Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5094

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/40251
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting:

Bewaring. Intrekking van het beroep met het toekennen van een schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 09/40251, V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. M.J. van Basten Batenburg, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Faddach, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 3 november 2009 is de rechtbank, door middel van een namens verzoeker ingediend beroepschrift, ervan in kennis gesteld dat verweerder verzoeker op 3 november 2009 in bewaring heeft gesteld.

1.2. Bij faxbericht van 11 november 2009 heeft verzoeker het beroep ingetrokken. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen en verweerder te veroordelen in de proceskosten. De gemachtigde van verzoeker heeft op 11 november 2009 telefonisch meegedeeld dat hij en verzoeker niet ter zitting zullen verschijnen.

1.3. De verzoeken zijn op 12 november 2009 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Verzoeker is niet verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), voor zover hier van belang, kan de rechtbank, indien de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Ingevolge artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb kan de rechtbank, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 veroordelen tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.

Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener hij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.

2.2. Verzoeker heeft zijn beroep ingetrokken nadat verweerder de maatregel van bewaring heeft opgeheven. Blijkens artikel 8:73a van de Awb, dat hier strikt genomen niet kan worden toegepast omdat de wettelijke grondslag voor schadevergoeding in bewaringszaken niet is gelegen in artikel 8:73 van de Awb maar in artikel 106 van de Vw 2000, is de wetgever van oordeel dat de bestuursrechter ook na intrekking van een beroep desgevraagd een schadevergoeding kan toekennen. Deze mogelijkheid wordt in de Vw 2000 niet uitdrukkelijk uitgesloten. Gelet hierop brengt een redelijke uitleg van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verzoeker de rechtbank onder intrekking van zijn beroep kan vragen hem op grond van deze bepaling een schadevergoeding toe te kennen.

Het verzoek om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten is naar moet worden aangenomen gebaseerd op artikel 8:75a van de Awb.

2.3. Dat het ingetrokken beroep van verzoeker strekte tot opheffing van de maatregel van bewaring en dat deze maatregel op 9 november 2009 inderdaad is opgeheven, is op zichzelf geen reden om het verzoek om schadevergoeding in te willigen. Daartoe bestaat slechts aanleiding, indien gelet op de door verzoeker aangevoerde beroepsgronden of wegens schending van een wettelijk voorschrift of rechtsbeginsel op de naleving waarvan de rechtbank ambtshalve moet toezien, moet worden geconcludeerd dat de maatregel niet opgelegd had mogen worden of eerder opgeheven had moeten worden. Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor, waartoe het volgende wordt overwogen.

Verzoeker betwist niet dat de voor uitzetting naar Griekenland benodigde bescheiden ten tijde van het opleggen van de maatregel voorhanden waren of binnenkort voorhanden zouden zijn. Gelet hierop vorderde het belang van de openbare orde ingevolge artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 de inbewaringstelling. Niet op voorhand valt uit te sluiten dat desondanks een lichter middel dan inbewaringstelling moet worden toegepast, maar daartoe zal de vreemdeling zeer bijzondere, specifiek op zijn persoon betrekking hebbende omstandigheden moeten aanvoeren, bijvoorbeeld door aan te tonen dat inbewaringstelling om medische redenen onverantwoord is. De enkele stelling van verzoeker dat met een lichter middel kon worden volstaan omdat hij zich aan zijn meldplicht hield, is mede gezien de wettelijke fictie van artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 onvoldoende om te oordelen dat verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan. Dat verzoeker rechtsmiddelen heeft aangewend om zijn voorgenomen uitzetting naar Griekenland te voorkomen, bevestigt het op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 reeds aanwezig te achten vermoeden van gevaar voor onttrekking van verzoeker aan zijn uitzetting.

Verzoeker heeft niet aangevoerd dat de bewaring gezien de uitspraak van 6 november 2009, waarbij het verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen, eerder opgeheven had moeten worden. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het niet eerder opheffen van de maatregel een schending oplevert van enig voorschrift of rechtsbeginsel op de naleving waarvan de rechtbank ambtshalve moet toezien. Overigens is gesteld noch gebleken dat verweerder de op vrijdag 6 november 2009 verzonden uitspraak van de voorzieningenrechter eerder dan op maandag 9 november 2009 heeft ontvangen.

Ook overigens is niet gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van verzoeker in strijd was met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd was te achten. Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

2.4. Omdat het ingetrokken beroep van verzoeker strekte tot opheffing van de maatregel van bewaring en deze maatregel op 9 november 2009 inderdaad is opgeheven, is verweerder aan verzoeker tegemoetgekomen. Van een tegemoetkomen dat een veroordeling van verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten met toepassing van artikel 8:75a van de Awb rechtvaardigt, is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. Als verzoeker het beroep had gehandhaafd ter verkrijging van schadevergoeding, zou de rechtbank dit beroep gezien het voorafgaande ongegrond hebben verklaard en geen aanleiding hebben gezien voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank acht het ongerijmd om wél een proceskostenveroordeling uit te spreken nu verzoeker ervoor heeft gekozen zijn beroep in te trekken. De rechtbank zal het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten dan ook afwijzen.

2.5. Gelet op artikel 84, aanhef en onder c, van de Awb staat geen hoger beroep open tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het verzoek om schadevergoeding.

Hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank op een verzoek om veroordeling van verweerder in de proceskosten in een zaak waarin artikel 8:54 van de Awb niet is toegepast, is in de Vw 2000 noch in de Wet op de Raad van State uitgesloten van hoger beroep. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank hoger beroep open tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het verzoek om veroordeling van verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Als verzoeker van deze mogelijkheid gebruik wil maken, adviseert de rechtbank hem zekerheidshalve binnen één week hoger beroep in te stellen.

2.6. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

-wijst het verzoek om schadevergoeding af;

-wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten af.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en mr. M. Noordegraaf, griffier, ondertekend.