Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5778

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
348566 / KG ZA 09-1288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert – samengevat – een uitvoerbaar bij voorraad te geven bevel aan RWS om te gehengen en te gedogen dat hij het door hem geschreven manuscript over het veranderproces bij RWS (althans de prestaties bedoeld in de Overeenkomst) in eigen beheer uitgeeft en wel zonder te stellen voorwaarden, althans op voorwaarden die de rechter in de gegeven omstandigheden juist voorkomen, subsidiair een bevel aan RWS om aan eiser bedoelde toestemming te geven om in eigen beheer uit te geven. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 348566 / KG ZA 09-1288

Vonnis in kort geding van 9 december 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. W.M.J. Bekkers te Utrecht,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van verkeer en waterstaat),

met zetel te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat: mr. H.J.M. Boukema te ’s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en RWS (afkorting voor Rijkswaterstaat) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 30 oktober 2009 met 15 producties;

- de lijst van producties van de zijde van RWS (producties 1 t/m 4.3);

- de mondelinge behandeling van 25 november 2009;

- de pleitaantekeningen van mr. Bekkers,

- de pleitaantekeningen van mr. Boukema.

1.2. Vonnis is bepaald op heden.

2. Uitgangspunten

2.1. In kort geding kan van het navolgende worden uitgegaan.

2.2. Partijen hebben in februari 2007 een overeenkomst van opdracht gesloten. [eiser], een bekend onderzoeksjournalist, gepromoveerd historicus en schrijver van een aantal bestsellers (over Philips, banken, crisis bij het CDA), aanvaardt daarin de opdracht van RWS om op kosten van RWS (voor een overeengekomen totaalbedrag van ruim € 280.000,-, dat integraal is voldaan door RWS) een onafhankelijk en kritisch boek te schrijven over een ingrijpende reorganisatie die bij RWS plaatsvond in de periode 2003-2008. Het auteursrecht wordt bij deze overeenkomst overgedragen aan RWS en RWS bedingt uiteindelijke beslissingsbevoegdheid omtrent publicatie, terwijl aan [eiser] geheimhouding wordt opgelegd op straffe van verbeurte van contractuele boete; [eiser] wordt gestimuleerd om onafhankelijk en kritisch onderzoek te doen naar dit veranderingsproces, krijgt toegang tot een groot aantal interne stukken en kan vrijelijk spreken met betrokkenen. Indien RWS zou besluiten niet zelf tot publicatie over te gaan, dan kan [eiser] volgens de overeenkomst aan RWS om toestemming vragen om in eigen beheer te mogen publiceren, welke toestemming RWS [eiser] niet op onredelijke gronden mag onthouden, maar aan welke toestemming wel voorwaarden kunnen worden verbonden door RWS.

2.3. Aan ondertekening van de overeenkomst van opdracht (hierna: de Overeenkomst) door partijen op respectievelijk 18 en 22 februari 2007 is een voorbereidingsfase voorafgegaan vanaf medio 2006, waarin door [eiser] verscheidene versies voor een opzet voor het project (“plan van aanpak”) zijn opgesteld. De tweede versie uit december 2006 maakt als een van de twee bijlagen deel uit van de Overeenkomst.

2.4. Nadat partijen in principe overeenstemming hadden bereikt schrijft [eiser] aan de directeur-generaal van RWS ir. [A] bij brief van 9 februari 2007 – derhalve een kleine 2 weken voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomst – het volgende(1):

Wij hebben enkele keren gesproken over de doelstelling van het project ‘RWS Boek der Verandering’ (werktitel), die ook is omschreven in mijn Plan van Aanpak (waarvan jij versie 3 hebt gelezen). In die gesprekken ben ik ervan overtuigd geraakt dat je uit bent op een onafhankelijk, objectief en openhartig eindproduct. Nu mij ook definitief opdracht is verleend, hecht ik eraan nog eens expliciet vast te leggen, dat ik dit project – in overleg met jou en de redactie, en in overeenstemming met de opdracht – naar eigen inzicht kan uitvoeren.

Als mijn werkzaamheden zijn afgerond, zal Rijkswaterstaat eigenaar worden van de teksten. Vanaf dat moment kan Rijkswaterstaat naar believen met deze teksten doen wat hij wil en ze in elke gewenste vorm publiceren.

Wellicht zul je begrijpen dat ik, als onafhankelijk journalist, historicus en auteur, mij het recht voorbehoudt mijn naam alleen aan dergelijke publicaties te verbinden als Rijkswaterstaat er geen bewerkingen op toepast (veranderingen, aanvullingen, verwijdering) die naar mijn mening het waarheidsgehalte, de objectiviteit van de inhoud en de onafhankelijkheid van de analyse substantieel aantasten.

Ik zou daarom graag zien dat Rijkswaterstaat, om dit voorbehoud tot gelding te brengen, toezegt mij bij elke publicatie – in welke vorm dan ook – waarin genoemde teksten worden gebruikt en waarin mijn naam wordt genoemd, vooraf inzage te zullen geven in de te publiceren versie, en, indien ik op basis van bovengenoemde criteria mijn naam niet aan de betreffende publicatie(s) wil verbinden, van naamsvermelding af te zullen zien.

2.5. Genoemd plan van aanpak voor het project, opgesteld door [eiser] in overleg met RWS, maakt als bijlage (bij bijlage 2 van de Overeenkomst ("Offerte RWS Boek")) deel uit van de Overeenkomst, met als titel: "RWS Boek der Verandering - Plan van Aanpak" (Versie 2, 07-12-2006). Daar is onder meer het volgende in opgenomen:

Dit plan beschrijft op welke wijze het RWS Boek der Verandering (werktitel) tot stand zal komen. Het is geen structuurschets en bevat geen inhoudsopgave. Die zullen pas over een maand of acht, als de research en interviews een stuk verder gevorderd zijn en een substantieel deel der ruwe teksten klaar ligt, hun vorm vinden. De eerste versie van het plan is op 4-12-2006 besproken met de redactie, die het een goede basis vond. Naar aanleiding van die bijeenkomst is met name de lijst (potentiële) kernmomenten uitgebreid. Gaandeweg zal het plan ongetwijfeld nog meer aanpassingen ondergaan.

Tijdens genoemde bijeenkomst is afgesproken dat de redactieleden aan elk kernmoment een of meer namen van sleutelfiguren zullen koppelen. Zij zullen ook het lijstje met interviewkandidaten buiten RWS (politiek, wegbeheerders, bouwers e.d.) van namen voorzien. Tijdens de eerstvolgende vergadering (8 januari 2007) zal dan de lijst te interviewen personen worden vastgesteld. Direct daarna zal de research (interviews, reportages en deskresearch) worden voortgezet.

Uitgangspunten

Het RWS Boek der Verandering zal beschrijven welke veranderingen Rijkswaterstaat in de periode 2003-2007 heeft doorgemaakt/doormaakt en hoe dat proces is verlopen. Drie van die vier jaren zijn verstreken, een nog niet.

Dat brengt het gevaar mee van schrijven vanuit de wijsheid van de terugblik.

Gelukkig is ‘tijdens de rit’ in documenten en ook in de reeds gehouden interviews aardig wat aan verslaglegging gedaan. Daardoor kan veel worden gereconstrueerd, ook van de emoties, twijfels, onzekerheden, verwachtingen en tussentijdse koerswijzigingen gedurende het veranderingsproces.

Belangrijke wensen van de opdrachtgever, directeur-generaal [A], zijn

dat het boek:

- openhartig is

- over mensen gaat

- en voor iedere Nederlander met minimaal hbo-niveau toegankelijk is .

Zelf zou ik daar aan toe willen voegen dat het:

- liefst ‘genadeloos’ openhartig is, en

- voor zoveel mogelijk Nederlanders op minimaal hbo-niveau interessant moet zijn.

(…)

Kernmomenten, kernthema's en kernpersonen

Om voornoemd doel te bereiken, moet het boek zo min mogelijke theorie, schema's en tabellen bevatten. Dat wil zeggen: ze mogen er wel in, maar vanuit het perspectief van de praktijk. De centrale vraag is niet: wat wilde de RWS-top toen het eind 2003 de stoute schoenen aantrok en de Operatie Ondernemingsplan 'Doorpakken, Wel Degelijk' in gang zette? De vraag is: wat heeft de RWS-top daarmee aangericht? Wat is van al die mooie plannen, modellen en achterliggende theorieën in de praktijk terechtgekomen?

Het boek zal dan ook niet worden opgebouwd rond de begrippen uit het Ondernemingsplan of de fasen van het Realisatieprogramma, maar rond kernmomenten, kernthema's en kernpersonen.

(…)

2.6. De Overeenkomst bevat onder meer het volgende:

1. Voorwerp van de Overeenkomst

1. Opdrachtgever (sc. RWS, Vzr.) verleent aan Opdrachtnemer (sc. [eiser], Vzr.) opdracht tot het verrichten van Diensten, overeenkomstig de door Opdrachtnemer uitgebrachte offerte d.d. 21 januari 2007, zonder kenmerk (bijlage 2), welke opdracht Opdrachtnemer bij deze aanvaardt, een en ander voor zover daarvan niet in deze Overeenkomst wordt afgeweken.

1.2 De navolgende documenten maken deel uit van deze Overeenkomst. Indien de Overeenkomst strijdig is met de Bijlagen prevaleert de Overeenkomst. Voor zover deze documenten met elkaar in tegenspraak zijn, prevaleert het eerder genoemde document boven het later genoemde:

1. de ARVODI (Bijlage 1) ;

2. de offerte die aan deze opdracht ten grondslag ligt (Bijlage 2).

1.3 Na afloop van elke kalendermaand wordt een beknopt schriftelijk voortgangsverslag ingediend bij de Contactpersoon voor Opdrachtgever. De eerste rapportage wordt per 1 maart 2007 overlegd. De laatste rapportage, hierna te noemen: eindrapport, wordt geleverd in de vorm van definitieve teksten voor een boek, die:

- beantwoorden aan het doel van het boek;

- voldoen aan de door Opdrachtgever gestelde algemene eisen, zoals opgenomen in Bijlage 2;

- rijp zijn voor overdracht aan een vormgever;

- minimaal 70.000 woorden bevatten.

1 .4 Het eindrapport komt tot stand onder begeleiding van een redactiegroep waarin Opdrachtgever vertegenwoordigd is. In overleg met Opdrachtgever en de redactiegroep kan Opdrachtnemer de opdracht naar eigen inzicht uitvoeren. Het eindrapport, dat de Opdrachtgever zal accepteren als het voldoende beantwoordt aan de in 1.3 genoemde voorwaarden, wordt uiterlijk 31 januari 2008 aangeleverd, zowel digitaal als in geprinte vorm. In het eindrapport dient in ieder geval te worden vermeld, dat Opdrachtgever de auteursrechthebbende is.

(…)

5. Van toepassing zijnde Voorwaarden

5.1 Op deze Overeenkomst zijn uitsluitend van toepassing de “Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van Diensten (ARVODI)”, (Bijlage 1), reeds in het bezit van partijen, voor zover daarvan in deze Overeenkomst niet wordt afgeweken. De (eventuele) algemene en bijzondere voorwaarden van Opdrachtnemer worden uitgesloten.

5.2 Artikel 16 van de ARVODI is niet van toepassing.

5.3 In aanvulling op artikel 23 van ARVODI geldt met betrekking tot publicatie het volgende: Uitsluitend Opdrachtgever is bevoegd om (delen van) de rapportage openbaar te maken. Indien Opdrachtgever gelijktijdig met de publicatie van de teksten een toelichting of commentaar daarop openbaar wil maken, pleegt hij daarover voorafgaand overleg met Opdrachtnemer (zie art. 5.5).

5.4 In afwijking van artikel 19.3 van de ARVODI geldt dat de aansprakelijkheid van Opdrachtnemer is beperkt tot de directe schade die Opdrachtgever mocht lijden. Ingeval Opdrachtnemer schade veroorzaakt, bedraagt de aansprakelijkheid nooit meer dan het in artikel 3.1 vermelde bedrag vermeerderd met BTW.

De beperking van de aansprakelijkheid als hiervoor bedoeld komt te vervallen:

a. ingeval van aanspraken van derden op schadevergoeding ten gevolge van dood of letsel;

b. indien sprake is van opzet of grove' schuld aan de zijde van Opdrachtnemer of diens Personeel;

c. in geval van schending van intellectuele (eigendoms)rechten als bedoeld in artikel 23 van de ARVODI.

5.5 In aanvulling op artikel 23 van de ARVODI- geldt het volgende. Opdrachtnemer behoudt het recht diens naam slechts aan de publicatie van de geleverde teksten te verbinden als Opdrachtgever er geen bewerkingen op toepast die naar het inzicht van Opdrachtnemer het waarheidsgehalte, de objectiviteit van de inhoud en de onafhankelijkheid van de analyse aantasten. Bij elke publicatie – in welke vorm dan ook – waarin genoemde teksten worden gebruikt en waarin de naam van Opdrachtnemer wordt genoemd, geeft Opdrachtgever Opdrachtnemer vooraf inzage in de te publiceren versie. Indien Opdrachtnemer op basis van voornoemde criteria diens naam niet aan de betreffende publicaties wil verbinden, zal Opdrachtgever afzien van naamsvermelding.

5.6 Het is Opdrachtnemer toegestaan de door de werkzaamheden verkregen gegevens voor wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijk onderwijs te gebruiken, met uitzondering van privacygevoelige gegevens.

Opdrachtnemer zal daarbij niet in strijd handelen met de belangen van Opdrachtgever. Bij twijfel daarover treedt Opdrachtnemer vooraf in overleg met Opdrachtgever.

Indien Opdrachtgever besluit de prestaties niet te publiceren, kan Opdrachtnemer aan Opdrachtgever schriftelijk verzoeken de prestaties in eigen beheer te mogen uitgeven. Deze toestemming dient schriftelijk te worden gegeven en zal niet zonder redelijke grond worden geweigerd. Opdrachtgever is gerechtigd aan het verlenen van deze toestemming voorwaarden te verbinden.

5.7 Bij schending van de geheimhoudingsverplichtingen welke ingevolge artikel 11 van de ARVODI op hem en zijn Personeel rusten, is Opdrachtnemer een boete verschuldigd van

€ 10 .000 per gebeurtenis.

Uit de als bijlage 1 van de Overeenkomst deeluitmakende Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van Diensten (ARVODI) zijn met name de volgende delen uit artt. 1, 11 en 23 van belang:

11. Geheimhouding

11.1 Opdrachtnemer verplicht zich al hetgeen hem bij de uitvoering van de Overeenkomst ter kennis komt, en waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs kan vermoeden, op generlei wijze bekend te maken, behalve voorzover enig wettelijk voorschrift of uitspraak van de rechter hem tot bekendmaking verplicht.

(…)

11.4 Beide partijen zullen persberichten en andere openbare mededelingen met betrekking tot de onderhavige opdracht slechts aan derden verstrekken na voorafgaande schriftelijke toestemming van de andere partij. Bedoelde toestemming is niet nodig, indien de verstrekking van informatie berust op een wettelijke verplichting.

(…)

11.6 Opdrachtgever is gerechtigd indien Opdrachtnemer de geheimhoudingsverplichtingen schendt, een bij de Overeenkomst te bepalen boete te stellen. Betaling van de boete, die onmiddellijk opeisbaar is, laat onverlet de gehoudenheid van Opdrachtnemer de schade die het gevolg is van de schending te vergoeden.

23. Intellectuele (eigendoms-)rechten

23.1 Alle intellectuele (eigendoms-)rechten die kunnen of zullen kunnen worden uitgeoefend, waar en wanneer dan ook, ten aanzien van de resultaten van de verrichte Diensten, berusten bij Opdrachtgever. Deze rechten worden op grond van de Overeenkomst door Opdrachtnemer op het moment van het ontstaan daarvan aan Opdrachtgever overgedragen, welke overdracht door Opdrachtgever reeds nu voor alsdan wordt aanvaard.

23.2 Voorzover voor de overdracht van de rechten, bedoeld in artikel 23.1, een nadere akte zou zijn vereist, machtigt Opdrachtnemer Opdrachtgever reeds nu voor alsdan onherroepelijk om zodanige akte op te maken en namens Opdrachtnemer te ondertekenen, onverminderd de verplichting van Opdrachtnemer om op eerste verzoek van Opdrachtgever aan de overdracht van deze rechten medewerking te verlenen, zonder daarbij voorwaarden te kunnen stellen. Opdrachtnemer machtigt Opdrachtgever hierdoor onherroepelijk om de overdracht van deze intellectuele (eigendoms-)rechten in de desbetreffende registers te doen inschrijven.

23.3 Opdrachtnemer doet hierbij afstand jegens Opdrachtgever van alle eventueel aan hem, Opdrachtnemer, toekomende zogenaamde persoonlijkheidsrechten als bedoeld in de Auteurswet 1912, in de mate als de toepasselijke regelgeving zodanige afstand toelaat. (…)

23.4 Opdrachtnemer is niet gerechtigd de resultaten van de verrichte Diensten in enigerlei vorm aan derden beschikbaar te stellen, noch hierover aan derden enige inlichting te verschaffen, tenzij Opdrachtgever schriftelijk uitdrukkelijk toestemming hiervoor heeft verleend. Opdrachtgever kan aan deze toestemming voorwaarden verbinden.

(…)

2.7. Tijdens de uitvoering van de Overeenkomst zijn er door [eiser] interviews afgenomen met betrokkenen binnen RWS. D-G [A] van RWS heeft bij brief aan de geïnterviewden van 15 april 2008 zijn mensen als volgt aangespoord om met de verslaglegging daarvan door [eiser] om te gaan:

De verantwoordelijkheid voor de interpretatie van alle feiten en uitspraken ligt overigens bij de auteur (bedoeld is [eiser], Vzr.). Voor een goede en evenwichtige meningsvorming is het echter belangrijk dat de geïnterviewden aangeven waar zij met hem van mening verschillen en andere interpretaties hebben, zodat hij daar rekening mee kan houden in het verdere schrijfproces.

Tenslotte wil ik benadrukken dat het niet de bedoeling is dat je jezelf tijdens deze correctieronde gaat censureren. Schrik ook niet te zeer als je uitspraken op papier wellicht wat scherp overkomen. De belangrijkste waarde van de interviews ligt namelijk in de eerlijkheid en openhartigheid die je in dat gesprek hebt getoond en die kenmerkend is voor het veranderproces dat we samen doormaken. Wat mij betreft blijf je die openheid voluit betrachten! Ik zal dat met mijn eigen uitspraken zeker ook doen.

2.8. In de zomer van 2008 wordt met betrokkenheid van RWS stafmedewerkers georganiseerd dat het beoogde boek zal worden opgenomen in de najaarscatalogus van uitgeverij [uitgeverij] 2008. Het boek wordt dan ook als binnen kort te verschijnen aangekondigd, met nadrukkelijke vermelding van [eiser] als auteur.

2.9. Toen het boek voor ongeveer viervijfde deel in concept was geschreven, kreeg

[eiser] te horen dat er bezwaren werden gevoeld tegen zijn werk vanuit de top van RWS. Uit de e-mail van D-G [A] aan hem van 14 november 2008:

Ik heb de gereviseerde versie grondig gelezen. Dat kostte mij bijna 3 uur. Dat ik niet ala minuut reageer op jouw tekst heeft te maken met de weinige vrije tijd die ik heb. Ik moet toch echt even tijd hebben en nemen om jouw werk recht te doen. Ik heb mijn detailcommentaar en mijn algemene indrukken aan [B] (sc. [B], redactielid voor het boek van de zijde van RWS, Vzr.) meegegeven. Het probleem wat ik heb met de huidige teksten, is dat er toch weinig gedaan is met eerder commentaar, Wel hier en daar reparaties maar niet echt verweven in opzet en teksten. Er ontbreekt een rode draad, die m.i. echt geleverd kan worden door de geplande en gepubliceerde acties van RWS(Ondernemingsplan). je wekt bij mij de indruk het niet te (willen?) geloven. De karikaturen van de hoofdrolspelers zijn niet echt aangepast, terwijl dat niets toevoegt aan het verhaal. Je ziet geen enkele positieve ontwikkeling bij de Heren 17(overigens is dat jouw benaming en niet iets wat bij RWS zo benoemd wordt). Het wordt niet duidelijk wat er aan energie door [C] en het Bestuur is gestopt in de leertrajecten en de resultaten die dat heeft opgeleverd. Publieksgericht netwerkmanagement wordt als niks nieuws en bagatelliserend neergezet. De toon en de tekst is allemaal vrij somber van aard: Benadrukt worden de afwijkende (negatieve) meningen, maar een balans met (positieve) meningen en resultaten ontbreekt. Het geheel leest niet als een spannend boek. Je plaatst zelf ook af en toe bruggetjes als “begrijpt u het nog?”.

[B] meldt mij terug, dat je deze opmerkingen niet herkent. Ja, dan helpt het niet om commentaar te geven. Ik zal [D] oppeppen om ook verder te lezen maar je hebt hem gewoon gekwetst met jouw beschrijving van hem.

