Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5958

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
346111 / KG ZA 09/1136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot toevoeging stukken aan strafdossier, waarvan vertaling op kosten van Staat. Eiseres niet-ontvankelijk. Andere met waarborgen omklede rechtsgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 1 december 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 346111 / KG ZA 09/1136 van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats] (Israël),

eiseres,

advocaat prof. mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

zetelende te 's-Gravenhage,

vrijwillig verschenen,

advocaat mr. E.G. Fels te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna aangeduid als '[eiseres]' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 24 november 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [Eiseres] wordt vervolgd op verdenking van overtreding van artikel 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr), het onttrekken van minderjarigen aan het wettelijk gezag. Zij wordt ervan verdacht de feiten te hebben gepleegd in de periode juli 2005 tot en met september 2007.

1.2. Ter terechtzitting van de rechtbank Zwolle-Lelystad op 23 juni 2009 heeft de raadsman van [eiseres] verzocht een aantal stukken, gesteld in het Hebreeuws, aan het dossier toe te voegen. De raadsman van [eiseres] heeft tevens verklaard dat deze stukken niet kosteloos kunnen worden vertaald. Hij heeft voorts verzocht de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris. De rechtbank heeft volgens het van voormelde zitting opgemaakte proces-verbaal als volgt beslist:

"De voorzitter deelt, nadat de rechtbank zich heeft beraden, als beslissing van de rechtbank mee dat het de raadsman vrijstaat de door hem bedoelde stukken van de Israëlische rechters voor een volgende behandeling in te brengen, doch dat hij zelf voor een vertaling in de Nederlandse taal dient zorg te dragen. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman voor verwijzing naar de rechter-commissaris af, nu het verzoek daartoe onvoldoende is gemotiveerd en de noodzaak daartoe niet is gebleken."

1.3. Bij brief van 24 juni 2009 heeft de raadsman van [eiseres] aan de officier van justitie verzocht te bewerkstelligen dat de in het Hebreeuws gestelde stukken vertaald naar het Nederlands aan het strafdossier worden toegevoegd.

1.4. Bij brief van 1 juli 2009 heeft de officier van justitie aan de raadsman van [eiseres] meegedeeld dat niet aan zijn verzoek zal worden voldaan, omdat de rechtbank ter terechtzitting van 23 juni 2009 reeds over dit verzoek heeft beslist.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. [Eiseres] vordert - zakelijk weergegeven - de Staat te bevelen de bij voormelde brief aan de Staat van 24 juni 2009 gevoegde stukken in het Nederlands te vertalen.

2.2. Daartoe voert [eiseres] het volgende aan.

[eiseres] is niet in staat de kosten van de vertaling voor haar rekening te nemen. Het niet kunnen gebruiken van de in het Hebreeuws gestelde stukken zal een goede verdediging onmogelijk maken of bemoeilijken. De stukken bevatten namelijk beslissingen van de Israëlische rechter over het gezag over de kinderen.

Bij zijn weigering om aan het verzoek van [eiseres] te voldoen beroept de officier zich op een beslissing van de rechtbank van 23 juni 2009. Deze beslissing betrof echter slechts een verzoek om de desbetreffende stukken aan het dossier toe te voegen. Er was niet verzocht om vertaling.

Er kan geen sprake zijn van een fair trial in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) als de verdediging zich niet kan bedienen van vertalingen in het Nederlands van de genoemde Hebreeuwse stukken. De Staat handelt onrechtmatig door deze vertaling aan [eiseres] te onthouden.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De Staat heeft primair aangevoerd dat [eiseres] niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, nu de strafrechter reeds op 23 juni 2009 heeft geoordeeld over het verzoek van [eiseres] om de in het Hebreeuws gestelde stukken die volgens [eiseres] niet kosteloos konden worden vertaald, aan het strafdossier toe te voegen.

3.2. Dit verweer slaagt. [eiseres] heeft zich ter terechtzitting op 23 juni 2009 gewend tot de strafrechter die op dezelfde datum over voormeld verzoek heeft beslist. De strafrechter heeft de toevoeging van de stukken toegestaan onder de voorwaarde dat [eiseres] zelf voor een vertaling in de Nederlandse taal zorgt. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat [eiseres] op een volgende zitting in haar strafzaak opnieuw kan verzoeken om toevoeging van de stukken aan het strafdossier en wel op de door haar gewenste wijze dat de Staat moet zorgen voor de vertaling. Voorts kan zij de kwestie in hoger beroep in de strafzaak aan de orde stellen. Aldus staat er voor [eiseres] een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang open die [eiseres] deels al heeft gevolgd. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat er in dit geval aan in de weg dat [eiseres] zich alsnog tot de voorzieningenrechter in kort geding kan wenden.

3.3. De voorzieningenrechter volgt [eiseres] niet in haar stelling dat voormelde beslissing van de rechtbank van 23 juni 2009 slechts betrekking had op een verzoek om de betreffende stukken aan het dossier toe te voegen. Uit de bewoordingen van de beslissing van de strafrechter, zoals aangehaald onder 1.2, kan niet anders worden opgemaakt dan dat hij de toevoeging van de stukken slechts toestaat indien [eiseres] voor de vertaling zorg draagt. Deze beslissing behelst derhalve tevens een oordeel over de vraag voor wiens rekening in dit geval de kosten van een vertaling dienen te komen. Niet aannemelijk is dan ook dat de strafrechter nog niet over de onderhavige vordering van [eiseres] heeft beslist.

3.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] niet in haar vordering kan worden ontvangen.

3.5. [eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.078,-, waarvan

€ 816,- aan salaris advocaat en € 262,- aan griffierecht;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2009.

evm