Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4918

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/26508
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / Syrië / individueel ambtsbericht / nieuwe feiten en omstandigheden

Als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid moet volgens eiser worden aangemerkt de brief van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de Afdeling van 24 oktober 2006. Uit deze brief blijkt dat de Minister van Buitenlandse Zaken de volledigheid van de signaleringslijsten van gezochte Syriërs niet kan garanderen vanwege het aantal geheime en veiligheidsdiensten in Syrië en hun werkwijzen.

Eiser heeft in eerdere asielprocedures ter onderbouwing van zijn asielrelaas verschillende documenten overgelegd. Blijkens de individuele ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken zijn de betreffende documenten niet authentiek.

Gelet op de inhoud van de brief van 24 oktober 2006, en ook gelet op het rapport van de Nationale Ombudsman (2007/200) acht eiser het goed mogelijk dat de betreffende documenten niet authentiek zijn bevonden, omdat eiser niet op de lijst van gezochte personen voorkwam. Nu verweerder geen inzage heeft gehad in de stukken die aan de individuele ambtsberichten ten grondslag liggen, valt het volgens eiser niet uit te sluiten dat verweerder (in de eerdere procedures) op onjuiste gronden tot het oordeel is gekomen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig moet worden geacht. Volgens eiser is sprake van een rechtens relevant nieuw feit dat tot heroverweging van het eerdere besluit had kunnen leiden, indien deze informatie eerder bij verweerder bekend was geweest. Gelet hierop heeft eiser de rechtbank verzocht om de stukken die aan de individuele ambtsberichten ten grondslag hebben gelegen, op te vragen.

De rechtbank heeft het voor de beoordeling of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin noodzakelijk geacht de stukken die aan de hiervoor genoemde individuele ambtsberichten ten grondslag hebben gelegd, op te vragen.

De rechtbank is thans niet in staat zich een oordeel te vormen over de vraag of sprake is van een nieuw feit als bedoeld in rechtsoverweging 3.2. De oorzaak daarvan is niet gelegen in het uitblijven van toestemming van eiser om op basis van stukken die slechts aan de rechtbank bekend worden gemaakt uitspraak te doen, maar in de weigering van de Minister van Buitenlandse Zaken om deze stukken aan de rechtbank te overleggen. Dit valt eiser niet aan te rekenen, zodat de omstandigheid dat de rechtbank zich geen oordeel kan vormen, voor rekening en risico van verweerder komt.

Hieruit volgt, dat het ervoor moet worden gehouden dat de brief van 24 oktober 2006 een nieuw feit is waarvan niet op voorhand vaststaat dat het niet kan afdoen aan het eerdere besluit. De rechtbank komt derhalve toe aan een inhoudelijke toetsing van het bestreden besluit.

Het bestreden besluit wordt gedragen door de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken. De rechtbank kan niet vaststellen of de conclusies uit deze ambtsberichten kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde stukken door omstandigheden die niet voor eisers rekening en risico komen, terwijl er wel een concreet aanknopingspunt is om te twijfelen aan de juistheid van de ambtsberichten. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de conclusies uit de ambtsberichten niet kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde stukken, zodat het bestreden besluit hierop niet kon worden gebaseerd.

Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/44

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 08/26508

V-nummer [nummer]

Inzake: [naam], eiser,

gemachtigde mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde mr. C. Brand.

I Procesverloop

1 Eiser, geboren op [dag en maand] 1971, bezit de Syrische nationaliteit. Hij verblijft sinds 6 juni 1995 als vreemdeling in Nederland. Bij brief van 30 januari 2003 heeft eiser aandacht gevraagd voor zijn situatie. Bij brief van 30 oktober 2006 heeft verweerder deze brief aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op 15 mei 2008 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt tot afwijzing van de aanvraag. Op 11 juni 2008 heeft eiser zijn zienswijze hierop naar voren gebracht. Bij besluit van

26 juni 2008 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2 Op 23 juli 2008 heeft eiser tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 maart 2009. Ter zitting is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

4 Aangezien het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet volledig is geweest, heeft de rechtbank het onderzoek heropend om nadere inlichtingen in te winnen bij de Minister van Buitenlandse Zaken over de individuele ambtsberichten van 21 december 1995 en 20 januari 1997 en de daaraan ten grondslag liggende stukken op te vragen. Bij brief van 19 maart 2009 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken op het verzoek van de rechtbank gereageerd en een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op 5 juni 2009 heeft een enkelvoudige kamer van deze rechtbank uitspraak gedaan ten aanzien van het beroep van de Minister van Buitenlandse Zaken op artikel 8:29 van de Awb. Bij brief van 22 juni 2009 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken op de hiervoor genoemde uitspraak gereageerd. Verweerder heeft op 14 juli 2009 en op 16 juli 2009 op de hiervoor genoemde uitspraak en op de reactie van de Minister van Buitenlandse Zaken gereageerd. Eiser heeft op 24 juli 2009 een reactie ingezonden.

5 Nadat partijen ermee hebben ingestemd dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak doet, heeft de rechtbank op 20 oktober 2009 het onderzoek gesloten.

II Overwegingen

1 Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd en handhaaft zijn standpunt dat eiser geen feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt op basis waarvan zijn situatie onder een van de gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 valt. Voorts heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder k, van dat artikel, aangezien eiser een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

2 In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Eiser heeft gegronde vrees voor vervolging en bij gedwongen terugkeer loopt hij een reëel risico te worden onderworpen aan artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter zitting heeft eiser zijn beroep op Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus ingetrokken.

3 De rechtbank overweegt het volgende.

3.1 De rechtbank stelt vast dat aan de onderhavige procedure een aantal procedures vooraf is gegaan. Eiser heeft op 7 juni 1995, 18 oktober 1996, 20 september 1999 aanvragen ingediend om als vluchteling te worden toegelaten. Deze zijn alle afgewezen en de beroepen hiertegen zijn alle ongegrond verklaard.

3.2 Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer de uitspraak van 28 mei 2008 (LJN BD3194), volgt dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit hetgeen is aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, toetsen.

Het bestreden besluit van 26 juni 2008 is een besluit van gelijke strekking, nu dit besluit, net zoals de eerdere afwijzende besluiten van 29 juni 1995, 10 september 1998 en 14 juni 2002, strekt tot weigering aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Dit betekent dat het hiervoor uiteengezette toetsingskader van toepassing is in deze zaak.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd. Indien dergelijke feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, is niettemin geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

3.3.1 Als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid moet volgens eiser worden aangemerkt de brief van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de Afdeling van 24 oktober 2006. Uit deze brief blijkt dat de Minister van Buitenlandse Zaken de volledigheid van de signaleringslijsten van gezochte Syriërs niet kan garanderen vanwege het aantal geheime en veiligheidsdiensten in Syrië en hun werkwijzen.

Eiser heeft in eerdere asielprocedures ter onderbouwing van zijn asielrelaas verschillende documenten overgelegd, waaronder een vonnis van de Syrische rechtbank voor gemeenschapsgebeurtenissen te Daraa van 11 oktober 1987 waarbij eiser tot twee jaar is veroordeeld wegens het raken van godsdienstige gevoelens en een vonnis van de Syrische rechtbank voor strafzaken te Daraa van 9 mei 1995 waarbij eiser is veroordeeld tot drie jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf met dwangarbeid en een geldboete wegens het plegen van een misdrijf tegen de binnenlandse veiligheid van de staat. Blijkens de individuele ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken van 21 december 1995 en 20 januari 1997 zijn de betreffende documenten niet authentiek.

Gelet op de inhoud van de brief van 24 oktober 2006, en ook gelet op het rapport van de Nationale Ombudsman (2007/200) acht eiser het goed mogelijk dat de betreffende documenten niet authentiek zijn bevonden, omdat eiser niet op de lijst van gezochte personen voorkwam. Nu verweerder geen inzage heeft gehad in de stukken die aan de individuele ambtsberichten ten grondslag liggen, valt het volgens eiser niet uit te sluiten dat verweerder (in de eerdere procedures) op onjuiste gronden tot het oordeel is gekomen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig moet worden geacht. Volgens eiser is sprake van een rechtens relevant nieuw feit dat tot heroverweging van het eerdere besluit had kunnen leiden, indien deze informatie eerder bij verweerder bekend was geweest. Gelet hierop heeft eiser de rechtbank verzocht om de stukken die aan de individuele ambtsberichten ten grondslag hebben gelegen, op te vragen.

3.3.2 De rechtbank heeft het voor de beoordeling of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin noodzakelijk geacht de stukken die aan de hiervoor genoemde individuele ambtsberichten ten grondslag hebben gelegd, op te vragen.

3.3.3 Bij brief van 19 maart 2009 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de stukken die aan de betreffende ambtsberichten ten grondslag hebben gelegen, aan de rechtbank toegezonden. Daarbij heeft de Minister van Buitenlandse Zaken met een beroep op artikel 8:29 van de Awb aangegeven dat er gewichtige redenen zijn die beperkte kennisneming door de rechtbank van bepaalde gedeelten in onderliggende stukken rechtvaardigen.

Bij uitspraak van 5 juni 2009 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming ten dele gerechtvaardigd is en ten dele niet gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft de zaak terug verwezen naar de Minister van Buitenlandse Zaken.

Bij brief van 22 juni 2009 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken bericht dat niet kan worden ingestemd met openbaarmaking van de passages waarvan de rechtbank in de hiervoor genoemde uitspraak heeft geoordeeld dat kennisgeving gerechtvaardigd is. Verweerder heeft zich bij brief van 14 juli 2009 achter dit standpunt geschaard.

3.3.4 De rechtbank is thans niet in staat zich een oordeel te vormen over de vraag of sprake is van een nieuw feit als bedoeld in rechtsoverweging 3.2. De oorzaak daarvan is niet gelegen in het uitblijven van toestemming van eiser om op basis van stukken die slechts aan de recht¬bank bekend worden gemaakt uitspraak te doen, maar in de weigering van de Minister van Buitenlandse Zaken om deze stukken aan de recht¬bank te overleggen. Dit valt eiser niet aan te rekenen, zodat de omstandigheid dat de recht¬bank zich geen oordeel kan vormen, voor rekening en risico van verweerder komt.

Hieruit volgt, dat het ervoor moet worden gehouden dat de brief van 24 oktober 2006 een nieuw feit is waarvan niet op voorhand vaststaat dat het niet kan afdoen aan het eerdere besluit. De recht¬bank komt derhalve toe aan een inhoudelijke toetsing van het bestreden besluit.

3.4 Het bestreden besluit wordt gedragen door de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken. De recht¬bank kan niet vaststellen of de conclusies uit deze ambtsberichten kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde stukken door omstandig¬heden die niet voor eisers rekening en risico komen, terwijl er wel een concreet aanknopingspunt is om te twijfelen aan de juistheid van de ambts¬berichten. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de conclusies uit de ambtsberichten niet kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde stukken, zodat het bestreden besluit hierop niet kon worden gebaseerd.

Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

3.5 Aan bespreking van het overig aangevoerde komt de rechtbank niet toe.

3.6 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van beroep, vastgesteld op € 966,= (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en tweemaal 0,5 punt voor de schriftelijke reactie in de procedure in het kader van artikel 8:29 van de Awb en de schriftelijke reactie na afloop daarvan, met een waarde per punt van € 322,= en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 966,= en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 19 23 25 892) worden betaald.

Aldus gedaan door mr. drs. J. van den Bos, voorzitter, mr. C. Laukens en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier.

De griffier,

De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 25 november 2009.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: