Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5385

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
347325 /FA RK 09-7575
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Minderjarigen vanuit Spanje achtergehouden in Nederland. Geen sprake van ongeoorloofde achterhouding door de vader. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder met gebruikmaking van haar gezagsrecht heeft besloten dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen in Nederland bij de vader moet zijn. Voor zover de moeder heeft betoogd dat zij in dat geval op enig moment op haar beslissing is teruggekomen en haar toestemming voor het verblijf van de minderjarigen bij de vader heeft ingetrokken, leidt dit niet tot een ander antwoord op de vraag of hier sprake is van een ongeoorloofde achterhouding als bedoeld in art. 3 HKOV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 09-7575

Zaaknummer: 347325

Datum beschikking: 16 oktober 2009

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 11 september 2009 bij de rechtbank ’s-Gravenhage ingekomen verzoek van:

[mevrouw A]

de moeder,

wonende te [plaats A], Spanje,

advocaat: mr. R. Aboukir.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de heer B],

de vader,

wonende te [plaats B],

advocaat: mr. S.K. Gopal.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 14 september 2009 van de zijde van de moeder;

- de brief d.d. 29 september 2009, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- het verweerschrift.

Na te melden minderjarigen hebben op 2 oktober 2009 in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt.

Op 2 oktober 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de Raad voor de Kinderbescherming in de persoon van mevrouw E.K.M. Bakker. Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Aan het einde van de terechtzitting is in het bijzijn de hier bovenvermelde verschenen personen onder ede gehoord mevrouw [C], de huidige echtgenote van de vader.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht de onmiddellijke terugkeer van genoemde twee minderjarigen naar Spanje te gelasten met veroordeling van de vader in de kosten van dit geding.

De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht om (naar de rechtbank leest:) de moeder niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen c.q. de moeder dit verzoek te ontzeggen met veroordeling van de moeder in de kosten van dit geding.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt van het volgende uitgegaan.

Partijen hebben beide de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn gehuwd op [datum] 1997 te [plaats C].

Vóór het huwelijk is uit hun relatie geboren de thans nog minderjarige [A] op [datum] 1996 te [plaats D], die door de vader is erkend.

Uit hun huwelijk is geboren de thans nog minderjarige [B] op [datum] 2000 te [plaats D].

Beide minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Bij beschikking van de rechtbank Arnhem d.d. 16 mei 2002 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

In 2003 zijn partijen ondanks de echtscheiding samen met hun kinderen naar Spanje vertrokken. De vader is na enkele maanden weer teruggegaan naar Nederland. De moeder en de minderjarigen zijn in Spanje gebleven. Vanaf die tijd tot 2008 zijn, zonder succes, enkele pogingen tussen partijen ondernomen om tot contactmomenten en een bezoekregeling tussen de vader en de minderjarigen te komen.

Rond september 2008 zijn partijen tot een akkoord gekomen over een vakantie van de minderjarigen bij de vader en op 2 september 2008 is de moeder met de minderjarigen naar Nederland vertrokken. De minderjarigen verblijven thans nog steeds bij de vader.

De vader heeft op 17 juni 2009 een verzoekschrift tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en tot wijziging van het gezag over de minderjarigen ingediend bij deze rechtbank. De behandeling van die procedure is bij brief d.d. 21 september 2009 van deze rechtbank aangehouden totdat op het onderhavige verzoek is beslist.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

(Relatieve) bevoegdheid

Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Haagse Verdrag). Zowel Nederland als [land A] zijn partij bij het Haagse Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 sub a van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag is de rechtbank ’s-Gravenhage bevoegd van het verzoek kennis te nemen, nu de minderjarigen hun werkelijke verblijfplaats hebben in het arrondissement ’s Gravenhage.

Inhoudelijke beoordeling van het verzoek

Het Haagse Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Haagse Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofd niet doen terugkeren in de zin van het Haagse Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Haagse Verdrag).

Ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag?

De moeder heeft gesteld dat er sprake is van ongeoorloofde achterhouding door de vader.

Niet in geschil is dat de minderjarigen vanaf 2003 tot aan hun achterhouding in Nederland hun gewone verblijfplaats in Spanje hadden. Evenmin in geschil is dat in ieder geval de moeder belast is met het ouderlijk gezag over de oudste minderjarige, dat partijen gezamenlijk zijn belast met ouderlijk gezag over de jongste minderjarige en dat de moeder het gezagsrecht onmiddellijk voor hun achterhouding daadwerkelijk uitoefende.

De rechtbank is, gelijk het standpunt van de vader, van oordeel dat partijen naar Nederlands recht gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over de oudste minderjarige, nu de vader de minderjarige kort na het huwelijk heeft erkend en ouders op grond van artikel 1:251 van het Burgerlijk Wetboek gedurende hun huwelijk het gezag gezamenlijk uitoefenen en na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood dit gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Nu ook naar Spaans recht ouders na echtscheiding in beginsel het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen en niet is gebleken van een andersluidende Spaanse gezagsbeslissing, gaat de rechtbank ervan uit dat partijen ook naar Spaans recht het gezamenlijk gezag uitoefenen over de minderjarigen.

De vraag die thans aan de orde is of de achterhouding is geschied in strijd met het gezagsrecht van de moeder naar Spaans recht.

De vader heeft gesteld dat er geen sprake is van ongeoorloofde achterhouding. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij de minderjarigen op 2 september 2008 op Schiphol heeft opgehaald voor – naar hij meende – een korte vakantie. Dezelfde avond bleek echter dat de moeder de intentie had de minderjarigen bij hem te laten opgroeien. Dit bleek hem uit een brief van de moeder d.d. 1 september 2008 die de minderjarigen die avond overhandigden. Een kopie van deze – niet ondertekende – brief is door beide partijen overgelegd. De vader heeft aangegeven dat hij en zijn huidige echtgenote vervolgens de zorg van de minderjarigen op zich hebben genomen en dat zij daarbij ter ondersteuning Bureau Jeugdzorg hebben ingeschakeld.

De moeder heeft ontkend dat bedoelde brief van haar afkomstig is en dat zij deze aan de minderjarigen heeft meegegeven. Zij heeft voorts onder meer het volgende aangevoerd. Het was de bedoeling dat de minderjarigen voor vakantie naar de vader zouden gaan en dat zij omstreeks 15 september 2008 weer naar Spanje zouden terugkeren. Partijen vergaten echter de reisdocumenten uit te wisselen, maar zij zou deze nazenden aan de vader. Toen de minderjarigen omstreeks 15 september 2008 nog niet terug waren, vertelde de vader haar dat de reisdocumenten nog niet aangekomen waren. Eerst na een tijdsverloop van vijf weken bevestigde de vader de ontvangst van de documenten. Zij heeft de vader steeds telefonisch voorgehouden dat zij zijn verhaal ongeloofwaardig vond. Medio november 2008 rees bij haar het vermoeden dat de vader niet meer voornemens was de minderjarigen terug te laten keren naar Spanje, waarop zij telefonisch en per mail bij de vader steeds heeft aangedrongen op teruggeleiding van de minderjarigen. In februari/maart 2009 heeft zij het eerste contact gehad met haar advocaat en omstreeks juni 2009 is de Centrale Autoriteit ingelicht.

De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, alsmede het verhoor van de minderjarigen in raadkamer van oordeel dat de achterhouding van de minderjarigen niet in strijd met het gezagsrecht van de moeder is geschied. Zij komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

De door beide partijen overgelegde kopie van de brief d.d. 1 september 2008 vertoont, gelet op de schrijfstijl en het lettertype, sterke gelijkenis met een door beide partijen overgelegde kopie van een brief d.d. 25 juni 2009. Op deze laatstgenoemde brief staat wel de handtekening van de moeder en de moeder heeft niet betwist dat die brief van haar afkomstig is.

In het door beide partijen overgelegde rapport “Onderbouwing Geïndiceerde Zorg” van Bureau Jeugdzorg Haaglanden is op bladzijde 5 vermeld dat de jongste minderjarige de brief d.d. 1 september 2008 per toeval ziet bij de screener en dat zij deze brief direct herkent als de brief van de moeder.

In de door de vader in kopie overgelegde brief d.d. 24 september 2009 van de tante van zijn huidige echtgenote verklaart deze tante dat zij van 19 augustus 2008 tot en met 30 september 2008 op het adres van de vader verbleef en bevestigt zij het verhaal van de vader dat de minderjarigen op de dag van hun aankomst pas na 22.00 uur de boodschap van hun moeder dat ze niet terug zouden gaan naar Spanje, mochten doorgeven.

In raadkamer heeft de oudste minderjarige onder meer verklaard dat haar moeder voor het vertrek naar Nederland heeft gezegd dat zij lastig was voor haar moeder, dat zij van haar moeder in Nederland moest gaan wonen en dat zij op de dag van aankomst om 22.00 uur een brief van haar moeder aan haar vader moest geven.

De huidige echtgenote van de vader heeft ter terechtzitting onder ede onder meer het volgende verklaard. De minderjarigen hebben op 2 september 2008 om 22.00 uur aan haar, in het bijzijn van haar tante, de bewuste brief van 1 september 2008 overhandigd. De vader was op dat moment even weg. Toen de vader terugkwam, vertelden de minderjarigen dat ze moesten blijven. De moeder heeft haar daarna telefonisch medegedeeld dat zij zes jaar voor de minderjarigen heeft gezorgd en dat de taak nu aan hen was. Op de vraag waar de paspoorten van de minderjarigen waren, antwoordde de moeder dat het hun probleem was en dat ze het uit moesten zoeken. Rond november 2008 heeft de moeder voor het eerst aangedrongen op de terugkeer van – alleen – de jongste minderjarige.

Al deze verklaringen en omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien, brengen de rechtbank tot de conclusie dat de brief van 1 september 2008 van de moeder afkomstig is en door haar is meegegeven aan de minderjarigen. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder met gebruikmaking van haar gezagsrecht heeft besloten dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen in Nederland bij de vader moet zijn. De brief d.d. 1 september 2008 houdt een wilsverklaring van de moeder in, in die zin dat de vader de zorg van de minderjarigen op zich dient te nemen. Uit de opstelling van de vader is niet gebleken dat het zijn idee was om de gewone verblijfplaats van de minderjarigen te wijzigen. Veeleer valt daaruit af te leiden dat hij heeft berust in de situatie en met het oog op het belang van de minderjarigen de zorg over hen op verantwoorde wijze op zich heeft genomen.

Uit het voorgaande volgt dat het niet doen terugkeren van de minderjarigen niet als ongeoorloofd wordt beschouwd.

Voor zover de moeder ter terechtzitting heeft betoogd dat zij in dat geval op enig moment op haar beslissing is teruggekomen en haar toestemming voor het verblijf van de minderjarigen bij de vader heeft ingetrokken, leidt dit niet tot een ander antwoord op de vraag of hier sprake is van een ongeoorloofde achterhouding als bedoeld in artikel 3 van het Haagse Verdrag.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder tot teruggeleiding afwijzen en behoeven de overige verweren van de vader verder geen bespreking meer.

De proceskosten

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarigen naar [land A];

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. de Lange-Tegelaar, M. Kramer en M. Dam, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2009.