Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5812

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/13455
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft, gezien de in het relaas gestelde en door hem plausibel geachte feiten en omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De coming-out van eiser heeft onder meer geleid tot vrijheidsberoving, het moeten afbreken van een academische studie, ernstige mishandeling, een poging eiser om het leven te brengen, en vergaande voorbereidingen om eiser tegen diens wil te laten opnemen in een gesticht. De rechtbank kan dan ook niet anders dan oordelen dat de vervolgingshandelingen die eiser door toedoen van zijn familie en dorpsgenoten heeft moeten ondergaan – en die hij bij terugkeer vreest opnieuw te moeten ondergaan – dermate ernstig (zullen) zijn dat deze ten minste de ernstige vorm van discriminatie opleveren als omschreven in het UNHCR Handbook, de UNHCR ‘Guidelines on International Protection: gender-related persecution’ en verweerders beleid, zodat eiser op grond hiervan in beginsel voor verlening van de vluchtelingenstatus in aanmerking komt.

Cruciaal bij vrees voor vervolging door derden is vervolgens het antwoord op de vraag of de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn effectieve bescherming te bieden. Hoofdregel is hierbij dat een vreemdeling, voordat hij zich met een verzoek om bescherming richt tot de autoriteiten in het land van toevlucht, eerst heeft geprobeerd bescherming van zijn eigen overheid in te roepen. Deze hoofdregel gaat, anders dan verweerder meent, in dit geval echter niet op. Eiser is immers afkomstig uit een land waar homoseksualiteit met een levenslange gevangenisstraf wordt bedreigd. Uit de landeninformatie blijkt dat de wetsbepaling waarin homoseksualiteit strafbaar gesteld is, geen dode letter is. In een brief van 12 februari 2009, gericht aan de directeur van COC Nederland, benadrukt verweerder bovendien dat, als een homoseksuele vreemdeling afkomstig is uit een gebied waar homoseksualiteit strafbaar is, van deze vreemdeling niet verlangd zal worden dat hij voorafgaand aan zijn vlucht bescherming vraagt tegen vervolging door derden bij de lokale autoriteiten. Verweerder heeft eiser daarom niet mogen tegenwerpen dat hij vóór zijn vlucht naar Nederland bescherming had moeten vragen aan de lokale autoriteiten.

Omdat sprake is van de ‘contra-indicatie’ binnenlands vluchtalternatief laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/47

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Regnr.: AWB 09/13455 BEPTDN

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], eiser, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. A.J. van Duijne Strobosch, advocaat te Den Haag,

en

de staatssecretaris van Justitie, verweerder.

IPROCESVERLOOP

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1987 en de Indiase nationaliteit te bezitten. Hij verblijft sinds 20 juni 2008 als vreemdeling in Nederland. Op 20 juni 2008 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft eiser op 2 februari 2009 schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze op deze mededeling schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Op 14 april 2009 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 september 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. C. Brand. Tevens was ter zitting aanwezig de heer R.A. Choudry, tolk in het [taal streek].

IIOVERWEGINGEN

1In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - samengevat en voor zover van belang - het volgende aangevoerd. Eiser is een niet-praktiserend Sikh, afkomstig uit een boerendorp in de [streek]. Hij behoort tot een van de hogere kasten die de [streek] kent, die van de landbouwers ([naam]). Eiser dreigde rond zijn achttiende verjaardag uitgehuwelijkt te worden aan een meisje. Hij heeft zijn familie toen verteld over zijn seksuele geaardheid en gezegd dat hij met een jongen wilde trouwen. Omdat eiser met het uitdragen van zijn seksuele geaardheid de trots van de familie heeft gekrenkt, werd hij sinds zijn coming-out door dorpsgenoten en door zijn eigen familie gepest, bedreigd en mishandeld. Eiser werd in huis opgesloten en heeft zijn studie moeten staken. Op enig moment heeft een onbekend gebleven persoon een overdosis slaappillen in zijn melk gedaan, waarna eiser in het ziekenhuis moest worden opgenomen. De vader van eiser heeft hem aan een sari aan het plafond gehangen, hem meermalen met een slipper geslagen en hem geprobeerd te wurgen. Korte tijd later is tijdens een dorpsvergadering besloten om eiser met zwartgeschminkt gezicht op een ezel door het dorp te laten rijden, waarna hij naar een gekkenhuis zou worden gestuurd om daar te genezen van zijn 'zieke gewoonten'. Eiser is zijn dorp vervolgens ontvlucht en is naar [plaats], Guyana gereisd. In Guyana woonde eiser samen met een jongen. Toen eiser telefonisch het contact met zijn familie trachtte te herstellen, werd zijn situatie in Guyana onhoudbaar. Zo heeft de oom van eiser onder de Indiase gemeenschap in Guyana geruchten verspreid over de seksuele geaardheid van eiser en daarbij verteld dat eiser zijn lichaam prostitueert. Eiser heeft vervolgens een ticket naar Nederland gekocht omdat, zo stelt hij, hij de hoop heeft dat men juist hier zijn problemen zal begrijpen.

3Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel, de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft geconcludeerd dat er geen enkel vermoeden bestaat dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag te vrezen heeft. Eiser had bovendien voorafgaand aan zijn vlucht bescherming bij de lokale autoriteiten moeten vragen. Eiser komt volgens verweerder voorts niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op een van de andere gronden uit artikel 29, eerste lid van de Vw. Ook is sprake van een binnenlands vluchtalternatief.

4Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar de [streek] vanwege zijn seksuele geaardheid zal worden gedood. Door te stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij van de autoriteiten te vrezen heeft miskent verweerder dat er een aanslag op het leven van eiser is gepleegd, dat eiser door zijn vader aan een balk is opgehangen, en dat ook dorpsgenoten zich op zeer indringende wijze met de seksuele geaardheid van eiser hebben bemoeid. Hulp inroepen van de autoriteiten had en heeft geen zin, omdat homoseksualiteit volgens sectie 377 van de Indian Penal Code wordt bedreigd met een levenslange gevangenisstraf. Eiser heeft in beroep alsnog een kopie van zijn paspoort en van zijn geboorteakte overgelegd. Hij heeft geprobeerd deze documenten te laten vertalen, maar de vertaalopdracht is bij gebreke van een gecertificeerd tolk [taal streek] retour gekomen.

5Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van Vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag), gelezen in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, nationaliteit of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap als de vreemdeling zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren of andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. Als de omstandigheid van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vw zich voordoet, doet dit afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas en rust op de vreemdeling een zwaardere bewijslast. Er mogen dan in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

6In zijn eerste beroepsgrond stelt eiser dat verweerder hem het ontbreken van het paspoort en de reisdocumenten waarmee hij via Guyana naar Nederland is gereisd op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw niet had mogen tegenwerpen. Deze beroepsgrond faalt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) bij uitspraak van 16 mei 2003 (LJN AL4908) heeft overwogen, is het aan verweerder om te bepalen welke documenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en welke ter onderbouwing daarvan hadden kunnen en moeten worden overgelegd. De omstandigheid dat eiser ter staving van zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas een aantal documenten heeft overgelegd die zijn relaas verklaringen bevestigen, laat onverlet dat verweerder het niet overleggen van essentiële documenten als een origineel paspoort en reisbescheiden aan eiser heeft mogen tegenwerpen. Dit geldt temeer nu eiser deze documenten naar eigen zeggen wel in zijn bezit heeft gehad. Dat eiser ze tijdens zijn vliegreis naar Nederland heeft verscheurd heeft verweerder, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat van dwang sprake was en nu eiser op het moment van verscheuren van de documenten al op een locatie was waar bescherming van de autoriteiten kon worden ingeroepen, voor eisers rekening mogen laten.

Het feit dat eiser hangende beroep alsnog onvertaalde kopieën van een paspoort en een geboorteakte heeft overgelegd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het is in beginsel aan verweerder om te bepalen of hij in een concreet geval ter vaststelling van de authenticiteit van een document het origineel hiervan nodig heeft, of dat een kopie volstaat. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de AbRS van 1 augustus 2003 (LJN AL6417).

Verweerder heeft gezien het voorgaande mogen oordelen dat het niet overleggen van voormelde documenten op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw bij de beoordeling van de aanvraag van eiser, in het bijzonder van de geloofwaardigheid van diens relaas, moest worden betrokken. Op eiser rust, nu van een schending van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vw sprake is, een zwaardere bewijslast als het gaat om het aannemelijk maken van zijn asielrelaas.

7Verweerder gaat, ondanks de verzwaarde bewijslast, uit van de juistheid en geloofwaardigheid van alle door eiser in zijn relaas gestelde, in rechtsoverweging 2 op hoofdlijnen aangehaalde, feiten en omstandigheden. De vrees van eiser over wat hem bij terugkeer te wachten staat acht verweerder echter ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Bij uitspraak van 21 juli 2009 (LJN BJ3621) heeft de AbRS uitgemaakt dat als, zoals in dit geval, de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden door verweerder geloofwaardig zijn bevonden, de rechtbank het standpunt van verweerder over het realiteitsgehalte van de aan de feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over de risico's bij terugkeer naar het land van herkomst zonder terughoudendheid moet toetsen.

De eerste kwestie die in het licht van deze zogeheten volle toets beantwoording behoeft, is de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft zijn oordeel gebaseerd op het gegeven dat de vervolgingshandelingen die eiser wegens het behoren tot een bepaalde sociale groep (homoseksuelen) heeft moeten ondergaan hem niet door de autoriteiten zijn aangedaan, maar door zijn eigen familie en door dorpsgenoten. Ook had eiser volgens verweerder bescherming moeten vragen aan de lokale autoriteiten.

8De rechtbank heeft bij de beantwoording van de rechtsvragen die voorliggen gebruik gemaakt van diverse door partijen overgelegde of ambtshalve bekende stukken over de mensenrechtensituatie van homoseksuelen in India, waaronder: (1) het '2008 Human Rights Report: India' van het U.S. Department of State van 25 februari 2009, (2) het 'Country of origin information report on India' van het UK Border Office van 12 augustus 2008 en van 12 mei 2009, (3) de uitspraak van het Delhi High Court van 2 juli 2009, te raadplegen via http://www.ilga.org/news-upload/Delhi_high_court_decision.pdf, en (4) de brief van verweerder aan de directeur van COC Nederland van 12 februari 2009, met als onderwerp 'HLTB-asielzoekers'.

De rechtbank stelt voorop dat volgens paragraaf 65 van het 'Handbook on procedures and criteria for determining refugee status' van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR, hierna: het handboek), de UNHCR 'Guidelines on International Protection: gender-related persecution' uit 2002 (hierna: de guidelines) en verweerders beleid (paragraaf C2/5.2.1 van de Vc) niet alleen de overheid 'agent of persecution' kan zijn, maar dat onder omstandigheden ook derden instigatoren van vervolging kunnen zijn. Daden van vervolging nemen, indien deze door derden worden begaan, doorgaans de gedaante aan van discriminatie. Discriminatie door derden moet een bepaalde mate van ernst en intensiteit bezitten, wil deze recht geven op de status van vluchteling. Dit is het geval als de discriminatie een dusdanig ernstige beperking van bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.

Vast staat, dat de coming-out van eiser onder meer heeft geleid tot vrijheidsberoving, het moeten afbreken van een academische studie, ernstige mishandeling, een poging eiser om het leven te brengen, en vergaande voorbereidingen om eiser tegen diens wil te laten opnemen in een gesticht. De rechtbank kan dan ook niet anders dan oordelen dat de vervolgingshandelingen die eiser door toedoen van zijn familie en dorpsgenoten heeft moeten ondergaan - en die hij bij terugkeer vreest opnieuw te moeten ondergaan - dermate ernstig (zullen) zijn dat deze tenminste bovenbedoelde ernstige vorm van discriminatie opleveren, zodat eiser op grond hiervan in beginsel voor verlening van de vluchtelingenstatus in aanmerking komt.

9Cruciaal bij vrees voor vervolging door derden is ingevolge verweerders beleid, het handboek en de guidelines vervolgens het antwoord op de vraag of de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn effectieve bescherming te bieden. Hoofdregel is hierbij dat een vreemdeling, voordat hij zich met een verzoek om bescherming richt tot de autoriteiten in het land van toevlucht, eerst heeft geprobeerd bescherming van zijn eigen overheid in te roepen.

Deze hoofdregel gaat, anders dan verweerder meent, in dit geval echter niet op. Eiser is immers afkomstig uit een land waar homoseksualiteit met een levenslange gevangenisstraf wordt bedreigd. Uit de reeds aangehaalde landeninformatie blijkt dat deze strafbaarstelling in India geen dode letter is. Zo blijkt uit het meest recente rapport van de US State Department dat sectie 377 uit de Indian Penal Code door de politie geregeld wordt gebruikt voor het uitvoeren van homoraids en om homoseksuelen die aangifte willen doen van tegen hen gepleegde gewelddaden te dreigen met arrestatie. Onder dergelijke omstandigheden heeft verweerder eiser niet mogen tegenwerpen dat hij vóór zijn vlucht naar Nederland bescherming had moeten vragen aan de lokale autoriteiten. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de bij verweerder opgevraagde brief van 12 februari 2009, gericht aan de directeur van COC Nederland. In deze brief benadrukt verweerder dat, als een homoseksuele vreemdeling afkomstig is uit een gebied waar homoseksualiteit strafbaar is, van deze vreemdeling niet verlangd mag worden dat hij voorafgaand aan zijn vlucht bescherming tegen vervolging door derden bij de lokale autoriteiten vraagt.

10Met het voorgaande is komen vast te staan dat eiser vanwege het behoren tot een bepaalde sociale groep gegronde vrees heeft voor vervolging waartegen de lokale autoriteiten hem niet kunnen of willen beschermen. Verweerder heeft dit niet onderkend. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

11De rechtbank toetst vervolgens of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Nadat is vastgesteld dat de vreemdeling in een bepaald deel van zijn land van herkomst (in dit geval: de [streek]) gegronde vrees heeft voor vervolging, dient zich immers de vervolgvraag aan of de vreemdeling in een ander deel van dit land een mate van bescherming kan genieten die van zodanige kwaliteit is dat Nederland geen bescherming hoeft te verlenen; het zogeheten binnenlands vluchtalternatief. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat voor eiser een dergelijk alternatief voorhanden is.

Uit de ter zitting met partijen besproken uitspraak van de Delhi High Court van 2 juli 2009 blijkt immers dat deze instantie heeft geoordeeld dat sectie 377 van de Indian Penal Code in strijd is met de Indiase Grondwet. Homoseksualiteit is daarmee in elk geval in New Delhi niet langer strafbaar. Ook blijkt uit de al aangehaalde landeninformatie dat in de grote steden van India, waaronder New Delhi en Mumbai, sinds enige tijd een klimaat heerst waarin homoseksuelen zich vrij voelen zich te verenigen en te manifesteren, bijvoorbeeld door het houden van gaypride-parades. Daarmee heeft in ieder geval New Delhi voor eiser als binnenlands vluchtalternatief te gelden. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw. Van bescherming op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw kan vanwege de aanwezigheid van een binnenlands vluchtalternatief evenmin sprake zijn.

12De rechtbank zal gelet op het voorgaande de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.

13De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

IIIBESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 18 maart 2009;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 644,-, te betalen door verweerder aan de griffier.

Aldus vastgesteld door mr. J.T.W. van Ravenstein, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Badermann.

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).