Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5692

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
297761 - HA ZA 07-3371
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De zaak draait om het rapport dat is opgesteld door gedaagde 1- waarbij prof. dr. mr. Y. Buruma (hoogleraar Radboud Universiteit Nijmegen) hem als extern deskundige heeft bijgestaan - ter evaluatie van het optreden van politie en justitie in de Schiedamse parkmoord. In dat rapport komt ook aan de orde de rol van eiser bij de studioverhoren van het slachtoffer, waarover gedaagde 1 in het rapport heeft vermeld dat het onbegrijpelijk is dat eiser niet heeft ingegrepen in de onfatsoenlijke studioverhoren van slachtoffer. Bij de presentatie van het rapport heeft gedaagde 1 meegedeeld dat hij het niet ingrijpen door de deskundige (= eiser) verbijsterend vindt. De Minister van Justitie heeft destijds in de Tweede Kamer en vaste kamercommissie onder meer meegedeeld dat eiser alleen nog maar met grote terughoudendheid door justitie als deskundige wordt ingezet en dat wordt ontraden om van de diensten van eiser gebruik wordt gemaakt.

In de onderhavige procedure vordert eiser schadevergoeding van de Staat en gedaagde 1 wegens (onder meer) onrechtmatig handelen omdat het rapport onjuiste, ondeskundige en diffamerende passages bevat en gedaagde 1, prof. mr. Y. Buruma en de Minister van Justitie zich diffamerend hebben uitgelaten in de media over zijn optreden in het onderzoek naar de Schiedamse parkmoord. Ten aanzien van zijn vordering jegens gedaagde 1 is eiser niet ontvankelijk verklaard. De vorderingen tegen de Staat zijn afgewezen. De rechtbank acht de passages in het rapport en de uitlatingen van gedaagde 1 daarover in de media niet onrechtmatig en de Staat op grond van artikel 71 Grondwet niet aansprakelijk voor de uitlatingen van de Minister van Justitie die in de Tweede Kamer of vaste kamercommissie zijn gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2010, 29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK 's-Gravenhage

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 297761 / HA ZA 07-3371

Vonnis van 4 november 2009

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

1. [gedaagde 1]

wonende te [woonplaats],

2. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagden,

advocaat: mr. F.W. Bleichrodt.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 oktober 2007, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek, met producties;

- de akte uitlating producties, met producties;

- de akte uitlating producties aan de zijde van [gedaagde 1] en de Staat.

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 22 juni 2000 werd in het Beatrixpark in Schiedam een tienjarig meisje "[slachtoffer 1]" door wurging om het leven gebracht. De dader heeft de daarbij aanwezige elfjarige jongen "[slachtoffer 2]" met een mes gestoken en getracht te wurgen. [slachtoffer 2] overleefde deze poging. Na zich enige tijd voor dood te hebben gehouden en nadat de dader vertrokken was is [slachtoffer 2] uit de bosjes gelopen, naakt en met een schoen om zijn nek gebonden. [slachtoffer 2] riep vervolgens een voorbij fietsende man, naar later bleek Kees B., die 112 belde. Deze gebeurtenissen staan bekend als de Schiedamse parkmoord.

2.2. Naar aanleiding van deze feiten is een groot opsporingsonderzoek gestart door justitie. Op de dagen na 22 juni 2000 is [slachtoffer 2] door de politie te Schiedam gehoord over hetgeen zich in het park heeft afgespeeld.

2.3. [eiser] is orthopedagoog en tevens gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut en als hoogleraar forensische kinder- en jeugdpsychologie verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Sinds 1974 verricht [eiser] regelmatig werkzaamheden als deskundige in opdracht van onder meer politie en justitie. Op 30 juni 2000 is [eiser], als deskundige, betrokken bij het onderzoek naar de feiten in het Beatrixpark doordat de zaaksofficier van justitie hem uitnodigde bij een overleg op 3 juli 2000 tussen de zaaksofficier van justitie en leden van het onderzoeksteam.

2.4. Onder meer op 4 juli, 7 juli en 12 juli 2000 is [slachtoffer 2] verhoord in een kindvriendelijke verhoorstudio (studioverhoren). [eiser] heeft deze verhoren vanuit de regiekamer bijgewoond. In het studioverhoor van 7 juli 2000 is door één van de verhoorders met [slachtoffer 2] de poging tot verwurging door de dader nagespeeld.

2.5. Op 5 september 2000 is Kees B. aangehouden, die op 9 en 10 september 2000 verklaringen heeft afgelegd waarin hij de feiten in het Beatrixpark bekende. Na 11 september 2000 is Kees B. op die verklaringen teruggekomen en heeft hij zijn betrokkenheid bij die feiten steeds ontkend. De rechtbank in Rotterdam en later het gerechtshof in Den Haag hebben Kees B. op 29 mei 2001 respectievelijk 8 maart 2002 veroordeeld voor de feiten in het Beatrixpark. De bekentenissen op 9 en 10 september 2000 wogen daarbij zwaar. Het cassatieberoep van Kees B is verworpen en het door hem ingediend herzieningsverzoek is op 7 september 2004 afgewezen.

2.6. Naar aanleiding van de in augustus 2004 afgelegde verklaring van een andere man, Wik H., over zijn betrokkenheid bij de feiten in het Beatrixpark, is opnieuw een onderzoek gestart door politie en justitie. Naar aanleiding van het in dat onderzoek tegen Wik H. gevonden bewijsmateriaal is op 25 januari 2005 het herzieningsverzoek met betrekking tot het proces van Kees B. gegrond verklaard, is de zaak naar het gerechtshof Amsterdam terugverwezen en is de executie van de hem opgelegde straf geschorst. Bij vonnis van 27 april 2005 is Wik H. voor de feiten in het Beatrixpark onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar en TBS met dwangverpleging. In de zaak tegen Kees B. heeft het gerechtshof Amsterdam het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging.

2.7. Door de bekentenis van Wik H. in augustus 2004, de toen gerezen sterke vermoedens dat Kees B. ten onrechte was veroordeeld en de daardoor ontstane maatschappelijke onrust, ontstonden vragen en bezorgdheid over het functioneren van politie en justitie. Het College van procureurs-generaal (het College PG) heeft daarin aanleiding gezien de Schiedamse parkmoordzaak te evalueren en heeft daartoe op 28 december 2004 aan [gedaagde 1] opdracht gegeven. [gedaagde 1] is advocaat-generaal bij het ressortsparket bij het gerechtshof Amsterdam.

2.8. Het doel van het onderzoek was om vast te stellen hoe het proces van waarheidsvinding is verlopen om daaruit lering te trekken ter verhoging van de kwaliteit van de opsporing en vervolging. [gedaagde 1] heeft zich bij dit onderzoek laten bijstaan door prof. Mr. Y. Buruma (Buruma) hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, A.P. de Vries, voormalig plaatsvervangend korpschef van de politieregio Gelderland-Midden en door een team politieambtenaren.

2.9. [gedaagde 1] heeft het evaluatierapport (het rapport) op 13 september 2005 gepresenteerd en aangeboden aan het College PG. Het rapport, waarin [eiser] als deskundige 2 is aangeduid, bevat onder meer de volgende passages:

6. [slachtoffer 2]

p. 78

6.1.3 Deskundigen

(..)

[slachtoffer 2] werd in de eerste dagen van het onderzoek gezien als 100% slachtoffer. Al snel echter ontstond bij het onderzoeksteam en de officieren van justitie twijfel over de betrouwbaarheid van [slachtoffer 2]'s verklaringen en over de rol die hij mogelijk had gespeeld bij wat er in het Beatrixpark gebeurd was. Bij een aantal punten in de verklaringen van [slachtoffer 2] vroegen zij zich af of het wel gegaan kon zijn zoals hij verteld had. (..)

(..)

Medio juli 2000 heeft deskundige 1 gekeken naar de videobanden die waren gemaakt van de drie studioverhoren van [slachtoffer 2] op 4, 7 en 12 juli 2000. Kort daarna heeft er een gesprek plaatsgevonden met (een deel van) de teamleiding en de zaaksofficier. Deskundige 1 was vanaf het begin al van oordeel dat het onwaarschijnlijk was dat [slachtoffer 2] een strafbare betrokkenheid had bij de feiten. Na het bekijken van de banden van de studioverhoren - over de wijze waarop [slachtoffer 2] was verhoord was hij zeer negatief - was hij van oordeel dat er geen reden was te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaringen van [slachtoffer 2].

(..)

Deskundige 2 heeft verklaard dat hij bij het onderzoek is gehaald om de studioverhoren van [slachtoffer 2] te begeleiden, wat betekende dat hij de verhoren in de gaten moest houden om te beoordelen of [slachtoffer 2] slachtoffer of dader was. Hij zegt dat hij met het oog op het welzijn van [slachtoffer 2] is ingeroepen en dat zijn rol niet op de strafzaak was gericht.

p. 86:

6.2.3. Verantwoording in procesdossier van contacten met en werkzaamheden van deskundigen

De rol van deskundige 2 in het onderzoek was groot. Hij heeft in het begin met zijn mening dat [slachtoffer 2] een groot geheim had, het onderzoek in een bepaalde richting gestuurd. Hij was door de drie studioverhoren bij te wonen en daarvan verslag te doen en door het persoonlijkheidsonderzoek nadrukkelijk aanwezig. (..)

6.2.4 De rol van deskundige 2 in het opsporingsonderzoek

Deskundige 2 werd door de politie en de officieren van justitie beschouwd als zeer deskundig op het gebied van kinderen. Hij verrichtte veel werkzaamheden voor politie en justitie in Rotterdam. Eén van de dingen die hij deed, was het beoordelen van studioverhoren in zedenzaken. Zijn mening over [slachtoffer 2] (kloppend maken van zijn verklaringen, groot geheim) overtuigde de officieren van justitie en het onderzoeksteam dat hun twijfels over [slachtoffer 2] niet vreemd waren. De plv. l.o. heeft gezegd dat deskundige 2 een sturende rol had in het begin van het onderzoek; hij was immers de specialist op dit gebied.

Daarnaast was de mening van deskundige 2 de reden en de rechtvaardiging om [slachtoffer 2] bij herhaling stevig aan te pakken.

Bij sommigen die betrokken waren of aanwezig waren bij de studioverhoren bestond twijfel over de wijze van verhoren van [slachtoffer 2], maar zij wisten dat deskundige 2 in de regieruimte zat en meekeek, en zij dachten dat als hij er niets van zei, het dus kon. De aanwezigheid van deskundige 2 in de regieruimte was de rechtvaardiging voor het confronterende optreden. De teamleiding en de officieren van justitie zagen in de aanwezigheid van deskundige 2 bij de studioverhoren een garantie dat de verhoren binnen de grenzen van het toelaatbare zouden blijven.

Door de mening van deskundige 2 en door zijn aanwezigheid bij de studioverhoren, hebben de officieren van justitie en de politiemensen die betrokken waren bij de studioverhoren hun eigen verantwoordelijkheid voor een correct verlopend verhoor van [slachtoffer 2] als het ware opgegeven.

(..)

Op twee momenten is aan deskundige 2 om medewerking bij het onderzoek verzocht. In de eerste plaats is hij op 30 juni 2000 op verzoek van de zaaksofficier bij het onderzoek betrokken. Na een gesprek met teamleiding en zaaksofficier op 3 juli 2000 heeft hij op 4, 7 en 12 juli in de regieruimte de studioverhoren bijgewoond. De meningen van deskundige 2 en de zaakofficier over de taak van deskundige 2 bij de studioverhoren komen niet geheel en al overeen. Deskundige 2 heeft verklaard dat hij bij het onderzoek is gehaald om de studioverhoren van [slachtoffer 2] te begeleiden, wat betekende dat hij de verhoren in de gaten moest houden om te beoordelen of [slachtoffer 2] slachtoffer of dader was. De zaaksofficier heeft gezegd dat deskundige 2 bij het onderzoek is gehaald om te letten op de belangen van [slachtoffer 2] tijdens de verhoren en om advies te krijgen over de wijze van verhoor van [slachtoffer 2], waarbij ook de mogelijkheid van [slachtoffer 2] als verdachte moest worden onderzocht.

(..)

6.2.5 Studioverhoren

(p. 89)

De studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 zijn harde verhoren. Deskundige 2, die de verhoren heeft bijgewoond, heeft zelf gezegd dat hij nooit eerder een studioverhoor had gezien dat zo hard was. Hij vond het verhoor echter voor [slachtoffer 2] niet onverantwoord.

[slachtoffer 2] is in deze twee verhoren herhaaldelijk geconfronteerd met twijfel en ongeloof van de kant van verhoorders 1 en 3 over dingen die hij in eerdere verhoren had gezegd. [slachtoffer 2] is door verhoorders 1 en 3 niet zozeer geconfronteerd met feiten op grond waarvan moest worden geconcludeerd dat wat hij had gezegd niet klopte, maar met veronderstellingen en verwachtingspatronen van de verhoorders.

Ook is [slachtoffer 2] door de verhoorders 1 en 3 een schuldgevoel aangepraat met vragen en verwijten over waarom hij [slachtoffer 1] niet heeft geholpen.

Door een aantal verhoortechnieken was de druk in de studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 op [slachtoffer 2] hoog.

Dat kwam onder meer door:

- de opstelling van twee volwassen verhoorders recht tegenover [slachtoffer 2];

- het gaan staan van een van de verhoorders tegenover een zittende [slachtoffer 2];

- het instellen van langdurige stiltes tijdens de verhoren;

- het gebruik maken van de techniek van good cop - bad cop, wat voor een kind van 11verwarrend is;

- het inspelen op het schuldgevoel van [slachtoffer 2] door hem te verwijten dat hij [slachtoffer 1] niet heeft geholpen;

- het naspelen van de verwurging.

De wijze van verhoor op 7 en 12 juli 2000 was niet afgestemd op het (ontwikkelings)niveau van een kind van 11. Hij is als een volwassene verhoord. Zelfs als [slachtoffer 2] formeel was aangemerkt als verdachte zouden de verhoortechnieken dubieus zijn geweest bij een kind van 11. (..)

12. HOOFDCONCLUSIES

(p. 169)

Van slachtoffer naar verdachte naar niet serieus genomen kroongetuige

Al zeer snel na het misdrijf is de mogelijkheid dat het tweede slachtoffer, [slachtoffer 2], strafbare betrokkenheid had bij de feiten in het Beatrixpark nadrukkelijk onder ogen gezien. In het kader van dit onderzoek hebben op 7 en 12 juli 2000 jegens [slachtoffer 2] onfatsoenlijke verhoren plaatsgevonden. Het is onbegrijpelijk dat de deskundige die het verhoor kon volgen, beweerdelijk om voor de belangen van de jongen op te komen, niet heeft ingegrepen. Hoewel die harde verhoren niets hadden opgeleverd, is ten aanzien van [slachtoffer 2] nog doorgerechercheerd tot in augustus 2000, toen eigenlijk al wel duidelijk was dat hij het niet had gedaan. [slachtoffer 2] is slachtoffer van een afschuwelijk misdrijf. Ik hoop dat hij door dit onderzoek niet secundair is gevictimiseerd. (..)

2.10. Kort na de presentatie van het rapport is publiekelijk bekend geworden dat met deskundige 2 in het rapport [eiser] werd bedoeld. In de media en de politiek is vervolgens veel aandacht geweest voor de rol van [eiser] bij de studioverhoren van [slachtoffer 2].

2.11. In het debat in de Tweede Kamer op 15 september 2005 naar aanleiding van het rapport heeft de Minister, voor zover relevant, het volgende verklaard: "De wijze waarop de jongen is behandeld en verhoord, onder toezicht en met de medewerking van een kinderpsycholoog, en ook onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie voor de richting van het verhoor, vind ik schokkend om te lezen. Dat hoort niet. Zo voeden wij geen oprechte mensen op..... Er is door de betrokkenen onprofessioneel gehandeld. In sommige gevallen, zoals bij het verhoor, onbehoorlijk. Er is niet wederrechtelijk gehandeld...Het tweede punt is de wijze waarop de jongen is verhoord. Ik heb aangegeven dat het ongepast is. Het is ongepast dat een elfjarige na de traumatische ervaringen die hij al doorgemaakt heeft, onvoldoende wordt geloofd en vervolgens ook nog op een goed moment behandeld wordt als potentieel betrokkene bij de zaak....."

2.12. De Minister heeft vervolgens tijdens het algemeen overleg van de Vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken en Justitie op 12 april 2006 op vragen over het inschakelen van [eiser] als deskundige geantwoord dat "hij alleen nog met grote terughoudendheid als deskundige wordt ingeschakeld".

Tijdens een debat in de Tweede Kamer op 19 april 2006 heeft de Minister hieraan nog het volgende toegevoegd: " Het antwoord dat ik met betrekking tot de heer [eiser] heb gegeven betrof het inzetten van hem als deskundige bij verhoren. Dat is wat anders dan bij een Erkenningscommissie over het mogelijke effect van bepaalde programma's. We moeten ervoor waken om hier over personen te gaan oordelen. De ene zaak betekent niet, dat de deskundigheid van de heer [eiser] niet kan worden ingezet, niet door justitie. Dat laat onverlet dat het antwoord dat ik tijdens het algemene overleg heb gegeven, overeind blijft. Voor deze specifieke functie wordt ontraden om van zijn diensten gebruik te maken. (..)"

2.13. Op verzoek van [eiser] heeft het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen (NVO) bij het College van Toezicht van de NVO (CvT) een klacht tegen [eiser] ingediend. Het CvT heeft op 16 oktober 2006 uitspraak gedaan. Het heeft de klacht ten aanzien van de vraag of [eiser] zich tijdens de verhoren van [slachtoffer 2], in het bijzonder tijdens het verhoor op 7 juli 2000 waarbij de verwurging van [slachtoffer 1] werd nagespeeld, van zijn taak heeft gekweten op een wijze die voldoende recht doet aan hetgeen is opgenomen in de beroepscode ter zake van professioneel handelen, ongegrond verklaard en daartoe overwogen: "De pedagoog is niet verantwoordelijk voor de verhoormethode, heeft niet de bevoegdheid om in te grijpen. Denkbaar is dat de pedagoog tussen twee verhoren in observaties over de impact van de verhoren op de minderjarigen rapporteert aan justitie, maar ook daarmee wordt het niet de verantwoordelijkheid van de pedagoog om de aard en richting van het verhoor te beïnvloeden. Politie en justitie zijn verantwoordelijk van de inrichting van het verhoor. Het is hun vak en hun bevoegdheid en zij kunnen erop worden aangesproken.(..)"

2.14. In een artikel in NRC Handelsblad van 13 september 2005 naar aanleiding van de presentatie van het rapport door [gedaagde 1] is het volgende bericht: "(..) [gedaagde 1] noemt de manier waarop [slachtoffer 2] wekenlang is verhoor "onbehoorlijk" en "onbegrijpelijk". Een van de twee adviseurs van [gedaagde 1] is hoogleraar strafrecht Ybo Buruma (..) Hij heeft de videobanden van de verhoren "met een brok in zijn keel" bekeken. "Een agent ging op zijn rug zitten en greep hem bij zijn keel. Dat heb ik zelfs bij een volwassen verdachte nog nooit gezien." De psycholoog die aanwezig was bij de verhoren om de belangen van [slachtoffer 2] te bewaken, heeft geen enkele keer ingegrepen. [gedaagde 1] noemt dat "verbijsterend". (..)"

