Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5010

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/25337
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres tot verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Studie (…)’. De maximale verblijfsduur op grond van de door eiseres gevolgde studie is bereikt.

Eiseres voert naar het oordeel van de rechtbank terecht aan dat verweerder in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in haar geval geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van het beleid ten aanzien van de maximale verblijfsduur. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat de maximale verblijfsduur, die twee jaar langer is dan de studielast, in beginsel toereikend kan worden geacht om tegemoet te komen aan eventuele aanpassingsproblemen van buitenlandse studenten en andere vertragende factoren. Het bijzondere van de situatie van eiseres is hierin gelegen dat haar dyslexie een beperking is waarmee zij tijdens haar studie voortdurend te kampen heeft gehad, terwijl de diagnose dyslexie pas in een laat stadium van de studie is gesteld. Eiseres heeft gemotiveerd betoogd dat haar niet kan worden verweten dat de diagnose zo laat is gesteld en zij heeft verklaringen van haar studieadviseur en studentenpsycholoog overgelegd. Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet toegelicht waarom eiseres kan worden verweten dat de diagnose dyslexie niet eerder is gesteld en – in het verlengde hiervan – waarom deze omstandigheid niet noopt tot afwijking van het ter zake gevoerde beleid. Beroep gegrond wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 08/25337, V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. A.J.H.M. Hopmans, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. L.Z. Achouak el Idrissi, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 21 november 2007 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres tot verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'Studie Technische Aardwetenschappen aan de TU Delft'.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 14 december 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 23 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 14 juli 2008 beroep ingesteld.

De zaak is op 24 juni 2009 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, eerste volzin, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

2.1.2. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder n, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) kan de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperking verband houden met het volgen van studie.

2.1.3. Het beleid van verweerder met betrekking tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor het volgen van studie is neergelegd in hoofdstuk B6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000). Volgens paragraaf B6/2.2 van de Vc 2000, voor zover hier van belang, voert verweerder het beleid dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het volgen van een studie een tijdelijk karakter heeft. Voor vreemdelingen die hier te lande verblijf voor studiedoeleinden beogen, geldt een maximale verblijfsduur. De maximale verblijfsduur is afhankelijk van de studielast van de studie/opleiding die wordt gevolgd en bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Na ommekomst van de maximale termijn kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd en kan de vreemdeling evenmin in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor het volgen van een andere studie/opleiding.

2.1.4. Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.2. het bestreden besluit

Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit van 21 november 2007. In het bestreden besluit en het daarin ingelaste primaire besluit heeft verweerder, samengevat, het volgende overwogen.

De maximale verblijfsduur op grond van de door eiseres gevolgde studie is bereikt. De omstandigheid dat eiseres studievertraging heeft opgelopen doordat zij dyslectisch is, is niet zo bijzonder dat de aanvraag in afwijking van het beleid moet worden ingewilligd. In het beleid is rekening gehouden met de mogelijkheid dat een vreemdeling langer over de studie doet dan is voorgeschreven. Met het oog hierop is de maximale verblijfsduur twee jaar langer dan de studielast van de opleiding die wordt gevolgd. Niet valt in te zien waarom de termijn van twee jaar bovenop de studielast niet voldoende zou zijn. Bovendien had het in de rede gelegen dat eiseres de problemen die zij met haar studie had veel eerder had aangepakt en niet pas in het zesde jaar van haar studie. Niet is gebleken dat een beslissing overeenkomstig de beleidsregels leidt tot nadelige gevolgen voor een of meer belanghebbenden die onevenredig zijn in verhouding met de door de beleidsregels te dienen doelen.

2.3. de gronden van het beroep

Eiseres heeft, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het is eerder regel dan uitzondering dat een student langer studeert dan de aangegeven studielast. Dit geldt ook voor Nederlandse studenten. Vreemdelingen hebben te maken met moeilijkere omstandigheden, omdat zij de Nederlandse taal niet zo goed beheersen en zich moeten aanpassen aan de Nederlandse samenleving en het schoolsysteem. De dyslexie van eiseres is een bijzondere omstandigheden waarmee verweerder rekening had moeten houden. Dat de diagnose pas laat is gesteld kan eiseres niet worden verweten. Duidelijk is dat eiseres al lange tijd vanwege problemen contact had met de studieadviseur. De diagnose dyslexie kan enkel door een deskundige worden gesteld en blijkbaar heeft niemand eerder aanleiding gezien voor een onderzoek. Eiseres is van opvatting dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een bijzondere omstandigheid.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Eiseres voert naar het oordeel van de rechtbank terecht aan dat verweerder in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in haar geval geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van het beleid ten aanzien van de maximale verblijfsduur. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat de maximale verblijfsduur, die twee jaar langer is dan de studielast, in beginsel toereikend kan worden geacht om tegemoet te komen aan eventuele aanpassingsproblemen van buitenlandse studenten en andere vertragende factoren. Het bijzondere van de situatie van eiseres is hierin gelegen dat haar dyslexie een beperking is waarmee zij tijdens haar studie voortdurend te kampen heeft gehad, terwijl de diagnose dyslexie pas in een laat stadium van de studie is gesteld. Eiseres heeft gemotiveerd betoogd dat haar niet kan worden verweten dat de diagnose zo laat is gesteld en zij heeft verklaringen van haar studieadviseur en studentenpsycholoog overgelegd. Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet toegelicht waarom eiseres kan worden verweten dat de diagnose dyslexie niet eerder is gesteld en - in het verlengde hiervan - waarom deze omstandigheid niet noopt tot afwijking van het ter zake gevoerde beleid.

2.4.2. Nu het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Verweerder dient in het nieuw te nemen besluit op bezwaar aandacht te besteden aan het ter zitting door eiseres gedane beroep op artikel 12 van Richtlijn 2004/114/EG.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres in beroep nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat aan eiseres ter zake van het onderhavige geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,-- vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, in tegenwoordigheid van

E. Naaijen - van Kleunen, griffier, en door de rechter ondertekend.

De griffier is buiten staat deze De rechter,

uitspraak mede te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op: 1 september 2009

Afschrift verzonden op: