Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5867

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/12206 en AWB 09/10994
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Artikel 64 van de Vw 2000 / voorwaarden voor het reizen niet / geen medische noodsituatie op korte termijn

Aan de orde is de vraag of verweerder het verzoek om toepassing van artikel 64 Vw terecht heeft afgewezen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan een medisch rapport als het BMA-advies, waarbij de arts is ingegaan op het criterium dat in het onderhavige geschil centraal staat, namelijk of de gezondheidstoestand van eiser het toelaat om - al dan niet begeleid - te reizen, aangemerkt worden als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag verweerder bij zijn besluitvorming in beginsel van het advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht, zoals medische verklaringen of andere stukken, op grond waarvan aan de inhoud van de BMA-adviezen van 26 augustus 2008 en 26 februari 2009 dient te worden getwijfeld, zodat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van de juistheid van de BMA-adviezen heeft kunnen uitgaan. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar de BMA-adviezen, op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 64 Vw, omdat eiser onder bepaalde voorwaarden kan reizen en geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan.

De grond dat verweerder in het besluit heeft verzuimd aan te geven in welke vorm de medische voorzieningen voor de reis zullen worden getroffen, kan niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Onder verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 4 september 2008 bestaat geen grond om aan te nemen dat het niet mogelijk moet worden geacht dat bij de daadwerkelijke uitzetting van eiser niet aan de voorwaarden voor het reizen, zoals genoemd in de BMA-adviezen, kan worden voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 09 / 12206 (beroep)

AWB 09 / 10994 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 23 november 2009

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Kameroense nationaliteit,

eiser/verzoeker,

verder te noemen eiser,

gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg, advocaat te Voorburg,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. H. van Velzen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 10 juli 2008 een aanvraag ingediend tot het verlengen van de toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 4 september 2008 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 10 september 2008 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 24 maart 2009 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 6 april 2009 beroep ingesteld.

1.2 Eiser heeft op 27 maart 2009 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten, voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft op 25 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Eiser is op verzoek van zijn gemachtigde vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat te Hoofddorp. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 64 Vw blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

2.3 In A4/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder beleidsregels neergelegd voor de toepassing van deze bepaling. Bij een beroep op artikel 64 Vw is de vraag aan de orde of de vreemdeling medisch gezien in staat is om te reizen. In voorkomende gevallen kan tevens sprake zijn van achterwege laten van de uitzetting, indien de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan.

2.4 In A4/7.2.3 Vc is neergelegd dat bij de beoordeling van een aanvraag om artikel 64 Vw toe te passen, indien nodig, door verweerder de medisch adviseur van het Bureau Medische Advisering (BMA) wordt geraadpleegd. Ook een andere onafhankelijk medisch deskundige kan worden benaderd om een advies uit te brengen. De uitzetting in het individuele geval wordt in beginsel opgeschort voor de periode waarin reizen vanuit medisch oogpunt onverantwoord is.

2.5 In B8/10 Vc is bepaald dat uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege blijft indien de medisch adviseur aangeeft dat het vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen of dat stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan en de medische behandeling van de betreffende klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of een ander land waarheen betrokkenen zich kan verwijderen en de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting één jaar of korter zal duren. Bij deze beoordeling worden volgens paragraaf B8/4.4 Vc omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid betreffen, niet betrokken.

2.6 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

In het advies van 8 februari 2008 heeft het BMA het volgende geconcludeerd: Belanghebbende heeft momenteel ernstige klachten van de linkerheup op basis van een avasculaire femurkopnerose. Hij loopt met 2 elleboogkrukken. Betrokkene wordt binnenkort geopereerd. Hij krijgt dan een heupprothese links. Er zijn echter wat problemen geweest rond zijn identiteit en het al dan niet verzekerd zijn voor ziektekosten. Deze problemen lijken nu opgelost te zijn. De operatie zal plaatsvinden in het Westeinde ziekenhuis te Den Haag en zal inclusief aansluitende revalidatie naar verwachting ongeveer zes maanden in beslag nemen. Uitgaande van de juistheid met betrekking tot de therapiemogelijkheden in het land van herkomst concludeer ik op basis van eerdergenoemd brondocument dat er onvoldoende adequate behandelmogelijkheden in Kameroen aanwezig zijn om een dergelijke operatie naar behoren uit te voeren. Een medische noodsituatie op korte termijn wordt niet verwacht. Wel blijft betrokkene ernstig gehandicapt, als hij niet geopereerd wordt aan zijn linkerheup. Betrokkene kan niet reizen, althans dit wordt ten zeerste afgeraden.

In het advies van 26 augustus 2008 heeft het BMA het volgende geconcludeerd. Betrokkene meldde tijdens het spreekuur pijnklachten te hebben van beide heupen. In 2006 heeft de orthopedisch chirurg volgens zijn schrijven van 17 juli 2008 in beide heupen een invaliderende aandoening geconstateerd waarbij de bloedvaten de kop van het bovenbeen steeds minder van bloed kunnen voorzien zodat de kop van het heupgewricht inzakt (=osteonecrose). Er werd toen voorgesteld de linkerheup te opereren. Recentelijk zag de orthopedisch chirurg betrokkene weer met toegenomen klachten. Betrokkene loopt met twee elleboogkrukken. Tevens heeft betrokkene jicht. De orthopedisch chirurg komt tot de conclusie dat betrokkene voor wat betreft de linkerheup niet meer in aanmerking komt voor een operatie waarbij enkel de kop van het bovenbeen moet worden vervangen. De rechterheup komt nu wel in aanmerking voor dit type operatie. De operatie van de linkerheup zal een implantatie moeten worden van een totale heupprothese. Hij krijgt nu van de orthopedisch chirurg eerst medicamenteuze behandeling. De orthopedisch chirurg ziet betrokkene elke drie maanden ter controle. Voor jicht wordt hij medicamenteus behandeld (…). De behandeling van de klachten van de heupen is in beginsel tijdelijk van aard. De behandeling voor jicht is tijdelijk van aard. Staken van de behandeling zal geen medische noodsituatie tot gevolg hebben. Betrokkene zal wel ernstig gehandicapt blijven, als hij niet wordt geopereerd. Staken van de behandeling van de jicht zal leiden tot een toename van de klachten. Ook hier zal geen medische noodsituatie door ontstaan. Betrokkene is beperkt ten aanzien van lopen en staan. Ook langdurig zitten is beperkt. Traplopen, knielen en hurken lukt ook niet. Betrokkene kan wel reizen onder de volgende voorwaarden: tijdens de reis zal er rekening moeten worden gehouden met de bovengenoemde beperkingen van betrokkene. Daarnaast dient betrokkene de beschikking te hebben over zijn 2 elleboogkrukken en de hem voorgeschreven medicijnen. In Kameroen zijn onvoldoende medische behandelmogelijkheden aanwezig. De voorgestelde operatie is niet mogelijk. De medicijnen of equivalenten zijn in Kameroen beschikbaar.

In het advies van 26 februari 2009 heeft het BMA het volgende geconcludeerd.

Betrokkene is bekend met osteonecrose aan beide heupen. Tevens heeft hij klachten van jicht in zijn grote teen. (…). Tot een operatie is het tot op heden niet gekomen. Er zijn momenteel geen operaties voorgenomen of gepland. Voorts is sprake van een verminderde nierfunctie en een vitamine D-deficiëntie. Betrokkene wordt behandeld door een reumatoloog en gecontroleerd door een orthopedisch chirurg. Het is niet duidelijk hoe lang de behandeling zal duren. Bij uitblijven van de behandeling zullen de bestaande klachten en verschijnselen in ernst toenemen. Echter, een medische noodsituatie is op korte termijn niet te verwachten. Op langere termijn zal door verdere invalidering een dergelijke situatie wel van toepassing kunnen zijn. Betrokkene kan reizen. Ik heb wel aanwijzingen dat enige medische voorziening voor, tijdens of direct na de reis noodzakelijk is, namelijk begeleiding door een verpleegkundige, de beschikking over voorgeschreven medicatie en een rolstoel bij het afleggen van afstanden van meer dan 100 meter. De therapiemogelijkheden zijn onvoldoende. De benodigde operatie kan niet worden verricht in Kameroen. De medicatie of equivalente medicatie is verkrijgbaar.