2.15. In een artikel in NRC Handelsblad van 28 oktober 2006 is een gesprek met Buruma als volgt weergegeven: "(..) Misselijkmakend, vond hoogleraar strafrecht Buruma de videobanden van de verhoren van de toen elfjarige [slachtoffer 2] .. Buruma erkent dat het oordeel in het rapport over [eiser] is gegeven door nitwits op psychologiegebied en hij sluit niet uit dat zijn emoties na het zien van de banden een rol speelden bij de beoordeling van [eiser] optreden.... Buruma is het eens met het oordeel dat in het algemeen de deskundige niet de plicht heeft in te grijpen in een verhoor. (..)"

2.16. Bij brief van 6 december 2006 heeft [eiser] de Minister verzocht publiekelijk afstand te nemen van de hiervoor onder 2.11. en 2.12. vermelde uitlatingen en zich uit te spreken over verdere inzet van [eiser] in forensische aangelegenheden. Daarop heeft de Minister bij brief van 29 maart 2007 geantwoord dat hij geen aanleiding zag om publiekelijk afstand te nemen van de uitlatingen van zijn ambtsvoorganger, dat de publieke discussie over [eiser] betrokkenheid bij de verhoren van [slachtoffer 2] een niet te vermijden gevolg was van het optreden als deskundige in zaken als deze en dat de Staat, voor zover al sprake was van schade bij [eiser], daarvoor niet aansprakelijk is. [eiser] heeft de Staat vervolgens bij brief van 28 juni 2007 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het rapport en de daarop gevolgde uitlatingen van [gedaagde 1]. De Staat heeft iedere aansprakelijkheid afgewezen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. een verklaring voor recht dat de Staat toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de opdrachtovereenkomst;

2. een verklaring voor recht dat de Staat en [gedaagde 1] onrechtmatig hebben gehandeld;

3. de Staat en [gedaagde 1] te veroordelen tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden op grond van de inhoud van het rapport en de daarop volgende publieke uitlatingen van [gedaagde 1] en Buruma, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met wettelijke rente;

3.2. [eiser] voert ter onderbouwing van zijn vorderingen aan dat het rapport onjuiste, ondeskundige en diffamerende uitlatingen bevat over zijn optreden in het onderzoek naar de Schiedamse parkmoord. [gedaagde 1] is op grond van onrechtmatige daad in persoon aansprakelijk voor de schade die [eiser] lijdt en nog zal lijden ten gevolge van die uitlatingen in het rapport en ten gevolge van zijn latere uitlatingen te dier zake in de media. De Staat is daarnaast op grond van artikel 6:170 BW danwel 6:171 BW aansprakelijk voor de schade ten gevolge van de uitlatingen in het rapport als die ten gevolge van de uitlatingen van zowel [gedaagde 1] als medeopsteller Buruma in de media. De Staat is voorts aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad voor de diffamerende uitlatingen van de Ministerie van Justitie over hem in de Tweede Kamer en een vaste kamercommissie.

[eiser] grondt zijn vorderingen jegens de Staat tevens op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door de Staat van diens verplichting als opdrachtgever. [eiser] stelt vermogens- en reputatieschade te hebben geleden. Hij heeft onder meer een aantal functies moeten neerleggen en hij is daarnaast een groot aantal opdrachten misgelopen om als deskundige in strafrechtelijke onderzoeken op te treden.

3.3. [gedaagde 1] en de Staat voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid ten aanzien van de vordering jegens [gedaagde 1]

4.1. Anders dan [eiser] betoogt, heeft [gedaagde 1] het onderzoek naar de Schiedamse Parkmoord in zijn hoedanigheid van advocaat-generaal verricht en zijn die werkzaamheden aan te merken als ambtsverrichtingen als bedoeld in artikel 124 Wet op de rechtelijke organisatie (RO). Niet bestreden is immers dat [gedaagde 1] zijn werkzaamheden in werktijd heeft uitgevoerd, zonder daarvoor een - buiten het salaris vallende - vergoeding te hebben ontvangen, zoals de Staat heeft aangevoerd. De onderzoekswerkzaamheden van [gedaagde 1] hebben bovendien betrekking op de kerntaken van het openbaar ministerie, te weten: de opsporing en vervolging van strafbare feiten in een groot strafrechtelijk onderzoek en de rol van ambtenaren van het openbaar ministerie daarin, welke taken bij wet aan de rechterlijke ambtenaren zijn opgedragen. Krachtens artikel 42 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) jo artikel 1, b onder 5º RO is [gedaagde 1] daarom niet persoonlijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden ten gevolge van de uitlatingen in het door hem opgestelde rapport en ten gevolge van uitlatingen in de media. Daarnaast geldt, zoals de Staat terecht betoogt, dat de uitsluiting van persoonlijke aansprakelijkheid van rechterlijke ambtenaren (artikel 42 Wrra) ruim moet worden opgevat en dus niet uitsluitend geldt voor de bij wet (artikel 124 RO) opgedragen kerntaken van een rechterlijke ambtenaar (MvT bij wetsvoorstel 24 220 nr.3 pag. 3). Zo het evaluatieonderzoek niet onder de ambtstaken als bedoeld in artikel 124 RO zou vallen, dan is [gedaagde 1] op die grond evenmin persoonlijk aansprakelijk. Dit laat onverlet dat gedragingen van [gedaagde 1] in hoedanigheid van advocaat-generaal als gedragingen van de Staat hebben te gelden en dat de Staat - gelijk hij betoogt - voor die gedragingen rechtstreeks op grond van 6:162 BW aansprakelijk is. De vraag of de [gedaagde 1] verweten gedraging onrechtmatig is zal in het hiernavolgende worden besproken. Dit alles betekent in elk geval dat [eiser] in zijn vordering jegens [gedaagde 1] niet kan worden ontvangen.

Uitlating in het rapport en de media: onfatsoenlijkheid studioverhoren en onbegrijpelijkheid van en verbijstering over van niet ingrijpen door [eiser].

4.2. Aan de orde is onder meer de vraag of de uitlating in het rapport "In het kader van het onderzoek hebben op 7 en 12 juli 2000 jegens [slachtoffer 2] onfatsoenlijke verhoren plaatsgevonden. Het is onbegrijpelijk dat de deskundige die het verhoor kon volgen, beweerdelijk om voor de belangen van de jongen op te komen, niet heeft ingegrepen" en de uitlating in de media dat "het niet ingrijpen bij de verhoren door de deskundige verbijsterend is" onrechtmatig is tegenover [eiser].

[eiser] verwijt de Staat in dit verband dat dit negatieve oordeel over zijn handelwijze niet steunt op een deskundig oordeel en dat uit het oordeel van het CvT (2.13) bovendien volgt dat het oordeel over zijn optreden onjuist is, welk oordeel wordt ondersteund door diverse vakgenoten. De Staat voert aan dat de conclusie van [gedaagde 1] over de onbegrijpelijkheid van het niet ingrijpen door [eiser] bij de studioverhoren steun vindt in onder meer het oordeel van professor dr. E. Rassin, bijzonder hoogleraar rechtspsychologie aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.

4.3. De rechtbank stelt allereerst vast dat de onder 4.2. aangehaalde uitlating in het rapport een waardeoordeel van [gedaagde 1] betreft over het niet optreden van [eiser] tijdens de verhoren van [slachtoffer 2] op 7 en 12 juli 2000. Uit de redactie van de passage, bezien vanuit de context van het hoofdstuk waarin de passage voorkomt, volgt in elk geval niet dat de betreffende uitlating als een feitelijke juistheid wordt gepresenteerd. Naar vaste rechtspraak is het antwoord op de vraag of het in het openbaar verwoorden van een (negatief) waardeoordeel onrechtmatig is, niet afhankelijk gesteld van een oordeel over de juistheid van dat waardeoordeel (Hoge Raad 13 juni 1997, NJ 1998, 361). De door partijen opgeworpen vraag of de kwalificatie "onbegrijpelijk" en "verbijsterend" ten aanzien van het handelen van [eiser] tijdens de studioverhoren juist is naar de daarvoor geldende maatstaf van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot, behoeft daarom verder geen bespreking. Aldus kan ook de vraag of de uitlatingen in rapport kennelijk onjuist zijn, zoals [eiser] stelt en de Staat betwist, in het licht van de uitspraak van het CvT buiten beschouwing blijven.

4.4. Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of de bewuste passages in het rapport en uitlatingen in de media over het niet ingrijpen door [eiser] onrechtmatig zijn. Vooropgesteld wordt dat het in het rapport neergelegde en in de media geuite waardeoordeel van [gedaagde 1] over de handelwijze van [eiser] voor het bereiken van het doel van het onderzoek (zie 2.8.) niet per definitie noodzakelijk is. Volstaan had kunnen worden met de opmerking dat de deskundige niet heeft ingegrepen bij de studioverhoren van [slachtoffer 2]. Daar tegenover staat dat [gedaagde 1] als onderzoeker naar de werk- en handelwijze van politie en justitie in een specifieke strafzaak waarbij iemand ten onrechte is veroordeeld, een zekere vrijheid toekomt om een oordeel te geven over het optreden van de bij deze strafzaak betrokken professionals. Gelijk de Staat betoogt, vindt deze vrijheid haar begrenzing in de zorgvuldigheid en betamelijkheid die daarbij tegenover de betrokkenen in acht moet worden genomen. Bij de afweging van belangen die in dit verband zal moeten plaatsvinden, moet het algemene belang worden afgewogen tegen het individuele belang van de betrokkene om niet lichtvaardig in de openbaarheid te worden blootgesteld aan beschuldigingen (HR 2 juni 1983, NJ 1984, 801). Welk belang de doorslag zal geven is afhankelijk van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het geval, waaronder:

a. de aard van de uitlating en de ernst van de te verwachten gevolgen daarvan voor degene op wie de uitlating betrekking hebben;

b. de ernst - bezien van uit het algemene belang - van de misstanden die in het rapport aan het licht worden gebracht;

c. de mate waarin de uitlating ten tijde van de publicaties steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d. de inkleding van de uitlating, bezien in verhoudingen tot de eerder genoemde omstandigheden;

e. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder openbaarmaking, het in het algemene belang nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;

f. een mogelijke beperking van het door de openbaarheid van het rapport te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het desbetreffende stuk, ook zonder de verweten openbaarmaking, in de publiciteit zou zijn gekomen.

4.5. Bij de hiervoor bedoelde belangenafweging acht de rechtbank het navolgende relevant.

Tussen partijen is niet in geschil dat de studioverhoren van [slachtoffer 2], toen net 11 jaar oud, op 7 en 12 april 2000 niet in overeenstemming waren met hetgeen bij een verhoor van een kind van die leeftijd mag worden verwacht en niet waren afgestemd op het ontwikkelingsniveau van een kind van die leeftijd. De verhoren waren voorts niet in overeenstemming met de destijds geldende richtlijn studioverhoren en [slachtoffer 2] is meer dan één keer verhoord, door onder meer een niet daarvoor opgeleide functionaris, wat zeer ongebruikelijk is. In die verhoren hebben de verhoorders [slachtoffer 2] bewust een schuldgevoel aangepraat met vragen en verwijten over waarom hij [slachtoffer 1] niet heeft geholpen, hebben zij hem niet geloofd en creëerden zij opzettelijk een ongelijkwaardige positie. De verhoorders hebben [slachtoffer 2] ontegenzeggelijk hard aangepakt, waarbij één van de verhoorders de verwurging fysiek met [slachtoffer 2] heeft nagespeeld (zie 2.9.) Een andere door justitie geraadpleegde deskundige was na het zien van de beelden van de studioverhoren in juli 2000 zeer negatief over de wijze waarop [slachtoffer 2] was verhoord (rapport pag. 79). [eiser] is als vaste deskundige van justitie vaker bij studioverhoren van slachtoffers van zedenmisdrijven aanwezig geweest en hij kan daarom bekend worden geacht met de wijze waarop een studioverhoor van een minderjarige er gewoonlijk aan toe gaat. [eiser] heeft ten aanzien van de verhoren van [slachtoffer 2] verklaard nooit eerder een studioverhoor te hebben gezien dat zo 'hard' was (rapport, pag. 89). Naar [eiser] zelf stelt (conclusie van repliek punt 5.7) heeft hij de studioverhoren bijgewoond om het welzijn van [slachtoffer 2] te bewaken, diens verhoren te begeleiden en was zijn rol niet op de strafzaak gericht (rapport, pag. 79). [slachtoffer 2] werd verder niet als verdachte verhoord maar als slachtoffer van een gruwelijk zedenmisdrijf, waarbij hij getuige is geweest van de moord op zijn 11- jarige speelkameraadje [slachtoffer 1]. Gelet op al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang genomen, vindt het oordeel van [gedaagde 1] dat de studioverhoren onfatsoenlijk waren en dat het niet ingrijpen van [eiser] onbegrijpelijk en verbijsterend is, voldoende basis in het feitenmateriaal (omstandigheid c.).

Voorts is het aannemelijk dat deze in het rapport gepresenteerde feiten over de wijze waarop [slachtoffer 2] is verhoord in aanwezigheid van [eiser] ook zonder het waardeoordeel van [gedaagde 1] daarover zouden hebben geleid tot (negatieve) aandacht in de media voor de rol van [eiser] bij die verhoren en het niet ingrijpen daarin (omstandigheid f.).

4.6. In het rapport is het oordeel over het niet ingrijpen van [eiser] in de studioverhoren niet als een deskundig oordeel gepresenteerd, is [eiser] niet bij naam genoemd en wordt geen afbreuk gedaan aan zijn deskundigheid als orthopedagoog (omstandigheid a. en d.). Gelet voorts op de ernst van de misstanden bij de verhoren van [slachtoffer 2] als (zeer jonge) getuige en het gebrek aan controle daarop door politie, justitie en andere bij de verhoren betrokkenen dat in het rapport schrijnend aan het licht wordt gebracht (omstandigheid b.), acht de rechtbank de bewuste passage in het rapport en de uitlatingen daarover van [gedaagde 1] in de media niet onrechtmatig tegenover [eiser]. Dit betekent tevens dat van een tekortkoming van de Staat in zijn verplichtingen als opdrachtgever evenmin sprake is.

Uitlating in het rapport: sturende rol van [eiser] in het opsporingsonderzoek

4.7. [eiser] verwijt de Staat voorts dat in het rapport ten onrechte de indruk wordt gewekt dat hij de politie ertoe heeft aangezet [slachtoffer 2] als verdachte aan te merken en hem als zodanig te horen door de overwegingen dat [eiser] in het opsporingsonderzoek een sturende rol heeft gehad en op de stoel van de opsporingsautoriteiten is gaan zitten.

Dit verwijt is ongegrond. Zoals de Staat terecht heeft betoogd, heeft de door [eiser] aangehaalde passage betrekking op de rol van de leiding van het opsporingsonderzoek, te weten de rechercheurs en de officier van justitie en niet op de rol van [eiser] zelf. Dit volgt onmiskenbaar uit hetgeen in het rapport is vermeld op pagina 87: "De plv. l.o. heeft gezegd dat deskundige 2 ([eiser]) een sturende rol had in het begin van het onderzoek; hij was immers de specialist op dit gebied.(..)" en op pagina 91: "Teamleiding en officieren van justitie zich door [eiser] hebben laten leiden en teveel zijn afgegaan op zijn deskundigheid en dat zij onvoldoende kritisch zijn geweest ten opzichte van hem".

Voorts volgt uit het onderzoek dat de politie en justitie [slachtoffer 2] nooit officieel als verdachte hebben aangemerkt, maar dat zij op enig moment twijfelden aan de juistheid van zijn verklaringen (rapport, pag. 78) en zich daarin gesteund voelden door de mening van [eiser] over [slachtoffer 2] (rapport, pag. 88). Anders dan [eiser] betoogt wordt in het Rapport dan ook niet de indruk gewekt dat [slachtoffer 2] door toedoen van [eiser] als verdachte is aangemerkt. Dit verwijt berust dan ook op een onjuiste lezing van het rapport.

4.8. In het rapport wordt evenmin de indruk gewekt dat [eiser] ook bij de latere studioverhoren van [slachtoffer 2] op 14 september 2000 en 13 oktober 2000 aanwezig is geweest. In het rapport is uitdrukkelijk vermeld dat [eiser] de studioverhoren op 4 juli, 7 juli en 12 juli 2000 heeft bijgewoond. In die opsomming komen de studioverhoren van september en oktober 2000 niet voor. Ook dit verwijt is ongegrond.

4.9. Uit hetgeen hiervoor onder 4.4. - 4.8. is overwogen, volgt dat de desbetreffende uitlatingen in het rapport niet onrechtmatig tegenover [eiser] zijn, zodat de vordering op die gronden niet toewijsbaar is. Op dezelfde gronden is er evenmin sprake van een toerekenbare tekortkoming van de Staat in de nakoming van zijn verplichtingen als opdrachtgever.

Uitlatingen van Buruma in de media

4.10. [eiser] houdt de Staat voorts aansprakelijk voor de uitlatingen van Buruma in de media. Voor zover [eiser] hiermee bedoelt het artikel in NRC Handelsblad (2.15.) heeft hij - gelijk de Staat betoogt - niet onderbouwd waarom dit artikel tegenover hem onrechtmatig is, respectievelijk waarom de Staat voor de uitlatingen van Buruma in dat artikel aansprakelijk zou zijn op grond van onrechtmatige daad dan wel toerekenbare tekortkoming.

Uitlatingen van de Minister

4.11. Nog daargelaten de vraag of de hiervoor onder 2.11. en 2.12. vermelde uitlatingen van de Minister over de inschakeling van [eiser] in strafrechtelijke onderzoeken onrechtmatig zijn dan wel een toerekenbare tekortkoming opleveren, volgt - zoals de Staat heeft aangevoerd - uit artikel 71 Grondwet dat de Minister niet aansprakelijk is voor zijn uitlatingen in (een vaste kamercommissie van) de Tweede Kamer. Een andere opvatting zou in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever om de wetgevende macht bij de parlementaire beraadslagingen te vrijwaren van ingrijpen door de rechterlijke macht. Indien de Staat voor de uitlatingen van de Minister aansprakelijk zou zijn omdat, zoals [eiser] betoogt, "iemand de door de burger als gevolg van uitlatingen van een minister geleden schade voor zijn rekening dient te nemen", ontkracht dit betoog de parlementaire onschendbaarheid. De Minister zou in dat geval immers indirect (via de Staat) alsnog aansprakelijk zijn voor zijn uitlatingen in het parlement, wat artikel 71 Grondwet nu juist beoogt te voorkomen.

Slotsom en proceskosten

4.12. Het vorenstaande brengt met zich dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

4.13. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] en de Staat worden begroot op:

- vastrecht € 251,00

- salaris advocaat € 960,00 (2,5 x tarief € 384,00)

Totaal€ 1.211,00

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vorderingen af,

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] en de Staat tot op heden begroot op € 1.211,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

- verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Valk, mr. J. Mendlik en mr. H.M. Boone en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2009