Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5698

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
08/5235
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de brief die de medebestuurder van belanghebbende op briefpapier van BV 1 aan de ontvanger heeft gezonden, voldoende duidelijk, dat de bestuurders van BV 1 bezwaar hadden tegen de aansprakelijkstelling van de bestuurders, en dat dat gold voor alle aansprakelijkstellingen, dus ook de aansprakelijkstelling als bestuurders van BV 2. In Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat de door de medebestuurder ondertekende brief mede namens hem was ingediend. De rechtbank acht dat aannemelijk nu de brief is gesteld op papier van BV 1, de aanhef gesteld is in de “wij”-vorm en zowel de medebestuurder als belanghebbende bestuurder waren van zowel BV 1 als BV 2. De rechtbank leidt uit de feiten en omstandigheden af dat er tussen BV 2 en de ontvanger overleg is geweest over de openstaande belastingschulden van BV 2. De ontvanger had het overleg moeten aanmerken als een melding van betalingsonmacht voor BV 2 of BV 2 er op moeten wijzen dat zij een schriftelijke melding van betalingsonmacht moest doen. De ontvanger heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet betalen van de belastingschulden van de BV het gevolg is van aan belanghebbende te wijten onbehoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-5656

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE, nevenzittingsplaats BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/5235

Uitspraakdatum: 6 november 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaatsnaam],

eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Goes,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder ontvanger.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de ontvanger op de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 (Inv.) van 8 december 2006 (beschikkingnummer: [nummer 1]) en van 16 augustus 2007 (beschikkingnummer: [nummer 2]).

Zitting

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009 te Bergen op Zoom. De zaken met procedurenummers AWB 08/5232 tot en met 08/5234 zij daarbij gezamenlijk behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [naam], en de mede-aansprakelijkgestelde [naam mede-aansprakelijkgestelde], alsmede namens de ontvanger, [namen].

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2009 te Bergen op Zoom. De zaken met procedurenummers AWB 08/5232 tot en met 08/5234 zijn daarbij wederom gezamenlijk behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [naam], en de mede-aansprakelijkgestelde [naam mede-aansprakelijkgestelde], alsmede namens de ontvanger, [namen].

Van het verhandelde ter zitting zijn processen-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van de zitting van 17 maart 2009 is bij brief van 20 maart 2009 aan partijen toegezonden. Het proces-verbaal van de zitting van 23 oktober 2009 is bij dit proces-verbaal gevoegd.

De ontvanger heeft bij brief van 16 april 2009 informatie aan de rechtbank gezonden met betrekking tot de aansprakelijkstelling van andere personen dan belanghebbende en [naam mede-aansprakelijkgestelde]. Belanghebbende heeft er ter zitting van 17 maart 2009 mee ingestemd dat deze brief niet aan belanghebbende zou worden overgelegd en dat alleen de rechtbank de daarin vermelde informatie zou beoordelen.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-vernietigt de beschikkingen;

-veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 634;

-gelast dat de ontvanger het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende was in 2005, 2006 en 2007, al dan niet via de vennootschap [X] BV, bestuurder van [Y] BV (hierna: [Y]). [Y] was bestuurder van [Z] BV (hierna: [Z]). [Y] en [Z] zijn op respectievelijk 2 oktober 2007 en 4 oktober 2007 in staat van faillissement verklaard.

2.2.Bij beschikking van 8 december 2006 (beschikkingnummer: [nummer 1]) heeft de ontvanger belanghebbende op grond van artikel 36 Inv. aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven loonheffing van [Y] over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2006. Het bedrag van de aansprakelijkstelling is € 182.887

2.3.Bij beschikking van 16 augustus 2007 2006 (beschikkingnummer: [nummer 2]) heeft de ontvanger belanghebbende op grond van artikel 36 Inv. aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven loonheffing van [Y] over het tijdvak 1 juli 2006 tot en met 31 december 2006. Het bedrag van deze aansprakelijkstelling is € 146.837.

2.4.In geschil tussen partijen is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is het bezwaar tegen de beschikking aansprakelijkstelling van 8 december 2006 ([nummer 1]) terecht niet-ontvankelijk verklaard?

2. Is de betalingsonmacht tijdig gemeld?

3. Indien voormelde vraag ontkennend dient te worden beantwoord: is belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld?

4. Is de aansprakelijkstelling in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

Belanghebbende is van mening dat de eerste en derde vraag ontkennend dienen te worden beantwoord en de tweede en vierde bevestigend. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Ontvankelijkheid bezwaar (beschikking [nummer 1])

2.5.1.De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van de beschikking aansprakelijkstelling, tenzij die dag is gelegen vóór de dag van bekendmaking van de beschikking (artikel 22j van de AWR). Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, eerste lid van de Awb).

2.5.2.De beschikking is gedagtekend 8 december 2006. Gesteld noch gebleken is dat de beschikking na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 19 januari 2007.

2.5.3.De ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet eerder dan bij brief van 18 september 2007 bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikking. Om die reden is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om bewijs aan te dragen voor de stelling dat hij binnen de bezwaartermijn op enigerlei wijze kenbaar heeft gemaakt zich niet te kunnen verenigen met de beschikking aansprakelijkstelling van 8 december 2006. Na schorsing van het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende bij brief van 16 april 2009 de rechtbank hierover geïnformeerd. Als bijlagen bij genoemde brief van 16 april 2009 brief heeft belanghebbende een drietal brieven gevoegd.

2.5.4. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de brief die de medebestuurder van belanghebbende, [naam mede-aansprakelijkgestelde], naar de rechtbank begrijpt op briefpapier van [Z], op 12 januari 2007 aan de ontvanger heeft gezonden, en in het bijzonder uit de zinsnede: “Mocht u evenwel overgaan tot het instellen van bestuurdersaansprakelijkheid dan acht ondergetekende ook belangrijke externe factoren van belang die mijns inziens de rechtmatigheid van bestuurdersaansprakelijkheid sterk beïnvloeden” voldoende duidelijk, dat de bestuurders van [Z] bezwaar hadden tegen de aansprakelijkstelling van de bestuurders, en dat dat gold voor alle aansprakelijkstellingen, dus ook de aansprakelijkstelling als bestuurders van [Y]. In de aanhef van de brief wordt immers heel algemeen verwezen naar een ontvangen poststuk in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid. De brief kan dan worden beschouwd als bezwaar tegen elke vorm van bestuurdersaansprakelijkheid. Weliswaar refereerde [naam mede-aansprakelijkgestelde] in deze brief, die in de wij-vorm is geschreven, aan een mogelijk vast te stellen bestuurdersaansprakelijkheid, maar de ontvanger, die wetenschap had van het feit dat belanghebbende inmiddels aansprakelijk was gesteld, kon uit deze brief duidelijk afleiden dat de groep aansprakelijkgestelden waartoe belanghebbende behoorde zich met die aansprakelijkstelling niet kon verenigen. Het gegeven dat [naam mede-aansprakelijkgestelde], gelet op de inhoud van de brief, zich klaarblijkelijk nog niet bewust was van het definitieve karakter van de inmiddels opgelegde beschikking aansprakelijkstelling doet aan de intentie van de brief - het maken van bezwaar - niet af. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat de door [naam mede-aansprakelijkgestelde] ondertekende brief mede namens hem was ingediend. De rechtbank acht zulks ook aannemelijk nu de brief is gesteld op papier van [Z], de aanhef gesteld is in de “wij”-vorm en zowel de heer [naam mede-aansprakelijkgestelde] als belanghebbende bestuurder waren van zowel [Y] als [Z].

2.5.5.Nu tussen partijen niet in geschil is dat de brief van 12 januari 2007 op of rondom deze datum bij de ontvanger is binnengekomen, is het bezwaarschrift tijdig ingediend. Het voorgaande brengt met zich mee dat het bezwaar door de ontvanger ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Partijen hebben aangedrongen op een inhoudelijke behandeling van het onderhavige geschil. Gelet hierop zal de rechtbank de zaak op dit punt niet terugwijzen naar de ontvanger, maar zelf in de zaak voorzien.

De melding

2.6.1.Vaststaat dat op 19 oktober 2005 onder verwijzing naar fiscaal nummer [nummer 3] schriftelijk melding is gemaakt bij de ontvanger van betalingsachterstanden met betrekking tot af te dragen loonheffing en te betalen naheffingsaanslagen over het jaar 2005 en verzocht is om uitstel van betaling. Fiscaal nummer [nummer 3] is, naar uit de stukken blijkt, het fiscaal nummer van [Z]. Zowel in het briefhoofd als in de ondertekening staat alleen [Z] vermeld. Nu in de brief geen melding wordt gemaakt van (betalingsachterstanden van) [Y], kan de brief niet als tijdige melding van de betalingsonmacht van [Y] worden aangemerkt.

2.6.2.Vaststaat ook dat de ontvanger naar aanleiding van deze brief en telefonisch contact met belanghebbende, op 9 november 2005 aan belanghebbende een overzicht heeft verstrekt van de openstaande belastingschulden van zowel [Z] (fiscaal nummer [nummer 3]) als van [Y] (fiscaal nummer [nummer 4]), dat op dat moment ten name van [Y] een naheffingsaanslag loonbelasting openstond van € 70.829 plus € 4.765 kosten en dat die aanslag op 2 maart 2006 nog steeds openstond, met hetzelfde bedrag aan kosten (bijlagen 5 en 6 bij de nadere stukken van 6 maart 2009). De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, af dat er tussen [Y] en de ontvanger op of rond 9 november 2005 overleg is geweest over de openstaande belastingschulden van [Y] en dat daarvoor toen uitstel van betaling is verleend, althans de ontvanger de invordering daarvan in elk geval tijdelijk heeft opgeschort. Naar het oordeel van de rechtbank had de ontvanger het overleg terzake moeten aanmerken als een melding van betalingsonmacht voor [Y] of [Y] er op moeten wijzen dat zij een schriftelijke melding van betalingsonmacht moest doen. De ontvanger heeft dat blijkbaar niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank mag belanghebbende daarvan niet de dupe worden. De rechtbank gaat er van uit dat in november 2005 voldoende informatie over de betalingsonmacht van [Y] aan de ontvanger is verstrekt om te kunnen spreken van een melding als bedoeld in artikel 36 Inv.

2.6.3. De ontvanger heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat [Y] eind 2005 geen achterstand meer had voor wat betreft de betaling van de loonheffing en dat daarmee de melding betalingsonmacht van november 2005, zo daarvan al sprake was, niet langer meer geldig was. Uit een door de ontvanger op 9 mei 2006 opgesteld overzicht van nog openstaande belastingschulden (bijlage bij de brief van belanghebbende van 16 april 2009) blijkt echter dat de onder 2.6.2. vermelde schuld in 2006 nog steeds openstond. In antwoord op vragen van de rechtbank dienaangaande, heeft de ontvanger tijdens de nadere mondelinge behandeling bevestigd dat [Y] nimmer haar betalingsachterstanden uit 2005 heeft ingelopen. Gelet hierop was [Y] niet verplicht opnieuw een melding betalingsonmacht te doen. Dit zou slechts anders zijn indien de ontvanger na ontvangst van een betaling, schriftelijk had laten weten de betalingsonmacht niet langer aanwezig te achten (Hoge Raad 16 maart 2007, nr. C05/220HR, V-N 2007/17.32). Gesteld noch gebleken is dat de ontvanger een dergelijke kennisgeving aan [Y] heeft gestuurd.

2.6.4.Het voorgaande betekent dat de melding van november 2005 haar gelding heeft behouden en dat daarmee de betalingsonmacht van [Y] tijdig is gemeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat belanghebbende in de brief van 30 juli 2007 zodanig weigerachtig is geweest om nadere informatie te verstrekken, dat daardoor de melding ongeldig is geworden. De ontvanger, die reeds derdenbeslagen had gelegd bij debiteuren van belanghebbende, was immers al vergaand op de hoogte van de financiële situatie van [Y]. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende was gewezen op de mogelijke gevolgen die het niet geven van nadere informatie zou kunnen hebben voor de melding uit november 2005. De ontvanger ging er immers vanuit dat geen melding was gedaan.

2.6.5.Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de melding van november 2005 haar gelding heeft behouden en dat daarmee de betalingsonmacht van [Y] tijdig is gemeld. Derhalve dient de ontvanger aannemelijk te maken dat het niet betalen van de belastingschulden het gevolg is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de melding.

Onbehoorlijk bestuur

2.7.1.De ontvanger stelt - kort samengevat - dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur door belanghebbende in de zin van artikel 36, derde lid, van de Inv., op grond van de volgende omstandigheden:

a. De administratie van [Y] vertoont gebreken, waardoor geen accountantsverklaring kon worden verkregen.

b. Meerdere partijen hebben vraagtekens gezet bij de juistheid en betrouwbaarheid van de administratie.

c. Vorderingen werden dubbel verpand.

d. De belangen van de Belastingdienst werden geschaad, doordat ontvangen gelden werden aangewend voor betalingen aan lease-maatschappijen.

e. Diverse malen is geld ontrokken ten behoeve van de persoonlijke holding van belanghebbende.

f. De aangiften omzetbelasting waren onjuist.

2.7.2.Ter zitting heeft belanghebbende de hiervoor onder a., b., d., e. en f. genoemde punten gemotiveerd weersproken. Ten aanzien van punt c. heeft belanghebbende nog verklaard dat in het normale zakelijk verkeer niet ongebruikelijk is dat vorderingen dubbel worden verpand en dat dit geenszins een aanwijzing oplevert dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

2.7.3.Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ontvanger, tegenover de gemotiveerde weerspreking door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat het niet betalen van de belastingschulden van [Y] het gevolg is van aan belanghebbende te wijten onbehoorlijk bestuur in de periode van 3 jaren voor de melding. De stellingen van de ontvanger zijn niet onderbouwd met enig bewijs, laat staan met onderliggende stukken, en volstrekt onduidelijk is of en zoja, wanneer de door de ontvanger gewraakte feiten en handelingen zich zouden hebben voorgedaan.

Conclusie

2.8.Gelet op het onder 2.5.1. tot en met 2.7.3 overwogene is het gelijk aan belanghebbende en is belanghebbende niet aansprakelijk voor de belastingschulden van [Y]. De in geding zijnde beschikkingen aansprakelijkstellingen moeten worden vernietigd. Het beroep is derhalve gegrond verklaard. De overige stellingen van belanghebbende behoeven geen behandeling meer.

Proceskosten

2.9.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank beschouwt de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers AWB 08/5232 tot en met 08/5235 als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2535,75 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van nadere stukken en 0,5 punt voor de nadere zitting met een waarde per punt van € 322, met toepassing van een factor 1,5 wegens meer dan drie samenhangende zaken en een wegingsfactor 1,5 wegens het belang van de zaak). Nu van de samenhangende zaken in alle zaken het beroep gegrond is, wordt aan de onderhavige zaak 1/4 deel daarvan toegerekend of € 634.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en door deze en mr. M. Jansen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 20 november 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.