Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4992

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/7135
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU3412, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, heeft op 3 november 2009 uitspraak gedaan op het beroep van een Turkse vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Volgens de rechtbank moet de Staatssecretaris van Justitie nader onderzoeken of de vreemdeling een verblijfsvergunning was verleend als het zogenoemde driejarenbeleid niet was afgeschaft en, zo ja, of de afschaffing van dat beleid in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG/Turkije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 09/7135, V-nummer: 170.016.2695,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[naam], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M. Kobus, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 1 mei 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid als zelfstandige'.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 mei 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 oktober 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 31 oktober 2007 beroep ingesteld.

Bij brief van 28 mei 2008 heeft verweerder het besluit van 3 oktober 2007 ingetrokken.

Bij besluit van 19 februari 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 2 maart 2009 beroep ingesteld.

De zaak is op 26 augustus 2009 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen bij mr. P.H. van Akenborgh, kantoorgenoot van zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 16 september 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht nadere inlichtingen te geven.

Bij faxbericht van 1 oktober 2009 heeft verweerder gereageerd op de beslissing van de rechtbank.

Bij brief van 3 oktober 2009 heeft eiser gereageerd op het faxbericht van 1 oktober 2009 van verweerder.

Bij faxberichten van 23 en 28 oktober 2009 hebben onderscheidenlijk verweerder en eiser de rechtbank toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

2.1.2. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) kan de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperking verband houden met het verrichten van arbeid als zelfstandige.

Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking, verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die:

a) arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend;

b) uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft, en

c) voldoet aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van die arbeid en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf.

2.1.3. Met ingang van 4 januari 2008 voert verweerder blijkens paragraaf B5/7.3.1 van de Vc 2000 het beleid dat bij het beantwoorden van de vraag of met de arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederland belang wordt gediend, gebruik wordt gemaakt van een puntensysteem, op basis waarvan de Minister van Economische Zaken verweerder advies geeft.

2.1.4. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna: Aanvullend Protocol), in werking getreden op 1 januari 1973, voeren de Overeenkomstsluitende Partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.

2.2. het bestreden besluit

Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit van 1 mei 2006. In het bestreden besluit heeft verweerder, samengevat, het volgende overwogen.

Met de aanwezigheid van eiser in Nederland wordt gelet op het negatieve advies van de Minister van Economische Zaken geen wezenlijk Nederlands belang gediend. Gelet hierop kan het vereiste dat eiser beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) als niet-zelfstandige afwijzingsgrond worden gehanteerd. Er is geen reden om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste.

2.3. de gronden van het beroep

Eiser heeft, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het bestreden besluit is in strijd met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. De uitspraken van 11 maart 2004 (JV 2004, 189) en 20 mei 2005 (JV 2005, 261) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) zijn achterhaald door het arrest van 20 september 2007 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) inzake [naam] en [naam] (JV 2007, 494). Het adviseringsbeleid van de Minister van Economische Zaken is sinds 1 januari 1973 aangescherpt, zoals blijkt uit diens brief van 4 november 1992 aan verweerder (Staatscourant 22 december 1992, bladzijde 7). Deze aanscherping is een door artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol verboden nieuwe beperking. Hetzelfde geldt voor de afschaffing van het driejarenbeleid.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de Afdeling in haar uitspraken van 11 maart 2004 en 20 mei 2005 heeft geoordeeld dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat het toelatingsbeleid voor vreemdelingen die in Nederland arbeid als zelfstandige willen verrichten in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Het betoog van eiser bevat geen aanknopingspunten voor de conclusie dat deze jurisprudentie niet langer kan worden gevolgd. Het aanvullend beroepschrift van eiser komt vrijwel letterlijk overeen met het hoger beroepschrift tegen de uitspraak van 14 augustus 2008 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg, in de zaak met procedurenummer AWB 08/26462. In die uitspraak heeft nevenzittingsplaats Middelburg de jurisprudentie van de Afdeling uit 2004 en 2005 gevolgd. Bij uitspraak van 10 februari 2009 (zaaknummer 200806930/1; www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling de uitspraak van 14 augustus 2008 van nevenzittingsplaats Middelburg met de verkorte motivering bevestigd. Dit duidt er niet op dat het betoog van eiser voor de Afdeling aanleiding vormt haar jurisprudentie te wijzigen.

Ter zitting heeft de rechtbank de (waarnemend) gemachtigde van eiser gevraagd om een toelichting op het standpunt van eiser dat de brief van 4 november 1992 van de Minister van Economische Zaken een beleidswijziging inhoudt die het voor eiser moeilijker maakt om een verblijfsvergunning te verkrijgen. De gemachtigde van eiser heeft geantwoord dat hij de tekst van de brief van 4 november 1992 niet kent, maar dat een verduidelijking in de praktijk altijd neerkomt op een aanscherping. Deze niet onderbouwde stelling kan naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn algemeenheid worden gevolgd. Evenmin kan worden gezegd dat bij lezing van de brief van 4 november 1992 zo duidelijk is dat deze brief een beleidswijziging inhoudt die het voor eiser moeilijker maakt een verblijfsvergunning te verkrijgen dat deze stelling van eiser geen toelichting behoeft. Het beroep van eiser op deze brief kan dan ook niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser ter zitting gevraagd of er nog andere redenen zijn om aan te nemen dat het voor eiser sinds 1 januari 1973 moeilijker is geworden om een verblijfsvergunning te verkrijgen, waarop namens eiser is gewezen op het onder 2.1.3. bedoelde puntensysteem. Namens eiser is gesteld dat vóór de invoering van het puntensysteem uitsluitend werd beoordeeld of de arbeid als zelfstandige toegevoegde waarde heeft, terwijl sinds invoering van het puntensysteem ook andere eisen worden gesteld. Daargelaten of deze stelling juist is, is de aanvraag van eiser mede afgewezen op de grond dat de arbeid als zelfstandige die hij wil gaan verrichten voor Nederland geen toegevoegde waarde heeft. Gelet hierop ziet de rechtbank in de namens eiser gemaakte opmerkingen over het puntensysteem geen grond voor het oordeel dat eiser in aanmerking was gekomen voor de gevraagde verblijfsvergunning als het puntensysteem niet was ingevoerd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser de juistheid van het voor hem negatieve advies van de Minister van Economische Zaken niet heeft betwist.

Het beroep van eiser op artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol faalt in zoverre.

2.4.2. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de beroepsgrond van eiser tegen de afschaffing van het driejarenbeleid buiten beschouwing moet worden gelaten omdat deze beroepsgrond pas bij de rechtbank naar voren is gebracht. In haar uitspraak van 15 november 2004 (JV 2005, 42) heeft de Afdeling overwogen dat de toetsing door de rechtbank van een besluit naar de feiten en omstandigheden ten tijde daarvan er niet aan in de weg staat en dat ook overigens geen rechtsregel verbiedt dat, binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van dat besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in bezwaar naar voren zijn gebracht. Gelet hierop en gezien het feit dat de onderhavige beroepsgrond vierenhalve maand voor de zitting is aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om deze beroepsgrond ter bescherming van de goede procesorde of om een andere reden buiten beschouwing te laten.