[eiser], ik wil niets liever dan het uitbrengen van een boek over het interne veranderproces bij RWS, omdat dat zelden wordt gedaan bij overheidsinstanties. Maar ik moet mij wel herkennen (in de fouten, dilemma's, worstelingen en niet gehaalde resultaten, maar ook de wel gehaalde resultaten en de positieve cultuurveranderingen en bijbehorende waarderingen) Dat gevoel heb ik nog niet.

Groet, [A]

n.b. [B] heeft de teksten ook laten lezen (op mijn verzoek) aan [E], die onwetend was van mijn reactie. [E] is mijn adviseur strategie. Hij heeft dezelfde gevoelens en indrukken.

2.10. [eiser] heeft hierop gereageerd bij brief aan [A] van 26 november 2008:

Op donderdag 13 november deelde [B] mij telefonisch mede dat je niet van plan bent het boek dat ik over RWS aan het schrijven ben, in zijn huidige vorm te publiceren. Dit standpunt, aldus [B], is gebaseerd op het lezen van de gereviseerde hoofdstukken 1 tot en met 5 (inclusief het intermezzo over managementtaal en de beschrijving van de hoofdpersonen) en het concept van hoofdstuk 6, alles bijeen een kleine tachtig procent van de uiteindelijke hoofdtekst.

In je e-mail bericht van 14 november, in respons op mijn brief van dezelfde datum, geef je daarvoor je motieven. Je vindt de beschrijvingen van de hoofdpersonen, inclusief jezelf, ook na mijn aanpassingen nog altijd “karikaturen”. Je vindt mijn toon somber: “benadrukt worden de afwijkende (negatieve) meningen, maar een balans met (positieve) meningen en resultaten ontbreekt”. En dan de kern: “het probleem wat ik heb met de huidige teksten, is dat er toch weinig gedaan is met eerder commentaar; wel hier en daar reparaties maar niet echt verweven in opzet en teksten. Er ontbreekt een rode draad, die m .i. echt geleverd kan worden door de geplande en gepubliceerde acties van RWS(Ondernemingsplan)”.

Je standpunt schept de volgende twee problemen:

1. Zoals wij bij diverse gelegenheden uitvoerig hebben besproken kan onderzoek als het onderhavige alleen op een geloofwaardige manier plaatsvinden als de onderzoeker in onafhankelijkheid zijn werk kan verrichten. Dit geldt zowel zijn werkwijze en zijn conclusies alsook de verwoording daarvan. Aldus zijn wij overeengekomen en zelf heb je dit nog eens benadrukt in je brief aan de geïnterviewden. Met onze afspraken hebben wij ons gedragen conform de normen die in het algemeen voor dergelijk onderzoek gelden. Deze zijn niet arbitrair: participanten aan historische processen hebben daar niet zelden een andere kijk op dan de historicus. Bij contractonderzoek moeten eerstgenoemden de bereidheid hebben de vrijheid van onderzoek van de zijde historicus te respecteren en zelfs te beschermen, ook al zijn zij het met zijn interpretaties niet altijd eens.

Ik dacht en mocht ook denken dat wij het over het voorgaande eens waren. In je email van 14 november echter limiteer je mijn onafhankelijkheid als onderzoeker. Ik citeer: “ik wil niets liever dan het uitbrengen van een boek over het interne veranderproces bij RWS, omdat dat zelden wordt gedaan bij overheidsinstanties. Maar ik moet mij wel herkennen (in de fouten, dilemma's, worstelingen en niet gehaalde resultaten, maar ook de wel gehaalde resultaten en de positieve cultuurveranderingen en bijbehorende waarderingen)”. Deze stellingname maakt van de onderzoeker in wezen een ‘broodschrijver’ die zijn inzichten conform die van zijn opdrachtgever moet formuleren om zijn werk gepubliceerd te zien. Dit is hoogst ongebruikelijk en ook maatschappelijk onwenselijk. De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen heeft in een publicatie over de normering van contractonderzoek gewezen op de noodzaak de vrijheid van publicatie te beschermen en deze bij de onderzoeker te doen berusten. Mochten wij dit laatste punt niet goed geregeld hebben, dan beschouw ik dat als een beroepsfout mijnerzijds. Dat neemt niet weg dat het achteraf aangelegde criterium van resultaatherkenning door de opdrachtgever toch niet anders verstaan kan worden als een drukmiddel waarvan op de onafhankelijkheid een negatief effect uitgaat. Daarom ook past je reactie niet bij het goede wederzijdse verstaan dat wij hadden opgebouwd.

2. Het tweede probleem betreft de ‘rode draad’. Onze overeenkomst is gebaseerd op een (aan de overeenkomst aangehechte) offerte met als bijlage de tweede versie van mijn plan van aanpak, gedateerd 7 december 2006. Daarin schets ik de uitgangspunten, de centrale vraag en de hoofdlijnen van de te volgen aanpak. Ik citeer: “de centrale vraag is niet: wat wilde de RWS-top toen hij eind 2003 de stoute schoenen aantrok en de Operatie Ondernemingsplan ‘Doorpakken, Wel Degelijk’ in gang zette? De vraag is: wat heeft de RWS-top daarmee aangericht? Wat is van al die mooie plannen, modellen en achterliggende theorieën in de praktijk terecht gekomen? Het boek zal dan ook niet worden opgebouwd rond de begrippen uit het Ondernemingsplan of de fasen van het Realisatieprogramma, maar rond kernmomenten, kernthema's en kernpersonen”.

Door nu in je e-mail van 14 november 2008 te stellen dat het boek naar jouw mening zou moeten worden opgebouwd rond de geplande en gepubliceerde acties van het RWS Ondernemingsplan, schuif je het centrale uitgangspunt van het overeengekomen plan van aanpak, een belangrijke pijler van onze overeenkomst, terzijde.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat je je op twee punten niet langer aan de inhoud en geest van onze overeenkomst houdt. Ik weet niet goed hoe hierop te reageren[B] heeft mij mondeling medegedeeld dat je van mening was dat ik maar eens een tijdje afstand zou moeten nemen van de tekst. Ik zou, gegeven het voorgaande, niet weten wat dit zou moeten opleveren. Bovendien kan ik me noch wat betreft mijn onderzoeksprogramma, noch financieel verder uitstel permitteren. Er is dus alle reden tot overleg over het onderzoek en de afronding ervan. Het lijkt me verstandig dat zulk overleg niet door tussenkomst van je medewerkers maar direct tussen jou en mij plaatsvindt. De aard van de in het geding zijnde waarden wijst daarop.

2.11. Vervolgens is eind maart 2009 door RWS definitief geweigerd de door [eiser] geschreven teksten te publiceren: Uit de brief van D-G [A] van 30 maart 2009:

We hebben inmiddels kennis genomen van de laatste hoofdstukken en de epiloog van het onderzoek dat je hebt verricht. Dit tezamen geeft ons aanleiding tot de volgende afweging.

Het onderzoek beoogt een beschrijving te geven van de verandering bij Rijkswaterstaat in de periode 2004-2007. Helaas is, alle werkzaamheden en gesprekken omtrent je vorderingen ten spijt, het resultaat niet geworden wat is beoogd bij de verlening van de opdracht - zoals vastgelegd in het contract. Dit brengt ons tot de slotafweging dat we willen afzien van enige verdere openbaarmaking van dit materiaal en geen toestemming verlenen voor een nadere publicatievorm.

We zien diverse bezwaren. Tijdens de opeenvolgende gesprekken hebben we herhaaldelijk aangegeven dat in de verslagen van het onderzoek geen duidelijke rode draad is te ontdekken, terwijl daar in de gevoerde gesprekken herhaaldelijk om is verzocht. Het onderzoek is daarmee per saldo geenszins de leerzame of prikkelende beschrijving geworden van het veranderproces bij RWS zoals in het contract is afgesproken. De meest betrokkenen herkennen zich ook niet goed in de wijze waarop de veranderingen bij RWS zijn belicht. De wijze waarop sleutelpersonen worden belicht vinden we niet evenwichtig en soms onheus, met weinig respect voor betrokkenen.

Desondanks zullen we ons voordeel doen met je rapportage, maar enige verdere vorm van publicatie achten we niet gewenst.

(…)

2.12. Daarop is door [eiser] gereageerd met een verzoek om in eigen beheer te mogen publiceren bij brief aan D-G [A] van 9 april 2009:

In uw brief van 30 maart laat u weten af te zien van openbaarmaking van mijn boek over het veranderproces bij RWS. Ik betreur deze beslissing.

Ik kan niet instemmen met uw argumenten. Het verslag van mijn onderzoek is volstrekt in lijn met de afspraken in onze overeenkomst SDG 01355 met aangehecht plan van aanpak. U schrijft dat in het boek geen duidelijke rode draad is te ontdekken. In feite bevat het meerdere roden draden. Het is wellicht geen beschrijving naar uw smaak, maar het is wel degelijk leerzaam en prikkelend. De schets van de sleutelpersonen is in de laatste versie zodanig dat een kwalificatie als ‘onheus’ absoluut niet aan de orde kan zijn. In het proces van revisie heb ik alle geïnterviewden - inclusief u zelf - de gelegenheid gegeven hun commentaren en visies te geven. Ik heb die commentaren steeds op serieuze wijze, met behoud van mijn contractueel vastgelegde onafhankelijkheid, verwerkt.

Dit belangrijke boek biedt een unieke, gedetailleerde inkijk in een veranderingsproces bij een grote overheidsorganisatie. Reeds geruime tijd geleden heeft uw staf de beoogd uitgever geselecteerd. Deze heeft - in nauw overleg en volle instemming van uw staf - het boek aangekondigd aan de pers en de boekhandel. Zoals u weet is publiceren mijn hoofdactiviteit. Elke publicatie draagt bij aan de opbouw van mijn oeuvre, dat de basis vormt voor nieuwe opdrachten . Boeken vormen de grondslag van dat oeuvre en van mijn reputatie als auteur. Het niet publiceren van een belangrijk, reeds aangekondigd boek doet daar afbreuk aan.

Daarom doe ik een beroep op artikel 5, lid 6 van onze overeenkomst SDG 01355, en met name op de passage daarin die luidt: “Indien Opdrachtgever besluit de prestaties niet te publiceren, kan Opdrachtnemer aan Opdrachtgever schriftelijk verzoeken de prestaties in eigen beheer te mogen uitgeven. Deze toestemming dient schriftelijk te worden gegeven en zal niet zonder redelijke grond worden geweigerd.”

Ik verzoek u mij toestemming te verlenen mijn boek zelf, via een door mij te kiezen

uitgever, te publiceren.

2.13. De gevraagde toestemming is door RWS niet gegeven blijkens de brief van [A] aan [eiser] van 20 april 2009 – op dezelfde gronden als waarop RWS de rapportage van [eiser] eerder had geweigerd:

Hierbij wil ik u melden dat we uw brief van 9 april jongstleden, als antwoord op mijn brief met het kenmerk SDG/C&S 2009/400, in goede orde hebben ontvangen.

In uw brief doet u ons het verzoek om op grond van artikel 5.6 uit het tussen u en ons gesloten contract te mogen overgaan tot publicatie in eigen beheer van teksten over het veranderproces bij Rijkswaterstaat.

In antwoord op dit verzoek meld ik u hierbij dat wij hier niet mee instemmen aangezien wij de teksten niet geschikt achten voor publicatie.

Voor de redelijke grondslag voor dit besluit verwijzen we u naar de argumenten in mijn brief van 30 maart. Deze brief vat nogmaals de diepgaande bezwaren samen die ik u al in de loop van 2008 heb aangegeven in de diverse gesprekken en de brief- en mailwisselingen die ik met u over de door u opgestelde conceptteksten heb gevoerd. Uw overwegingen in uw brief van 9 april onderstrepen ons inziens nogmaals het diepgaande verschil in inzicht over de mate van geschiktheid voor publicatie van deze teksten. Uw overwegingen hebben ons op dit punt echter niet van mening doen veranderen.

Derhalve verleen ik u geen toestemming voor publicatie van deze teksten door uzelf in eigen beheer of door welke andere uitgevende partij dan ook. Dit geldt uiteraard ook voor eventuele andere publicatiewijzen, bijvoorbeeld via een andere uitgever, of openbaarmaking van delen van het materiaal of van de informatie die u ten behoeven van de uitvoering van het onderzoek van ons ter beschikking hebt gekregen.

2.14. Vervolgens is RWS intern tot een bewerking van de teksten van [eiser] overgegaan. Daarover is bij brief van 13 oktober 2009 (na dagvaarding in de onderhavige zaak) als volgt bericht aan [eiser]:

Nadat de heer [A] besloot het door u opgeleverde document niet te publiceren, hebben enkele van zijn medewerkers zich gebogen over diens belangrijkste bezwaren met de tekst.

Inmiddels hebben zij het manuscript bewerkt en is er een document ontstaan dat naar onze mening meer in lijn is met wat door Rijkswaterstaat destijds werd beoogd. De aangepaste versie van het manuscript vindt u bijgaand.

Rijkswaterstaat bij monde van de heer [A] wil u bij deze graag in de gelegenheid stellen aan te geven of de aangepaste tekst ook voor u acceptabel is.

Graag vernemen wij daarom van u of u uw naam hieraan wilt verbinden. Wanneer u daar onverhoopt niet voor voelt vragen wij u aan te geven welke wijzigingen u voorstelt om tot een ook voor u aanvaarbare tekst te komen.

Indien u aan het laatste niet wil meewerken, dan vernemen wij graag van u of er in het voorwoord melding moet worden gemaakt van het door u gedurende de laatste twee jaar uitgevoerde onderzoek.

Het zou ons verheugen om dit project alsnog in goede harmonie en gezamenlijkheid te kunnen afronden.

(…)

2.15. [eiser] heeft aan geen van deze verzoeken willen voldoen.

2.16. (Voor het eerst) ter zitting is door RWS aangekondigd dat in januari 2010 het door RWS bewerkte boek over het veranderproces bij SDU uitgeverij zal verschijnen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – samengevat – een uitvoerbaar bij voorraad te geven bevel aan RWS om te gehengen en te gedogen dat [eiser] het door hem geschreven manuscript over het veranderproces bij RWS (althans de prestaties bedoeld in de Overeenkomst) in eigen beheer uitgeeft en wel zonder te stellen voorwaarden, althans op voorwaarden die de rechter in de gegeven omstandigheden juist voorkomen, subsidiair een bevel aan RWS om aan

[eiser] bedoelde toestemming te geven om in eigen beheer uit te geven, in beide gevallen op straffe van verbeurte van dwangsommen, kosten rechtens met inbegrip van buitengerechtelijke kosten ten belope van € 5.000,-. [eiser] stelt hierbij spoedeisend belang te hebben en geeft aan dat RWS zich schuldig maakt aan misbruik van auteursrecht door [eiser] de gevraagde toestemming, waarin de Overeenkomst zou voorzien, niet te verlenen.

3.2. RWS voert verweer (maar niet tegen het gestelde spoedeisend belang). Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vorderingen van [eiser] kunnen niet worden toegewezen. Daartoe is het navolgende redengevend.

beoordelingskader

4.2. Niet in geschil is dat het (gehele) auteursrecht met betrekking tot de door [eiser] geschreven teksten in het kader van de Overeenkomst is overgedragen aan en berust bij RWS. Met dit kort geding wil [eiser] bewerkstelligen dat hem door RWS wordt toegestaan het in deze procedure bedoelde manuscript (althans "de prestaties" in de vorm van teksten geschikt voor een boek over het veranderingsproces bij RWS waarnaar hij contractsonderzoek heeft gedaan) in eigen beheer uit te geven.

4.3. Blijkens art. 5.6 van de Overeenkomst wordt pas aan een dergelijke situatie (uitgave in eigen beheer op verzoek) toegekomen, in geval RWS niet zelf tot publicatie over zou gaan. Pas als dat zich voordoet, kan [eiser] volgens het contract aan RWS om toestemming vragen om tot publicatie in eigen beheer over te mogen gaan. Een toestemming die RWS [eiser] niet op onredelijke gronden mag onthouden, maar waar RWS wel voorwaarden aan mag stellen.

4.4. Dat was aanvankelijk ook de situatie die zich leek voor te doen. Dat is althans hetgeen RWS [eiser] in eerste instantie in november 2008 en voorlopig definitief in maart 2009 voorspiegelde, toen RWS hem schreef: “Desondanks zullen we ons voordeel doen met je rapportage, maar enige verdere vorm van publicatie achten we niet gewenst”. Ook toen RWS [eiser] in april 2009 geen toestemming wilde verlenen voor publicatie in eigen beheer, waar [eiser] om had verzocht, was er nog helemaal geen sprake van publicatie van de kant van RWS zelf, althans niet kenbaar. Vervolgens is er enige tijd overlegd tussen partijen om uit deze impasse te komen. Als deze zaak toen, een half jaar geleden, gespeeld zou hebben, zou tot een ander toetsingskader zijn gekomen, waarbij – marginaal – de redelijkheid van de toestemmingsweigering van RWS zou zijn getoetst. Die toets2 is naar voorlopig oordeel overigens een andere dan de vraag of RWS zelf redelijke gronden3 aanvoerde om het boek in de door [eiser] geschreven vorm niet onder haar eigen RWS-vlag tot publicatie te laten komen. Terecht maakt [eiser] er een punt van dat de door RWS gegeven redenen om niet onder RWS vlag te publiceren dezelfde zijn als om [eiser] geen toestemming te geven voor publicatie in eigen beheer – in de situatie dat nog geen sprake was van eigen publicatie door RWS – en dat dat vraagtekens oproept. Dit alles is thans evenwel niet (meer) aan de orde en valt buiten het toetsingskader van dit kort geding. Dat RWS nu een bewerking van het manuscript van [eiser] gaat publiceren is iets dat naar voorlopig oordeel contractueel is voorzien. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.5. De situatie is inmiddels – volgens RWS op grond van voortschrijdend inzicht – in voor deze zaak relevante mate gewijzigd. RWS gaat, zo blijkt nu, wèl zelf publiceren, aangezien RWS de teksten van [eiser] heeft bewerkt tot een drukklaar boek dat in januari 2010 bij SDU uitgeverij zal verschijnen4. [eiser] kan niet achter dat boek staan (dat hij “gecensureerd” noemt) en weigert zijn medewerking daar aan en wil ook niet dat zijn naam daar aan wordt verbonden. Bij die stand van zaken – RWS publiceert wel (alsnog) zelf – wordt contractueel niet toegekomen aan de situatie uit het tweede deel van art. 5.6 van de Overeenkomst. De reden daarvoor is dat de voorwaarde waaronder door [eiser] kan worden verzocht om toestemming tot het mogen uitgeven in eigen beheer (te weten: RWS publiceert niet zelf), inmiddels niet (meer) blijkt te zijn vervuld.

4.6. Daarbij dient onder ogen te worden gezien dat deze zaak niet gaat over de vrijheid van historisch en/of journalistiek contractsonderzoek in het algemeen, zoals [eiser] ten onrechte en met de nodige nadruk stelt in dit kort geding en in eerdere uitingen aan het adres van RWS. Dat zou in de eerste plaats anders zijn geweest, indien hij geen contract had gesloten met RWS met onder meer een overdracht van auteursrechten en het opgeven van zeggenschapsrechten over de uiteindelijke publicatie, culminerend in een recht voor hem om zich te distantiëren van een eventueel werk met aanpassingen zijdens RWS, die hij niet kan rijmen met zijn journalistieke en wetenschappelijke onafhankelijkheid. De situatie zou inderdaad mogelijk in de tweede plaats ook anders zijn geweest, indien RWS niet alsnog zelf zou hebben besloten om tot publicatie over te gaan. In dat geval zou de redelijkheid van de weigering om tot publicatie in eigen beheer door [eiser] zelf te komen, marginaal moeten worden getoetst. Daarbij zou evenwel een belangrijk gezichtspunt zijn geweest de omstandigheid dat het hier overheidshandelen betreft en dat het algemeen belang dat daarover door vrije pers kritisch moet kunnen worden bericht, in het geding kan komen – ook in een situatie van enerzijds auteursrechtoverdracht, maar anderzijds vervolgens geen publicatie onder eigen vlag door RWS in combinatie met het verzoek dan in eigen beheer tot publicatie door de journalist over te mogen gaan, conform het tweede deel van art. 5.6 van de Overeenkomst. In weerwil van de andersluidende opvatting van RWS, behelst dit laatste daarbij naar voorlopig oordeel een voorwaardelijke licentie aan [eiser]. Noch het een (geen Overeenkomst), noch het ander (RWS publiceert niet zelf en weigert toestemming aan [eiser] dat in eigen beheer te gaan doen) doet zich evenwel (meer) voor.

contractsuitleg

4.7. Deze zaak gaat zodoende over contractsuitleg en de draagwijdte van de daarbij gedane (vergaande) auteursrechtoverdracht door [eiser] aan RWS. In verband daarmee is de vraag of RWS als auteursrechthebbende na overdracht door te weigeren [eiser] toestemming te geven het oorspronkelijke manuscript in eigen beheer uit te geven, misbruik maakt van recht, zoals [eiser] aanvoert.

4.8. Voorop moet worden gesteld dat [eiser] tevoren uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien dat de mogelijkheid zich kon voordoen dat RWS in zijn concepten zou gaan strepen op een manier die hij niet voor zijn verantwoording wenste te nemen. Dat blijkt met zoveel woorden uit de brief van [eiser] van 9 februari 2007 aan D-G [A] van RWS (vgl. 2.4) en uit artt. 5.3 en 5.5 van de Overeenkomst (opgenomen in 2.6). Voor het geval zich die situatie zou voordoen, heeft [eiser] immers tevoren uitdrukkelijk bedongen dat het dan voor hem mogelijk moet zijn om zijn naam niet langer als schrijver aan het te verschijnen boek verbonden te weten, waarmee door RWS is ingestemd. Ook ter zitting van dit kort geding is dat nog eens uitdrukkelijk aan de orde gesteld. [eiser] heeft toen desgevraagd beaamd dat hij dit inderdaad tevoren zo onder ogen heeft gezien. Dat hij dat – zoals hij thans stelt – deed in het (door RWS gewekte) vertrouwen dat hij de vrije hand zou krijgen bij zijn onderzoek naar het veranderproces en men bij RWS uit was op een openhartig en kritisch boek daarover, moge zo zijn, maar blijft voor [eiser]’s eigen verantwoordelijkheid. Dat laat namelijk onverlet dat hij uit vrije wil – heel kort gezegd – heeft ingestemd met “wegcontracteren” van auteurszeggenschap over de uiteindelijk te verschijnen publicatie. Voor het geval een hem niet meer welgevallige tekst zou resteren, waarin was gestreept/aangevuld door RWS op een wijze die hij niet meer voor zijn verantwoording wenste te nemen, heeft hij contractueel genoegen genomen met (slechts) het recht om daar dan niet langer met zijn naam als schrijver bij te worden vermeld.

4.9. [eiser] stelt in dit kort geding dat het nooit zijn bedoeling is geweest met de Overeenkomst om in een situatie als nu aan de orde is te belanden. Een situatie, waarin RWS met een in zijn ogen wat hij noemt “gecensureerd boek” aan de haal gaat en hij buiten spel blijft staan, gebonden aan geheimhouding op straffe van verbeurte van stevige boetes. In deze zaak vordert [eiser] overigens niet dat hij van deze laatste verplichting (deels) wordt ontheven.

4.10. In dit verband is allereerst van belang te constateren dat de Overeenkomst niet buitengerechtelijk is ontbonden door [eiser] wegens beweerdelijke wanprestatie van de kant van RWS. Ook in rechte roept [eiser] thans niet ontbinding in. [eiser] stelt zich juist op het standpunt dat hij conform art. 5.6 van Overeenkomst nu toestemming moet krijgen om in eigen beheer te mogen publiceren. Ook dwaling of andere wilsgebreken zijn in deze zaak niet voldoende als zodanig kenbaar aan de orde gesteld van de kant van [eiser]. Evenmin is de regeling van onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) aan de orde (gesteld) in deze zaak.

4.11. Waar het volgens het zogenoemde Haviltexcriterium5 bij de wel aan de orde zijnde contractsuitleg dan vervolgens om gaat is wat partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten te zijn overeengekomen gebaseerd op elkaars wederzijds kenbare uitingen over en weer. Gegeven 1) de ondubbelzinnige uitingen van [eiser] over overdracht van zijn auteursrechten aan RWS en 2) het expliciet bij RWS laten van de bevoegdheid tot openbaarmaking (artt. 1.4, 5.3 Overeenkomst in verband met artt. 23.1 t/m 23.4 ARVODI, hiervoor opgenomen in 2.6), waarbij hij 3) bovendien heeft geschreven aan RWS dat de teksten na vervaardiging door hem “eigendom” van RWS zouden worden en 4) RWS vervolgens “naar believen met deze teksten (kon) doen wat hij wil en ze in elke gewenste vorm (kon) publiceren” en waarbij 5) [eiser] uitdrukkelijk had bedongen dat voor het geval RWS veranderingen zou aanbrengen die hij niet meer voor zijn (onafhankelijke) verantwoording wenste te nemen, zijn naam niet vermeld zou worden als auteur (vgl. de brief van 9 februari 2007 en art. 5.5 Overeenkomst), kan naar voorlopig oordeel niet gezegd worden dat ook RWS redelijkerwijs daaruit had dienen te begrijpen, dat een situatie waarin partijen nu zijn geraakt, nooit door [eiser] kan zijn gewild. Deze is immers door [eiser] met de nodige voor RWS kenbare nadruk onder ogen gezien en daarvoor is door [eiser] als voorziening getroffen dat hij bij een dergelijk te verschijnen boek uit beeld verdwijnt als auteur. Indien het nooit zijn bedoeling zou zijn geweest om in een dergelijke situatie verzeild te geraken, dan had hij deze overeenkomst niet in de uiteengezette vorm moeten aangaan, waartoe hij de (contracts)vrijheid had. Dat ook is overeengekomen dat hij onafhankelijk onderzoek mocht doen dat in een kritisch boek diende uit te monden, doet daar voorshands onvoldoende steekhoudend aan af.

geen misbruik van auteursrecht

4.12. [eiser] geeft aan het optreden van RWS te zien als misbruik van auteursrecht. Dat wordt gepasseerd. Daargelaten of het optreden van RWS een schoonheidsprijs verdient,6 contractueel heeft [eiser] zich (tevoren en met oog voor eventuele consequenties) uit vrije wil aangemeten, wat hij achteraf als een te strak keurslijf ervaart. Achteraf kan dan niet gezegd worden dat het gebruik maken door RWS van de haar door overdracht toekomende auteursrechten juridisch niet door de beugel kan, indien bedoelde door [eiser] tevoren onder ogen geziene consequenties zich vervolgens ook voordoen in de vorm van hem onwelgevallige aanpassingen van de kant van RWS. Het beroep op journalistieke onderzoeksvrijheid door [eiser] is wat dat betreft juridisch niet adequaat, juist vanwege deze contractuele bepalingen. Een beroep van RWS op haar auteursrecht kwalificeert in dit geval niet als misbruik van recht. Hoe onbevredigend dit qua uitkomst wellicht – afhankelijk van het gezichtspunt – ook wordt gevoeld, pacta sunt servanda. Anders gezegd: Een kritisch onderzoeksjournalist, gepromoveerd historicus en schrijver van naam, die willens en wetens zijn auteurszeggenschap “wegcontracteert”, kan niet bij hem achteraf onwelgevallige uitoefening van die overgedragen zeggenschap door zijn wederpartij met succes aanvoeren dat dat misbruik van recht oplevert in een situatie als deze. Als dat tot gevolg heeft dat kritische noten onder het tapijt worden geveegd, zoals [eiser] stelt7, dan is dat niet meer dan een gevolg van het sluiten van zo’n contract, waar hij ook van af had kunnen zien. Aan de vraag of deze gang van zaken maatschappelijk wenselijk is, nu het onderzoek van [eiser] met publiek geld is gefinancierd, zoals [eiser] aanvoert, wordt bij die contractuele gang van zaken – anders dan [eiser] betoogt – in dit kort geding niet toegekomen.

4.13. Terecht geeft RWS aan dat het [eiser] vrij staat om, zoals in art. 5.6 van de Overeenkomst is bepaald, de door zijn onderzoekswerkzaamheden verkregen gegevens te gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek en dito publicaties, voor zover daarbij privacygevoelige gegevens worden ontzien. Van anders dan zijdens [eiser] bij wege van overeenkomst zelf aanvaarde beperkingen van vrijheid van onderzoek en publicatie is bij deze stand van zaken naar voorlopig oordeel geen sprake.

4.14. Nu RWS (uiteindelijk toch) zelf met een publicatie over de reorganisatie bij RWS komt, is de weigering van RWS om [eiser] toestemming te geven zijn oorspronkelijk manuscript te publiceren ook overigens niet te zien als misbruik van (auteurs)recht. Het belang van RWS dat er niet min of meer tegelijkertijd twee boeken over dit veranderproces verschijnen met een goeddeels overlappende, maar deels ook afwijkende tekst en inhoud – en gelet op de bedongen auteursrechtelijke zeggenschap van RWS en geheimhoudingsverplichting van de kant van [eiser] – is wat dat betreft voorshands voldoende zwaarwegend te achten.

beperking uitingsvrijheid

4.15. Voor zover in het betoog van [eiser] een beroep moet worden gezien op niet toegelaten beperking van de uitingsvrijheid, wordt dit ook niet gehonoreerd. Deze beperking vindt zijn grondslag in onder meer het auteursrecht van RWS als hiervoor overwogen en een overeenkomst tussen partijen waarbij onder meer geheimhouding is bedongen ten aanzien van vertrouwelijke gesprekken (vlg. art. 10(2) EVRM). Deze beperking wordt voorshands niet disproportioneel en disfunctioneel geoordeeld gegeven de contractuele relatie van partijen.

slotsom

4.16. Het vorenoverwogene moet leiden tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].

4.17. Iets anders is dat zich de bepaald ongelukkige omstandigheid heeft voorgedaan dat met volle medewerking van de zijde van RWS al publiekelijk en vergezeld van de nodige publiciteit is aangekondigd dat een boek zou verschijnen over de reorganisatie bij RWS, geschreven door [eiser], bij uitgeverij [uitgeverij] in het najaar van 2008. Terecht geeft [eiser] aan dat nu er geen boek zal verschijnen over meerbedoeld veranderingsproces bij RWS waaraan zijn naam zal zijn verbonden, er gegeven zijn betrokkenheid bij het project en deze aankondiging reputatieschade voor hem dreigt.

4.18. Ter zitting is besproken met partijen hoe dit zou kunnen worden gemitigeerd. Besproken is of RWS bereid zou zijn bij de verschijning van het boek in januari a.s. een in neutrale bewoordingen vervat persbericht uit te doen gaan, waarin wordt aangegeven dat ondanks de aanvankelijke betrokkenheid van [eiser] bij het onderzoek naar en schrijven van het boek, [eiser] zich thans uitdrukkelijk distantieert van het boek zoals dat zijdens RWS naar buiten wordt gebracht. RWS heeft ter zitting haar bereidheid daartoe uitgesproken. Nu geen vordering ter zake – in subsidiair verband – voorligt, zal aan de afwijzing van de vorderingen van [eiser] niet een last met evenbeschreven inhoud (kunnen) worden verbonden. Evenwel wordt RWS met klem in overweging gegeven om met [eiser] in overleg te treden omtrent de wijze waarin RWS deze uitgesproken bereidheid tot het doen uitgaan van een dergelijke mededeling vorm zal geven.

4.19. [eiser] zal als verliezende partij worden verwezen in de proceskosten van RWS. Deze zaak behelst (uitleg van) materie bedoeld in art. 1019 Rv en RWS heeft aanspraak gemaakt op een proceskostenveroordeling in de zin van art. 1019h Rv, evenwel zonder een tijdige verantwoording van deze aanspraak over te leggen. RWS wijst op de Indicatietarieven IE en maakt aanspraak op een vergoeding van € 6.000,-. Deze aanspraak heeft [eiser] niet bestreden, zodat deze tot dat beloop zal worden toegewezen, te vermeerderen met vast recht. Aangezien geen aanspraak is gemaakt op uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een eventuele proceskostenveroordeling ten gunste van RWS, zal deze veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van RWS tot op heden begroot op € 262,- aan verschotten en € 6.000,- aan salaris advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.R.B. van Peursem en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2009 in het bijzijn van de griffier mr. R.P. Soullié.

1 Tenzij anders aangegeven zijn de onderstrepingen in het navolgende telkens door de voorzieningenrechter aangebracht.

2 En de hierna bedoelde toets, die zou overigens ernstig zou zijn bemoeilijkt door de omstandigheid dat partijen niet de (integrale) oorspronkelijk door [eiser] vervaardigde teksten naast die van de (wel overgelegde) bewerking door RWS in het geding hebben gebracht.

3 Wat RWS daarvan bijkens de pleitnota van mr. Boukema (p. 2 onder 1) in ieder geval staande houdt is dat het werk van [eiser] incompleet en onnodig negatief zou zijn en het manuscript privacy van bepaalde ambtenaren zou aantasten, onder meer door schending van in vertrouwen verschafte informatie.

4 In het midden moet blijven dat dit minstgenomen een wonderlijke koerswijziging oplevert van de kant van RWS na de ondubbelzinnige mededeling uit maart 2009 dat niet tot publicatie zou worden overgegaan door RWS en de weigering in april 2009 van RWS om [eiser] desverzocht toestemming te geven tot publicatie in eigen beheer. Dat dit misbruik van auteursrecht door RWS “ten behoeve van censuur” (pleitnota mr. Bekkers onder 6 op p. 5) zou opleveren, wordt voorshands verworpen, zoals hierna wordt overwogen. Daargelaten wordt ook dat men verschillend kan denken over de vraag of RWS niet op gespannen voet komt met in acht te nemen elementaire fatsoensnormen (ter zitting is door mr. Bekkers een kwalificatie in krassere termen gegeven) door [eiser] pas voor het eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van dit kort geding eind november 2009 mee te delen dat er al in januari 2010 een aangepaste uitgave van het boek bij SDU zal verschijnen, zoals [eiser] op zichzelf terecht aankaart. Dat alles kan evenwel gegeven de contractuele constellatie de vordering van [eiser] niet dragen, zoals in het hiernavolgende wordt overwogen.

5 Vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981/635.

6 Het heeft er naar voorlopige indruk op zijn minst de schijn van dat RWS poogt een haar deels onwelgevallig boek van de hand van een kritisch onderzoeksjournalist met wie RWS willens en wetens in zee is gegaan en die is aangemoedigd om openhartig en onafhankelijk te werk te gaan, niet (integraal) te laten verschijnen – ook al ziet RWS dat zelf anders.

7 Maar RWS uitdrukkelijke bestrijdt, wijzend op de mogelijkheid voor [eiser] om tot een zelfstandige wetenschappelijke publicatie over te gaan.

rvp