiser heeft er een gerechtvaardigd belang bij om op korte termijn duidelijkheid te verkrijgen over zijn financiële positie. Daar komt bij dat het Openbaar Ministerie zijn verzoek om schadevergoeding weinig voortvarend heeft behandeld.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Vooropgesteld wordt dat ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid is geboden. Niet alleen zal moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.

3.2. Eiser heeft gesteld dat de toepassing van de voorlopige hechtenis jegens hem onrechtmatig was en dat gedaagde op deze grond is gehouden de door hem geleden schade te vergoeden.

3.3. Volgens vaste jurisprudentie kan vergoeding van schade, geleden ten gevolge van de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen door politie en justitie, op de voet van onrechtmatige overheidsdaad worden verkregen:

a. indien het dwangmiddel is toegepast in strijd met een publieksrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht;

b. ongeacht of in strijd is gehandeld met een publiekrechtelijke rechtsnorm: indien uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte.

3.4. Het gaat in deze zaak om het hiervoor onder b genoemde criterium. Eiser heeft niet betwist dat het enkele feit dat hij is vrijgesproken onvoldoende is voor de vaststelling dat sprake is van onrechtmatige vrijheidsbeneming. Hij heeft echter gesteld dat uit het strafdossier blijkt dat hij onschuldig is. Eiser heeft daartoe ter zitting aangevoerd dat de raadsman in de strafzaak in diens pleitnotities, onder verwijzing naar documenten die eveneens tot het strafdossier behoren, gemotiveerd heeft betoogd dat eiser in geen enkel verband stond met de ten laste gelegde feiten. Ter toelichting heeft eiser een overzicht gegeven van hetgeen de advocaat in de strafzaak in zijn pleidooi tegen essentiële onderdelen van het requisitoir van de officier van justitie heeft ingebracht.

Uit het door eiser gegeven overzicht volgt niet zonneklaar dat moet worden aangenomen dat uit het strafdossier blijkt dat eiser de feiten niet heeft begaan. Veeleer blijkt uit dat overzicht dat er onvoldoende bewijs is voor de ten laste gelegde feiten. Geoordeeld wordt dan ook dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan het in 3.3 onder b genoemde criterium dat uit de stukken moet blijken dat de gewezen verdachte de feiten niet heeft begaan. Dit brengt mee dat de vordering van eiser op gedaagde onvoldoende is komen vast te staan.

3.5. De voorzieningenrechter komt niet toe aan de stelling van eiser dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door hem in voorlopige hechtenis te houden, terwijl daarvoor gelet op artikel 67a lid 3 Sv geen grond was. De beslissing om eiser in voorlopige hechtenis te houden is in de strafrechtelijke procedure door de strafrechter getoetst. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat er aan in de weg dat de burgerlijke rechter toetst of de strafrechter een juiste beslissing heeft genomen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan een uitzondering op dit beginsel moet worden gemaakt.

3.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van eiser moet worden afgewezen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de vereiste spoedeisendheid van de vordering van eiser, zoals vermeld onder 3.1, onvoldoende is komen vast te staan. Gedaagde heeft onweersproken aangevoerd dat eiser zonodig een verlenging van zijn verblijfsvergunning kan aanvragen teneinde voldoende tijd te hebben om zijn verblijf in Nederland af te ronden.

3.7. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 262,- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2009.

evm