2.7 Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser blijkens de BMA-adviezen van 26 augustus 2008 en 26 februari 2009 in staat is te reizen onder bepaalde reisvoorwaarden. Uit de adviezen van het BMA blijkt voorts dat een medische noodsituatie op korte termijn niet kan worden verwacht.

2.8 Eiser heeft hiertegen in beroep het volgende aangevoerd. Verweerder heeft het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder heeft verzuimd aan te geven in welke vorm medische voorzieningen voor de reis zullen worden getroffen. Verweerder heeft nauwelijks rekening gehouden met hetgeen in het BMA-advies staat vermeld. Nu het BMA–advies en het besluit tegenstrijdigheden bevatten, is het onduidelijk voor eiser wat verweerder van hem verlangt. Verweerder moet een uniform standpunt innemen over de ingangsdatum van het uitstel van vertrek.

2.9 Verweerder heeft in het verweerschrift aanvullend het volgende standpunt ingenomen. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die leiden tot twijfel aan het BMA-advies. Weliswaar zijn in het bestreden besluit geen overwegingen gewijd aan de vraag of aan de gestelde reisvoorwaarden kan worden voldaan, dit maakt het besluit niet onzorgvuldig, nu geen grond bestaat om aan te nemen dat niet mogelijk wordt geacht om aan de voorwaarden te voldoen. Verweerder verwijst hiertoe naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 augustus 2005 (JV 2005/361) en 4 september 2008 (JV 2008/292).

De rechtbank overweegt als volgt.

2.10 Aan de orde is de vraag of verweerder het verzoek om toepassing van artikel 64 Vw terecht heeft afgewezen.

2.11 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan een medisch rapport als het BMA-advies, waarbij de arts is ingegaan op het criterium dat in het onderhavige geschil centraal staat, namelijk of de gezondheidstoestand van eiser het toelaat om - al dan niet begeleid - te reizen, aangemerkt worden als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag verweerder bij zijn besluitvorming in beginsel van het advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.12 De rechtbank stelt vast dat eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht, zoals medische verklaringen of andere stukken, op grond waarvan aan de inhoud van de BMA-adviezen van 26 augustus 2008 en 26 februari 2009 dient te worden getwijfeld, zodat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van de juistheid van de BMA-adviezen heeft kunnen uitgaan.

2.13 Gezien het voorgaande heeft verweerder zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar de BMA-adviezen, op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 64 Vw, omdat eiser onder bepaalde voorwaarden kan reizen en geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan.

2.14 De grond dat verweerder in het besluit heeft verzuimd aan te geven in welke vorm de medische voorzieningen voor de reis zullen worden getroffen, kan niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Onder verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 4 september 2008 bestaat geen grond om aan te nemen dat het niet mogelijk moet worden geacht dat bij de daadwerkelijke uitzetting van eiser niet aan de voorwaarden voor het reizen, zoals genoemd in de BMA-adviezen, kan worden voldaan.

2.15 Gelet op het bovenstaande slaagt eisers standpunt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd, niet.

2.16 Nu verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen, is de beantwoording van de vraag wat de ingangsdatum van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw moet zijn, niet relevant.

2.17 Nu het beroep op de hoorplicht eerst ter zitting naar voren is gebracht, zal de rechtbank dit beroep buiten beschouwing laten.

2.18 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.19 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Verzoek om een voorlopige voorziening

2.20 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.21 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.22 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter:

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M.A. Bataille, rechter, tevens voorzieningenrechter, en op 23 november 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.