Verweerder heeft in twijfel getrokken dat sprake is van drie jaar relevant tijdsverloop in de zin van het voormalige driejarenbeleid. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat niet wordt betwist dat sprake is van drie jaar tijdsverloop, maar dat niet bevestigd kan worden dat dit tijdsverloop relevant is. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verweerder nogmaals gevraagd of eiser in aanmerking was gekomen voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid als dat beleid niet was afgeschaft. Bij faxbericht van 1 oktober 2009 heeft verweerder weliswaar gereageerd op deze vraag van de rechtbank, maar verweerder heeft de vraag van de rechtbank niet beantwoord, naar de rechtbank begrijpt omdat verweerder deze vraag niet relevant acht. De rechtbank heeft geen reden gezien om deze vraag voor de derde keer aan verweerder te stellen. De rechtbank concludeert dat verweerder de stelling van eiser dat hij een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid had gekregen als dat beleid niet was afgeschaft niet gemotiveerd heeft weerlegd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol niet van toepassing is op de afschaffing van begunstigend beleid dat na 1 januari 1973 is ingevoerd. Dit standpunt kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer voor juist worden gehouden. Bij uitspraken van 24 juli 2009 (zaaknummers 200803358/1 en 200804679/1; www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het Hof van Justitie gevraagd of, samengevat en vereenvoudigd weergegeven, artikel 13 van Besluit 1/80 in de weg staat aan de afschaffing van een na inwerkingtreding van Besluit 1/80 doorgevoerde versoepeling van het toelatingsbeleid. Zoals de Afdeling in haar uitspraken van 24 juli 2009 heeft overwogen, hebben artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol en artikel 13 van Besluit 1/80 dezelfde betekenis, zodat het antwoord van het Hof van Justitie op de door de Afdeling gestelde vragen ook van belang is voor de onderhavige procedure. De afschaffing van het driejarenbeleid ontneemt Turkse vreemdelingen die zich op dit beleid hadden kunnen beroepen als het niet was afgeschaft immers een mogelijkheid om zich legaal in Nederland te vestigen en arbeid als zelfstandige te gaan verrichten.

Verder heeft verweerder aangevoerd dat het Vb 2000 niet langer de mogelijkheid biedt tot verlening van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het zogenoemde driejarenbeleid en dat een dergelijke vergunning ingevolge artikel 3.6 van het Vb 2000 ook niet ambtshalve kan worden verleend. Ook deze argumenten acht de rechtbank niet steekhoudend. Als het Hof van Justitie zou oordelen dat artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol de afschaffing verbiedt van na 1 januari 1973 ingevoerd beleid, indien en voor zover deze afschaffing tot gevolg heeft dat het voor Turkse zelfstandigen moeilijker wordt om zich in Nederland te vestigen, zal aan eiser naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een verblijfsvergunning moeten worden verleend als hij voldoet aan de voorwaarden voor toelating op grond van het driejarenbeleid zoals dat in het verleden is gevoerd. Voor zover noodzakelijk zal nationale wet- en regelgeving die daaraan in de weg staat ten aanzien van eiser buiten toepassing moeten worden gelaten. Omdat indiening van een daartoe strekkende aanvraag onder de oude Vreemdelingenwet niet noodzakelijk was voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid, kan evenmin op voorhand worden gezegd dat het standpunt van verweerder dat ambtshalve verlening van een dergelijke vergunning niet (langer) mogelijk is, in overeenstemming is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol.

2.4.3. De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepsgrond inzake de afschaffing van het driejarenbeleid in zoverre slaagt dat de door verweerder genoemde argumenten om dit beroep buiten beschouwing te laten of af te wijzen niet overtuigend zijn. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Verweerder zal alsnog moeten onderzoeken of eiser in aanmerking was gekomen voor een vergunning wegens tijdsverloop als het daarop betrekking hebbende beleid niet was afgeschaft. Als dit onderzoek voor eiser negatief uitvalt, kan het beroep van eiser op artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Als dit onderzoek voor eiser positief uitvalt, is het vervolgens aan verweerder om zich, gelet op de door de Afdeling aan het Hof van Justitie gestelde vragen en de overwegingen die de Afdeling ertoe hebben gebracht deze vragen te stellen, nader te beraden op zijn standpunt dat artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol niet van toepassing is op de afschaffing van na 1 januari 1973 ingevoerd begunstigend beleid.

2.4.4. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Op 1 oktober 2009 is in werking getreden het Besluit houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) in verband met de indexering van bedragen in die bijlage. Artikel II van het Besluit bepaalt dat ten aanzien van bezwaar of beroep dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, de bijlage bij het Bpb van toepassing blijft zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Met inachtneming hiervan zijn de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Bpb vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser in beroep nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat aan eiser ter zake van het onderhavige geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

2.4.5. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, in tegenwoordigheid van H.D.A. van Ingen, griffier, en door de rechter ondertekend.

De griffier is buiten staat deze De rechter,

uitspraak mede te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op: 3 november 2009

Afschrift verzonden op: