Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5497

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
343451/ JERK 09-1978
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verlenging OTS en verlenging uithuisplaatsing en aanhouding tot de MK van 16 maart 2010, i.v.m. onderzoek door een orthopedagoge naar de geestelijke ontwikkeling van de minderjarigen, of en in hoeverre de ontwikkeling van de minderjarigen in gevaar komt indien de minderjarigen weer bij de ouders zouden gaan wonen en of het belang van de minderjarigen is gediend bij een wijziging in hun verblijfplaats. De ouders leggen alle verantwoordelijkheden ten aanzien van de minderjarigen in de handen van de Heer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Zaak/rekestnummer: 343451 / JE RK 09-1978

Datum uitspraak: 17 september 2009

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op de verzoekschriften van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Zuid-Holland Midden (verder Bureau Jeugdzorg).

De verzoekschriften hebben betrekking op de minderjarigen:

1. [A], geboren op [datum] 1993 te [plaats A],

2. [B], geboren op [datum] 1995 te [plaats A],

3. [C], geboren op [datum] 1996 te [plaats A],

4. [D], geboren op [datum] 1998 te [plaats A],

5. [E] geboren op [datum] 2000 te [plaats A],

6. [F], geboren op [datum] 2001 te [plaats B],

7. [G], geboren op [datum] 2003 te [plaats B],

kinderen uit het huwelijk van:

[de heer H] (verder de vader),

en

[mevrouw I] (verder de moeder),

beiden wonende te [plaats C],

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

Als belanghebbenden in deze procedure worden tevens aangemerkt:

- [de heer en mevrouw J] (verder de pleegouders van de minderjarige sub 2),

wonende te [plaats D]

- [de heer en mevrouw K] (verder de pleegouders van de minderjarigen sub 3, 4 en 6),

wonende te [plaats E],

- [de heer en mevrouw L] (verder de pleegouders van de minderjarigen sub 5 en 7),

wonende te [plaats F].

De minderjarige sub 1 verblijft bij de ouders en de minderjarigen sub 2 tot en met 7 verblijven feitelijk bij hun respectievelijke pleegouders.

Procesgang

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 23 september 2008 de minderjarigen onder toezicht gesteld van 24 september 2008 tot 15 augustus 2009.

Voorts heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking d.d. 4 november 2008 aan Bureau Jeugdzorg machtiging verleend voornoemde minderjarigen dag en nacht uit huis te plaatsen van 4 november 2008 tot 15 augustus 2009.

Van deze beschikking is de minderjarige sub 1 op 4 februari 2009 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij beschikking d.d. 10 juni 2009 van het gerechtshof

te 's-Gravenhage is de bestreden beschikking voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige sub 1 betrof, vernietigd. De minderjarige sub 1 is voorts niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover dit betrekking had op de minderjarigen sub 2 tot en met 7.

Op 20 juli 2009 heeft Bureau Jeugdzorg verzoekschriften met bijlagen ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarigen sub 2 tot en met 7 voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Daarbij zijn overgelegd hulpverleningsplannen en verslagen van het verloop van de ondertoezichtstelling.

Bureau Jeugdzorg heeft indicatiebesluiten met de daarbij behorende aanvragen overgelegd.

De kinderrechter heeft voorts kennis genomen van:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 14 augustus 2009, waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd, en waarbij de ondertoezichtstelling van de minderjarigen is verlengd van 15 augustus 2009 tot

18 september 2009, en waarbij voorts aan Bureau Jeugdzorg machtiging is verleend

de minderjarigen sub 2 tot en met 7 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van

15 augustus 2009 tot 18 september 2009, en waarbij iedere verdere beslissing is

aangehouden en verwezen naar de terechtzitting van de meervoudige kamer van

15 september 2009 te 11.30 uur;

- de beschikking van de kinderrechter d.d. 24 augustus 2009, waarbij

mr. B.C.V.J. van Leur is benoemd tot bijzonder curator over de minderjarigen sub 2

tot en met 7;

- het faxbericht d.d. 11 september 2009 van mr. B.C.V.J. van Leur;

- het faxbericht d.d. 14 september 2009, met bijlagen, van mr. C. Hartmann;

- het faxbericht d.d. 14 september 2009, met bijlagen, van de zijde van Bureau Jeugdzorg.

Het verzoekschrift is op 15 september 2009 opnieuw ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- mevrouw [M] de heer [N], de heer [O] en

mevrouw [P] namens Bureau Jeugdzorg;

- de vader;

- de moeder;

- de minderjarige sub 1, bijgestaan door mrs. C. Hartmann (namens mr. A.H. van Haga, de bijzonder curator van de minderjarige sub 1) en mr. M.J.W. Hoek;

- de minderjarigen sub 2 en 3;

- mr. B.C.V.J. van Leur, bijzonder curator van de minderjarigen sub 2 tot en met 7;

- de pleegouders van de minderjarige sub 2;

- de pleegouders van de minderjarigen 3,4 en 6;

- de pleegouders van de minderjarigen 5 en 7;

- mevrouw [Q], tante vaderszijde, als informant.

De minderjarigen sub 1, 2 en 3 zijn op 15 september 2009 ook in raadkamer gehoord.

Beoordeling

Aanleiding tot de verzoeken

De reden voor de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing is voor Bureau Jeugdzorg daarin gelegen dat de ouders de verantwoordelijkheid en de zorg van de minderjarigen volledig in handen van de Heer leggen. Als ten aanzien van de minderjarigen beslissingen moeten worden genomen, gaat de vader eerst in gesprek met de Heer alvorens hij tot handelen overgaat. Of en hoe er vervolgens gehandeld gaat worden is afhankelijk van welke weg de Heer openstelt. De moeder volgt de vader hierin. Zij leeft volgens de overtuiging van vader en gaat hier vooralsnog volledig in mee. Door het op deze wijze opvoeden van de minderjarigen, bieden de ouders de minderjarigen geen veilige en stabiele woon- en leefomgeving, aldus Bureau Jeugdzorg.

Daarnaast is het gezin afhankelijk van giften, hetgeen onder meer ertoe heeft geleid dat vorig jaar gedurende een periode de elekticiteits- en gaslevering onderbroken is geweest, welk gebrek aan basisvoorzieningen de directe aanleiding heeft gevormd voor het verzoeken van de (voorlopige) ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

De vader heeft op dringend verzoek van Bureau Jeugdzorg meegewerkt aan een door de GGZ uitgevoerd psychiatrisch onderzoek, doch niet dan nadat hem te verstaan was gegeven dat anders een rechterlijke machtiging zou worden aangevraagd. Volgens Bureau Jeugdzorg heeft de GGZ na afronding van het onderzoek aan Bureau Jeugdzorg laten weten dat de vader geen psychose heeft, maar dat wel het vermoeden bestaat dat sprake is van een waanstoornis. De GGZ noemt vader sektarisch en geeft eind december 2008, en wederom in juni 2009, aan het absoluut niet wenselijk te vinden dat de minderjarigen in de huidige thuissituatie opgroeien. Door de GGZ is, volgens Bureau Jeugdzorg, voorts gesteld dat nu de minderjarigen uit huis zijn geplaatst, de vader geen gevaar meer vormt voor zijn omgeving en derhalve thans geen noodzaak bestaat tot het aanvragen van een rechterlijke machtiging welke strekt tot opname van de vader in een psychiatrisch ziekenhuis.

Standpunten van partijen

De heer [N] heeft namens Bureau Jeugdzorg de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor alle minderjarigen en de verzoeken tot machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen sub 2 tot en met 7 gehandhaafd. Ter terechtzitting heeft de heer [N] het woord gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting overgelegde pleitnota, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

Ter zake van de door Bureau Jeugdzorg in de pleitnota aangehaalde GGZ rapportage, betreffende de resultaten van het door de vader ondergane psychiatrische onderzoek, heeft de heer [N] verklaard dat de vader vooralsnog geen toestemming heeft gegeven tot overlegging van dit rapport.

Desgevraagd is door de vader bevestigd dat hij (voorlopig) niet instemt met de overlegging van voornoemde rapportage nu de Heer de weg niet heeft geopend deze stukken te overhandigen.

Mevrouw [M] heeft de door Bureau Jeugdzorg ingezette hulpverlening kort toegelicht. De hulpverlening heeft zich in het begin van de ondertoezichtstelling in het bijzonder gericht op de ouders aangezien er op dat moment vanuit de minderjarigen geen hulpvraag was. De minderjarigen hebben richting Bureau Jeugdzorg nooit klachten geuit omtrent hun woon- en leefomstandigheden. Door Bureau Jeugdzorg zijn destijds aan de ouders een aantal voorwaarden gesteld waaraan voldaan moest worden teneinde een uithuisplaatsing van de minderjarigen te voorkomen. Zo dienden de ouders te zorgen voor de aanwezigheid van voldoende voedsel en financiële middelen, de onderbroken gas- en elektriciteitslevering diende weer hersteld te worden, de vader diende mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek en de ouders dienden de manier waarop zij hun leven leiden aan te passen in die zin dat zij zelf beslissingen dienden te nemen in plaats van deze over te laten aan de Heer.

Hoewel er thans, door de van de grootouders vaderszijde afkomstige financiële hulp, gesproken kan worden van enige inkomsten, is mevrouw [M] van mening dat bij terugplaatsing van de minderjarigen bij de ouders hun veiligheid in het geding zal komen, nu onzeker is hoelang deze financiële ondersteuning door ouders wordt geaccepteerd en daarnaast de ouders nog steeds niet hun eigen verantwoordelijkheid nemen - in het bijzonder waar het de kinderen betreft - maar alles in handen leggen van de Heer.

Door de vader is verklaard dat er altijd voldoende voedsel in huis is geweest. Bij de vader is het vertrouwen aanwezig dat ook in moeilijke tijden de Heer ervoor zal zorgen dat het gezin gevoed zal worden, nu Hij hier in het verleden ook voor heeft gezorgd. De vader heeft geprobeerd zijn geloof aan Bureau Jeugdzorg uit te leggen, maar een aantal zaken gaat Bureau Jeugdzorg te ver.

De vader heeft desgevraagd verklaard dat het voor hem moeilijk is om uit leggen waarom hij de minderjarigen gedurende hun uithuisplaatsing niet heeft bezocht. In de vader leeft het vertrouwen dat de Heer verandering in de situatie zal brengen maar tot op heden is de weg voor het bezoeken van de minderjarigen niet door de Heer opengesteld.

Met betrekking tot het aannemen van giften, heeft de vader aangegeven dat het afhankelijk is van de Heer of hij de gift accepteert; indien door de acceptatie van de gift de eer aan de Heer wordt ontnomen, zal de vader deze niet accepteren in het vertrouwen dat de Heer uiteindelijk toch voor alles zal zorgen.

Ten aanzien van het accepteren van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling heeft de vader verklaard dat hoewel er onderworpenheid aan de overheid bestaat, hij het moeilijk vindt deze vraag te beantwoorden; de Heer zal zeggen wat hij moet doen.

De moeder heeft desgevraagd verklaard dat zij tot nu toe de vader altijd heeft gesteund,

doch zij kan niet met zekerheid aangeven dat dit in de toekomst ook altijd het geval zal zijn.

De moeder is ervan overtuigd dat God ervoor zal zorgen dat de minderjarigen weer thuis komen wonen.

Verder heeft de moeder meegedeeld dat er altijd in de basale behoeften van de minderjarigen is voorzien en dat het slechts één keer is voorgekomen dat een gift niet is geaccepteerd. Net als de vader is de moeder ervan overtuigd dat de Heer altijd uitkomst zal geven; dit heeft Hij in het verleden gedaan en zal Hij ook in de toekomst doen.

Mr. Hartmann heeft ter terechtzitting verwezen naar het door haar ingediende verweerschrift. De minderjarige sub 1 heeft na lezing van het GGZ rapport omtrent de psychische toestand van de vader, en na een telefonisch gesprek te hebben gevoerd met de heer Vink, medewerker van GGZ Midden Holland, de conclusies zoals door Bureau Jeugdzorg worden weergegeven betwist. Ook het hof heeft in de beschikking

van 10 juni 2009 geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychische stoornis bij de vader en dat de terugplaatsing van de minderjarige sub 1 niet belet wordt door voornoemde rapportage. Van een bedreigde lichamelijke of geestelijke ontwikkeling is volgens het hof bij de minderjarige sub 1 geen sprake geweest, nu er altijd voldoende voedsel is geweest, hij door de tijdelijke afsluiting van gas en elektra niet in zijn gezondheid is bedreigd en het op school goed ging. Het vorenstaande geldt volgens mr. Hartmann ook voor de overige minderjarigen. Voorts blijkt uit de overgelegde brief van de huisarts dat een reden voor de groeiachterstand bij de minderjarige sub 1 gelegen kan zijn in een late puberteit en dat de groeicurven van de overige minderjarigen geen afwijking vertoonden.

Op verzoek van de minderjarige sub 1 is door mr. Hartmann het door hem op de vorige terechtzitting gehouden betoog (nogmaals) overgelegd.

Mr. Hoek heeft namens de minderjarige sub 1 verweer gevoerd overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overhandigde pleitnota, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd. Tevens is een schriftelijke verklaring van de grootouders vaderszijde overgelegd, waarin zij verklaren het gezin financieel te ondersteunen zodat calamiteiten op financieel gebied, zoals deze in het verleden hebben plaatsgevonden, zich niet meer zullen voordoen.

Mr. Hoek heeft medegedeeld dat de minderjarige sub 1 van mening is dat zowel ten aanzien van de door Bureau Jeugdzorg verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling als voor de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing voor de minderjarigen sub 2 tot en met 7, niet is voldaan aan de wettelijke criteria. Hij verwijst hiervoor onder meer naar hetgeen door het hof is overwogen in de hiervoor vermelde beschikking. Voorts is door mr. Hoek aan de rechtbank verzocht Bureau Jeugdzorg te gelasten de in december 2008 door de GGZ opgestelde rapportage omtrent de psychische toestand van de vader te overleggen, teneinde te kunnen vaststellen of de door Bureau Jeugdzorg uit de rapportage getrokken conclusies juist zijn.

Ten aanzien van de door Bureau Jeugdzorg overgelegde pleitnota heeft mr. Hoek ten eerste opgemerkt dat de minderjarige sub 1 niet in weerwil van de ouders in hoger beroep is gegaan en ten tweede dat de indruk wordt gewekt dat de geloofsopvatting van de ouders de voornaamste reden is voor Bureau Jeugdzorg om een verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken terwijl zijns inziens getoetst dient te worden of er sprake is van een acute bedreiging van de belangen van de minderjarige sub 1. De aanwezigheid van een dergelijke bedreiging wordt echter door Bureau Jeugdzorg op geen enkele wijze nader onderbouwd; noch actuele medische verklaringen ten aanzien van eventuele geconstateerde bedreigingen van de gezondheid van de minderjarigen, noch actuele rapportages van de scholen van de minderjarigen waaruit een mogelijke bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarigen blijkt, zijn overgelegd.

Mr. Van Leur heeft als bijzonder curator van de minderjarigen sub 2 tot en met 7 het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

De heer [K], grootvader moederszijde, tevens de pleegvader van de minderjarigen sub 3, 4 en 6, heeft ter terechtzitting een verklaring voorgelezen waarin hij zijn zorgen kenbaar maakt over het feit dat de ouders geen enkele verantwoording nemen in beslissingen aangaande de minderjarigen. Hij is de mening toegedaan dat in de huidige situatie geen van de minderjarigen naar huis kan terugkeren.

De heer [S], pleegvader van de minderjarige sub 2 heeft eveneens een verklaring voorgelezen waarin hij heeft aangegeven dat de grond voor een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing eerder is vergroot dan verkleind. Dit is mede te wijten aan de opstelling van de ouders die sinds februari 2009 geen enkele actie hebben ondernomen om de minderjarige sub 2 te kunnen ontmoeten en daarbij hebben aangegeven dat de weg voor een bezoekregeling is gesloten. De uitvoering van het door Bureau Jeugdzorg opgestelde hulpverleningsplan wordt met name gefrustreerd door handelingen van de familie vaderszijde en van de minderjarige sub 1, aldus de pleegvader van de minderjarige sub 2.

Niettemin is hij van mening dat de minderjarige sub 2 sinds haar verblijf bij de pleegouders een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt.

Mevrouw [Q], tante vaderszijde, heeft verklaard dat zij, evenals de grootouders vaderszijde, van mening is dat ondanks de levenswijze van de ouders, nimmer sprake is geweest van een bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen. De familie vaderszijde is opzettelijk het contact met Bureau Jeugdzorg uit de weg gegaan nu Bureau Jeugdzorg leugens heeft verteld en een aantal gebeurtenissen heeft uitvergroot.

De pleegouders van de minderjarigen sub 5 en 7 hebben verklaard een positieve ontwikkeling bij de minderjarigen waar te nemen. Zo zijn hun sociale vaardigheden en hun eetpatroon, die aanvankelijk zorgwekkend waren, aanmerkelijk verbeterd. Beide minderjarigen hebben veel moeite met het feit dat hun ouders, ondanks herhaaldelijk daartoe te zijn uitgenodigd, niet op bezoek willen komen, hetgeen tot uiting komt in hun gedrag.

Overwegingen van de rechtbank

Voor de beoordeling van zowel de vraag of de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van alle minderjarigen nog langer ernstig worden bedreigd, als de vraag of het in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen sub 2 t/m 7 noodzakelijk is dat de uithuisplaatsing wordt gecontinueerd, acht de rechtbank allereerst van belang dat er meer inzage komt in de psychische gesteldheid van vader.

Vast staat dat naar aanleiding van vermoedens van Bureau Jeugdzorg van psychiatrische problematiek bij vader, vader op 10 december 2008 vrijwillig is opgenomen voor een observatieperiode van twee weken in de Robert Fleury stichting van de GGZ.

Bureau Jeugdzorg heeft naar voren gebracht dat de GGZ in een telefonisch contact heeft laten weten dat vader geen psychose heeft, maar dat er wel een vermoeden is dat er sprake is van een waanstoornis. De GGZ heeft vader sektarisch genoemd en aangegeven dat het absoluut onwenselijk is dat de kinderen bij vader opgroeien, aldus Bureau Jeugdzorg.

De minderjarige sub 1 betwist dat de behandelaars van vader dit gezegd zouden hebben. Hij stelt dat hij een gesprek heeft gehad met dr. Vink, leider van het onderzoek, waaruit naar voren kwam dat de uitslag van het psychiatrisch onderzoek zonder meer als positief te duiden is. De minderjarige is de mening toegedaan dat Bureau Jeugdzorg het psychiatrisch rapport omtrent vader dient te overleggen.

Mr. Van Leur, bijzonder curator over minderjarigen sub 2 tot en met 7, acht het noodzakelijk dat inzage plaatsvindt in de rapportage van de GGZ met betrekking tot de vader van de kinderen van eind december 2008, voordat over terugplaatsing wordt gedacht.

Vader heeft vooralsnog geen toestemming gegeven aan zijn behandelaars voor het verstrekken van gegevens/rapportage omtrent zijn psychische gesteldheid. Vader zegt deze vraag aan de Heer te hebben voorgelegd, maar nog altijd geen antwoord te hebben gekregen.

Nu vader aan zijn behandelaars geen toestemming heeft gegeven tot het verstrekken van gegevens, verkeert Bureau Jeugdzorg niet in de gelegenheid rapportages/gegevens hieromtrent te overleggen en heeft zich moeten beperken tot het weergeven van telefonisch verkregen informatie. De rechtbank heeft vooralsnog geen aanleiding te veronderstellen dat Bureau Jeugdzorg deze informatie onjuist heeft weergegeven. De rechtbank geeft de vader in overweging alsnog toestemming te verlenen aan de behandelaars/onderzoekers van de GGZ tot het verstrekken van informatie aan Bureau Jeugdzorg en de rechtbank, dan wel zelf de rapportages/gegevens betreffende het psychiatrisch onderzoek aan de rechtbank te overleggen, bij gebreke waarvan de rechtbank zal uitgaan van de juistheid van de door Bureau Jeugdzorg verstrekte informatie.

Voorts acht de rechtbank het, mede gelet op de uitlatingen van de pleegouders, van belang te weten:

- of en in hoeverre de geestelijke ontwikkeling van de minderjarigen bedreigd is door het gedrag van hun ouders,

- of en in hoeverre de ontwikkeling van de minderjarigen in gevaar komt indien de minderjarigen weer bij hun ouders zouden wonen,

- of het belang van de minderjarigen sub 2 tot en met sub 7 gediend is bij een wijziging van hun verblijfplaats c.q. een terugplaatsing bij hun ouders, mede gelet op het gedrag van hun ouders en de hechting van de minderjarigen binnen hun huidige pleeggezinnen.

De rechtbank ziet gelet op het vorenstaande aanleiding om zelf een onderzoek naar de ontwikkeling van de minderjarigen te gelasten. Hiertoe zal de rechtbank opdracht geven voor een orthopedagogisch deskundigenonderzoek waarbij onder meer bovenvermelde vragen aan de orde dienen te komen. De rechtbank zal mevrouw dr. A.M. Weterings, orthopedagoge, werkzaam bij de Universiteit Leiden, verzoeken dit onderzoek te verrichten. Het staat mevrouw Weterings vrij ook overige opmerkingen en/of conclusies weer te geven die zij van belang acht in het kader van het onderzoek.

Ten slotte acht de rechtbank het - in afwachting van de resultaten van het bij de minderjarigen te verrichten onderzoek - noodzakelijk reeds nu te beslissen op het verzoek met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen sub 1 tot en met sub 7 en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen sub 2 tot en met sub 7. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat thans onvoldoende is gebleken dat de in artikel 1:254 eerste lid en in artikel 1:261 eerste lid Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet meer aanwezig zijn. Met het oog daarop acht de rechtbank het niet in het belang van de minderjarigen wijziging te brengen in de feitelijke situatie van de minderjarigen sub 2 tot en met sub 7 en het toezicht op de minderjarige sub 1 te laten vervallen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen van 18 september 2009 tot

18 maart 2010 met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg,

verlengt de aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland verleende machtiging de minderjarigen sub 2 tot en met 7 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van

18 september 2009 tot 18 maart 2010, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van de aangehechte indicatiebesluiten d.d. 14 juli 2009;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt vader vorenbedoelde GGZ-rapportage uiterlijk voor 1 maart 2010 in het geding te brengen;

verzoekt mevrouw dr. A.M. Weterings een onderzoek te verrichten als hierboven overwogen en daartoe te rapporteren uiterlijk voor 1 maart 2010;

stelt partijen tot 10 maart 2010 in de gelegenheid schriftelijk op de GGZ-rapportage en op de onderzoeksrapportage van dr. Weterings te reageren;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de terechtzitting van de meervoudige kamer op: 16 maart 2010;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

- Bureau Jeugdzorg;

- de vader;

- de moeder;

- de minderjarige sub 1 en zijn bijzonder curator, mr. A.H. van Haga, alsmede mr. M.J.W. Hoek;

- de minderjarigen sub 2 en 3;

- mr. B.C.V.J. van Leur, bijzonder curator van de minderjarigen sub 2 tot en met 7;

- de pleegouders van de minderjarige sub 2;

- de pleegouders van de minderjarigen 3,4 en 6;

- de pleegouders van de minderjarigen 5 en 7.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G.J. Brink, M. Soffers en M.J.M. Mathot, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2009, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Baars als griffier.

Voor zover in deze uitspraak eindbeslissingen staan kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage.