Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5352

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
342013 FA RK 09-5596
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezag, hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Bepalen hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader, nadat de moeder de minderjarige buiten medeweten van de vader meegenomen had naar de Verenigde Staten met de bedoeling zich daar met de minderjarige te vestigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA K 09-5596

Zaaknummer: 342013

Datum beschikking: 28 oktober 2009

Gezag, hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 3 juli 2009 ingekomen verzoek, op het op 11 september 2009 ingekomen aanvullend verzoek en op het ter terechtzitting overgelegde aanvullend verzoek van:

[de heer A],

de vader,

wonende te [plaats A],

advocaat: mr. J.G. Schnoor te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[mevrouw B]

de moeder,

wonende te [plaats A],

advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het aanvullend verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

- de brief d.d. 27 juli 2009 van de zijde van de vader, met bijlagen;

- de (fax) brief d.d. 15 september 2009 van de zijde van de moeder, met bijlagen.

Op 16 september 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader en zijn advocaat, de moeder en haar advocaat, alsmede de tolk in de Engelse taal mevrouw W.J. van Maarschalkerweerd. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) is verschenen: de heer V. van den Berg.

Van de zijde van de vader zijn pleitnotities en een aanvullend verzoek overgelegd. Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:

- de (fax) brief d.d. 23 september 2009 van de zijde van de moeder, met bijlagen;

- de brief d.d. 29 september 2009 van de zijde van de vader.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van 27 september 2004 tot 3 april 2009.

- Uit dit huwelijk is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

[C], geboren op [datum] 2005 te [plaats B].

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

- De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit.

- De moeder is Amerikaans burger.

- De minderjarige heeft de Nederlandse nationaliteit en is tevens Amerikaans burger.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 6 maart 2009 is – voor zover hier aan de orde –:

- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

- de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder bepaald;

- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld, waarbij de vader gerechtigd is de minderjarige bij zich te hebben: iedere woensdag begin van de avond tot de daarop volgende zaterdag eind van de middag.

- De moeder verbleef van april 2009 tot 31 augustus 2009 met de minderjarige in de Verenigde Staten.

- In de beschikking van de Porter Superior Court, zittingsplaats Valparaiso, Indiana, Verenigde Staten van 27 augustus 2009 is –voor zover van belang- bepaald dat de minderjarige onrechtmatig naar Indiana is gebracht en dat de minderjarige dient te worden teruggebracht naar zijn woonplaats in Nederland.

- Inmiddels verblijven de moeder en de minderjarige weer in Nederland.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt thans:

- met ingang van de datum van de te dezen te geven beschikking met het eenhoofdig

gezag over na te noemen minderjarige te worden belast, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht;

- het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader te bepalen;

- de moeder te veroordelen tot nakoming van de bestaande zorgregeling en

- voor recht te verklaren dat het de moeder niet is toegestaan met de

minderjarige naar het buitenland te verhuizen.

De vader doet zijn verzoeken steunen op de stelling dat de omstandigheden na de beschikking van 6 maart 2009 zijn gewijzigd.

De moeder heeft verweer gevoerd.

Tevens verzoekt zij thans zelfstandig:

Primair:

- te bepalen dat de moeder gerechtigd is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige

te wijzigen naar de Verenigde Staten, met vaststelling van een zorgregeling zoals omschreven in nrs. 21 en verder van het verweerschrift tevens verzoek, althans een regeling die de rechtbank redelijk acht;

Subsidiair:

- een raadsonderzoek, dan wel een onderzoek door het Ambulatorium te gelasten,

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige, het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en het verzoek inzake de verdeling van de zorgregeling.

Ten aanzien van het gezag

De vader stelt dat hij met het eenhoofdig gezag over de minderjarige dient te worden belast in het belang van de minderjarige, nu door het gedrag van de moeder de communicatieproblemen tussen partijen zeer ernstig zijn geworden en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, zodat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders. De moeder heeft zich zonder toestemming van de vader met de minderjarige willen vestigen in de Verenigde Staten. De vader vermoedt dat de moeder door haar psychische problemen onvoldoende opvoedingskwaliteiten heeft en heeft geen enkel vertrouwen meer in haar.

De moeder brengt naar voren dat het eigenlijke probleem tussen partijen de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is. Voor wijziging van het gezamenlijk gezag zoals de vader wenst, ziet de moeder geen aanleiding. De moeder stelt dat partijen wel redelijk met elkaar kunnen communiceren en betwist dat sprake zou zijn van een situatie waarbij de minderjarige klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders. Slechts de hoofdverblijfplaats van de minderjarige houdt hen verdeeld.

Ingevolge artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechtbank overweegt dat gebleken is dat de vader geen vertrouwen in de moeder meer heeft door haar vertrek met de minderjarige naar de Verenigde Staten en dat de communicatie tussen partijen daardoor op dit moment niet optimaal is. Van een wijziging van omstandigheden sinds de echtscheidingsbeschikking van 6 maart 2009 is naar het oordeel van de rechtbank in zoverre inderdaad sprake. De rechtbank volgt de vader echter niet in zijn conclusie dat om die reden in het belang van de minderjarige het gezag voortaan alleen aan de vader toe zou moeten komen. De moeder heeft na de beschikking van de Amerikaanse rechter de minderjarige weer teruggebracht naar zijn woonplaats in Nederland. De zorgregeling zoals vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking van 6 maart 2009 wordt weer uitgevoerd. De rechtbank acht partijen nog altijd in staat om hun onderlinge communicatie te verbeteren en in gezamenlijk overleg aan het gezag invulling te geven. Partijen zijn het erover eens dat het eigenlijke geschil ziet op de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het gezag te wijzigen en zal het verzoek van de vader dienaangaande afwijzen.

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling

De vader stelt dat zijn verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem is ingegeven door de wens om te voorkomen dat de moeder opnieuw met de minderjarige verhuist naar de Verenigde Staten. Een verhuizing van de moeder met de minderjarige naar de Verenigde Staten zal er toe leiden dat het huidige intensieve contact tussen de vader en de minderjarige drastisch wordt beperkt, hetgeen niet in het belang is van de minderjarige. Bovendien acht de vader zich de meest geschikte verzorgende ouder voor de minderjarige. De moeder heeft door haar onverwachte vertrek naar de Verenigde Staten laten zien dat zij het belang van de minderjarige niet voorop stelt. Bovendien vermoedt de vader bij de moeder psychische problemen die haar ongeschikt maken als verzorgende ouder.

De moeder wenst zich alsnog in de Verenigde Staten te vestigen. De moeder heeft aangevoerd dat zij in Nederland geen toekomst heeft en dat een verhuizing naar de Verenigde Staten voor haar noodzakelijk is. Daarom is haar verhuizing ook in het belang van de minderjarige nu zijn welzijn immers in het verlengde ligt van haar welzijn als verzorgende ouder. Voor zover de moeder geen toestemming zou krijgen om naar Amerika te verhuizen, ziet zij geen reden om tot wijziging van de hoofdverblijfplaats naar de vader te komen. Er zijn immers geen signalen dat het niet goed zou gaan met de minderjarige. De moeder benadrukt verder dat zij de minderjarige sinds zijn geboorte voornamelijk heeft verzorgd en opgevoed, terwijl de vader voltijds werkte. Verder acht de moeder zichzelf de meest geschikte opvoeder, omdat zij de behoeften van de minderjarige beter aanvoelt. Bovendien heeft (ook) de vader last van psychische problemen, te weten verlatingsangst, aldus de moeder.

De raad heeft ter terechtzitting verklaard dat er een strijd tussen de ouders gaande is, waar de minderjarige niet bij gebaat is. Over de opvoeding door beide ouders zijn nu geen zorgen. Het is niet in het belang van de minderjarige dat hij heen en weer reist tussen Nederland en de Verenigde Staten.

Artikel 1:253a lid 1 BW, zoals dat thans luidt, bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Nu geen vergelijk tussen partijen tot stand gekomen is als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zij alle omstandigheden van het geval in acht dient te nemen. Dit betekent dat de rechtbank naast het belang van de minderjarige, dat zwaar weegt, ook de belangen van de moeder en de vader in haar afweging zal betrekken (HR 25 april 2008, LJN: BC5901).

De rechtbank stelt voorop dat zij bij haar beoordeling uitgaat van de situatie zoals die was voordat de moeder met de minderjarige naar de Verenigde Staten vertrok, omdat dit het moment was waarop zij instemming van de vader of vervangende toestemming van de rechtbank had moeten verkrijgen. Vervolgens overweegt de rechtbank dat het belang van een minderjarige gewoonlijk het meest is gediend bij een frequent contact met zowel de moeder als de vader. Niet gesteld of gebleken is dat dit in dit geval anders zou zijn. Partijen stellen over en weer dat bij de andere ouder sprake zou zijn van psychische problemen. De rechtbank heeft op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat deze veronderstelde problemen (één van) partijen minder geschikt maken voor de rol van verzorgende ouder. De rechtbank is van oordeel dat van wezenlijk en regelmatig contact tussen de minderjarige en de vader geen sprake zal kunnen zijn wanneer de minderjarige in de Verenigde Staten verblijft. De door de moeder aangeboden internationale omgangsregeling maakt dit niet anders, nu niet van een wezenlijk en regelmatig contact kan worden gesproken als de minderjarige de vader slechts enkele keren per jaar ziet. De mogelijkheid van contact via Skype maakt dit niet anders. Overigens is voor de rechtbank onduidelijk of en in hoeverre partijen in staat zijn de kosten van een dergelijke bezoekregeling te betalen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van de minderjarige het meest gediend is als hij in de nabijheid van zowel de moeder als de vader verblijft. Dit geldt te meer nu een zorgregeling geldt waarbij de feitelijke zorg voor de minderjarige gelijk is verdeeld tussen partijen. Handhaving van die situatie acht de rechtbank derhalve in het belang van de minderjarige. De door de moeder gestelde belangen doen aan het voorgaande niet af. Niet is gebleken dat het verblijf in Nederland schadelijk zou zijn voor de minderjarige. Weliswaar heeft de moeder aangevoerd dat zij zelf in Nederland dermate ongelukkig is dat dit zijn weerslag heeft op de minderjarige, echter de moeder is al sinds de geboorte van de minderjarige woonachtig in Nederland en partijen zijn het erover eens dat het goed gaat met de minderjarige. De rechtbank hecht eraan in dit verband op te merken dat de moeder zich onbetrouwbaar heeft getoond in de richting van de vader. De moeder heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de beslissing omtrent de zorgregeling met de minderjarige die in de echtscheidingsbeschikking van 6 maart 2009 is opgenomen. Tijdens de echtscheidingsprocedure was de moeder al van plan om zich in de Verenigde Staten te vestigen. Zij heeft de vader hiervan niet op de hoogte gesteld. Zij wist dus dat de opgenomen zorgregeling niet geëffectueerd zou worden.

De rechtbank is van oordeel dat afweging van alle betrokken belangen ertoe leidt dat het belang van de minderjarige en de vader bij instandhouding van de in voormelde beschikking van 6 maart 2009 bepaalde zorgregeling dient te prevaleren boven de wens van de moeder om te verhuizen. Teneinde de vrees van de vader dat de moeder wederom zonder voorafgaande toestemming met de minderjarige naar de Verenigde Staten zal vertrekken weg te nemen, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader bepalen. De rechtbank ziet hiertoe mede aanleiding gelet op de verklaring van de moeder ter terechtzitting dat zij blijft bij haar voornemen om zich opnieuw te vestigen in de Verenigde Staten. De rechtbank zal derhalve het verzoek van de moeder met betrekking tot toestemming voor de verhuizing naar de Verenigde Staten afwijzen. De moeder heeft daarom geen belang meer bij haar verzoek inzake de zorgregeling, zodat dit eveneens zal worden afgewezen. Dit betekent dat de zorgregeling zoals bepaald bij beschikking van 6 maart 2009 in stand blijft. De rechtbank wijst partijen erop dat zij, aangezien zij gezamenlijk het gezag hebben over de minderjarige, in overleg overeenstemming dienen te bereiken als zij wijzigingen wensen aan te brengen in de zorgregeling rond de minderjarige. Indien partijen daarin niet slagen, dienen zij zich opnieuw tot de rechtbank te wenden.

Ten aanzien van de veroordeling tot nakoming van de zorgregeling en ten aanzien van de verklaring voor recht

De rechtbank volgt de moeder in haar stelling dat voor het verzoek tot nakoming geen grondslag bestaat. Gesteld noch gebleken is dat de moeder de zorgregeling, zoals deze bij beschikking van 6 maart 2009 is bepaald, niet is nagekomen gedurende de periode dat zij in Nederland verbleef. Nu de moeder geen vervangende toestemming krijgt van de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te wijzigen naar de Verenigde Staten ziet de rechtbank geen aanleiding het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder tot nakoming van de beschikking van 6 maart 2009 inzake de zorgregeling toe te wijzen. De rechtbank zal dit verzoek van de vader dan ook afwijzen.

Voorts zal de rechtbank de verzochte verklaring voor recht dat het de moeder niet is toegestaan om met de minderjarige naar het buitenland te verhuizen, eveneens afwijzen, nu de voor de moeder benodigde toestemming voor verhuizing naar Amerika wordt afgewezen. De vader heeft derhalve geen rechtens te respecteren belang bij zijn verzoek.

Ten aanzien van het raadsonderzoek/Ambulatorium

De vader heeft ter terechtzitting aangegeven akkoord te zijn met een raadsonderzoek.

De moeder heeft ter terechtzitting aangegeven dat zij geen heil meer ziet in een raadsonderzoek en heeft gepleit voor een onderzoek door het Ambulatorium.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een dergelijk onderzoek en acht van belang dat de raad ter terechtzitting heeft verklaard dat er geen zorgen zijn over de opvoeding door beide partijen. De rechtbank zal het betreffende zelfstandig verzoek van de moeder afwijzen. De rechtbank benadrukt echter dat partijen moeten leren als ouders van de minderjarige met elkaar samen te werken en respect voor elkaar te tonen in hun rol als opvoeders.

Proceskosten

In het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader en verklaart de beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst alle overige verzoeken af,

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J. Verbeek, kinderrechter, bijgestaan door mr. I.M.H. van der Poel als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2009.