Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4914

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
Awb 08/17542
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM6889, Niet ontvankelijk
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP5116, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zoals ook de Afdeling in haar uitspraak van 14 november 2001 (LJN AD9188) overwoog, zijn partijen, ingevolge de artikelen 8:28, 8:45 en 8:31 van de Awb, in onderling verband gelezen, gehouden aan de rechtbank de schriftelijke informatie waarom zij verzoekt, te verschaffen. Daarbij past het niet dat een partij weigert inlichtingen te verstrekken omdat zij van mening is dat deze niet van belang zijn voor de beoordeling van het geschil. Nu verweerder heeft geweigerd een deel van de vragen te beantwoorden, moet reeds hierom worden geoordeeld dat hij niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan en kan de rechtbank hieruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.

De verzochte informatie is van belang voor de beoordeling van het geschil. Gelet op de gemotiveerde betwisting van eiser lag het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat de vergunningverlening aan [naam] een ambtelijke misslag is geweest door de gegevens te overleggen die betrekking hebben op de andere medeplegers. Nu verweerder dit, ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe, heeft nagelaten, trekt de rechtbank hieruit de gevolgtrekking dat de weigering eiser de gevraagde vergunning te verlenen, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Gelet hierop, is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 08/17542

V-nummer: [nummer]

Inzake: [naam], eiser,

gemachtigde mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde mr. C. Brand.

I Procesverloop

1 Eiser, geboren op [dag en maand] 1971, bezit de Syrische nationaliteit. Hij verblijft sinds 6 juni 1995 als vreemdeling in Nederland. Bij brieven van 30 januari 2003 en

21 december 2004 heeft eiser aandacht gevraagd voor zijn schrijnende situatie en verweerder verzocht gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om hem een verblijfsvergunning te verlenen. Op 1 augustus 2007 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Verweerder heeft bij besluit van 21 april 2008 het bezwaar ongegrond verklaard en de gevraagde vergunning geweigerd.

2 Op 15 mei 2008 heeft eiser tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 maart 2009. Ter zitting is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

4 Aangezien het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet volledig is geweest heeft de rechtbank het onderzoek heropend om nadere inlichtingen in te winnen bij verweerder over de vergunningverlening aan de medeplegers van de gijzeling waarvoor eiser is veroordeeld. Bij brief van 26 juni 2009 heeft verweerder hierop gereageerd. Eiser heeft op 10 juli 2009 op de reactie van verweerder gereageerd.

5 Nadat partijen ermee hebben ingestemd dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak doet, heeft de rechtbank op 20 oktober 2009 het onderzoek gesloten.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

1.2 Ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder een andere beperking dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000 worden verleend, tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van verweerder de indiening van een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 noodzakelijk is.

1.3 Ingevolge artikel 8:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, zijn partijen aan wie door de rechtbank is verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, verplicht de verlangde inlichtingen te geven.

1.4 Ingevolge artikel 8:45, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank partijen en anderen verzoeken binnen een door haar te bepalen termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden.

Ingevolge artikel 8:45, tweede lid, van de Awb zijn bestuursorganen, ook als zij geen partij zijn, verplicht aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, te voldoen. Artikel 8:29 van de Awb is van overeenkomstige toepassing.

1.5 Ingevolge artikel 8:31 van de Awb kan de rechtbank, indien een partij niet voldoen aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, van de Awb, daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.

2 Het bestreden besluit strekt tot weigering eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van schrijnendheid van eisers situatie.

3 In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte geen verblijfsvergunning wegens schrijnende omstandigheden heeft verleend. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de belangen van het kind, de omstandigheid dat aan één van de medeplegers van de gijzeling wel een verblijfsvergunning is verleend, de positie van vrouwen in Syrië alsmede de mensenrechtensituatie aldaar, het feit dat eiser in Nederland een eigen bedrijf en een eigen woning heeft. Tevens is van belang dat verweerder, gezien de trage besluitvorming, kennelijk geen groot belang hecht aan het vertrek van eiser en zijn gezin uit Nederland. Eiser heeft tevens een beroep gedaan op

artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4 De rechtbank overweegt het volgende.

4.1 In het bestreden besluit heeft verweerder beoordeeld of sprake is van een schrijnende situatie aan de hand van het kader zoals uiteengezet in de brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 21 februari 2007 (TK 19 637, nr. 1131).

4.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen betekenis hoeven hechten aan de omstandigheid dat eiser sinds 1995 in Nederland verblijft, hier een eigen bedrijf en een eigen woning heeft. Evenmin komt betekenis toe aan de stelling van eiser dat zijn langdurig verblijf te wijten is aan de trage besluitvorming door verweerder. Immers, volgens het in de brief van 21 februari 2007 uiteengezette kader wordt geen zelfstandige betekenis toegekend aan verblijf langer dan vijf jaar in Nederland. Verblijf van vijf jaar wordt weliswaar als minimum gehanteerd, maar steeds moet daarenboven sprake zijn van bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard.

4.3 Voor zover eiser als bijkomende klemmende reden van humanitaire aard heeft gewezen op zijn psychische problemen, heeft verweerder deze buiten beschouwing mogen laten, nu eiser zijn psychische problemen niet heeft onderbouwd met medische stukken waaruit deze problematiek blijkt.

Het enkele beroep op de mensenrechtensituatie in Syrië, met name waar het de positie van vrouwen betreft, leidt evenmin tot het oordeel dat sprake is van een bijkomende klemmende reden van humanitaire aard.

Daarnaast bestaat ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind, nu verweerder in het bestreden besluit heeft gemotiveerd waarom de situatie van de kinderen van eiser er niet toe leidt dat sprake is van een schrijnende situatie.

4.4.1 Uit de brief van 21 februari 2007 blijkt dat voorts criminele antecedenten als contra-indicatie worden meegewogen. Zoals blijkt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 juli 2007 is eiser door de rechtbank Alkmaar op 10 november 2004 wegens het medeplegen van gijzeling veroordeeld tot 269 dagen gevangenisstraf waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot 120 uren werkstraf subsidiair 60 dagen hechtenis. Nu sprake is van een contra-indicatie heeft verweerder de vergunning geweigerd.

4.4.2 Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, nu medeplegers van het strafbare feit waarvoor eiser is veroordeeld, eveneens daarvoor zijn veroordeeld en desondanks in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning. Eiser heeft daarbij een medepleger bij naam genoemd, te weten [naam]. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat aspecten die de openbare orde betreffen destijds geen consequenties hebben gehad voor de door eiser genoemde vreemdeling, terwijl dat volgens het toepasselijke beleid wel het geval had moeten zijn. Dat thans van een ambtelijke misslag is gebleken, betekent volgens verweerder niet dat eiser een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt.

4.4.3 De rechtbank heeft het voor de beoordeling noodzakelijk geacht verweerder nadere informatie te vragen over de vergunningverlening aan de medeplegers van de gijzeling waarvoor eiser is veroordeeld. Bij brief van 6 maart 2009 heeft de rechtbank de volgende vragen aan verweerder gesteld:

1. Welke vergunningen zijn aan de medeplegers verleend?

2. Om hoeveel verleende vergunningen gaat het?

3. Wat was bij het verlenen van de vergunning bij verweerder bekend omtrent het strafblad van de betreffende vreemdeling en de rol die de betreffende vreemdeling speelde in de gijzeling waarvoor eiser is veroordeeld?

4. Op welke wijze is met de kennis, bedoeld in vraag 3, rekening gehouden en waaruit blijkt dit?

Daarbij heeft de rechtbank verweerder verzocht de beschikkingen waarbij de vergunningen zijn verleend in te zenden, alsmede de minuten die daaraan ten grondslag liggen.

Verweerder heeft hierop gereageerd bij faxbericht van 26 juni 2009. In deze reactie stelt verweerder dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet verder strekt dan een verwijzing naar de zaak van [naam]. Nu eiser voor zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft verwezen naar de zaken van de andere mededaders, ziet verweerder geen grond om de andere zaken bij de beoordeling van het beroep van eiser te betrekken en heeft verweerder zich om die reden op het standpunt gesteld dat hij de inhoudelijke vragen van de rechtbank met betrekking tot de andere mededaders dan [naam] niet hoeft te beantwoorden. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de zaak waarnaar eiser in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verwezen niet identiek is aan zijn zaak, aangezien aan [naam] een verblijfsvergunning asiel is verleend die later is omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, terwijl eiser nooit een verblijfsvergunning heeft gehad en de onderhavige aanvraag betrekking heeft op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder is van mening dat de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan [naam] berust op een ambtelijke misslag. Dit betekent volgens verweerder echter niet dat eiser daar thans een beroep op kan doen.

4.4.4 Zoals ook de Afdeling in haar uitspraak van 14 november 2001 (LJN AD9188) overwoog, zijn partijen, ingevolge de artikelen 8:28, 8:45 en 8:31 van de Awb, in onderling verband gelezen, gehouden aan de recht¬bank de schriftelijke informatie waarom zij verzoekt, te verschaffen. Daarbij past het niet dat een partij weigert inlichtingen te verstrekken omdat zij van mening is dat deze niet van belang zijn voor de beoordeling van het geschil. Nu verweerder heeft geweigerd een deel van de vragen te beantwoorden, moet reeds hierom worden geoordeeld dat hij niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan en kan de recht¬bank hieruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.

De verzochte informatie is van belang voor de beoordeling van het geschil. Vaststaat dat aan [naam] een vergunning is verleend, ondanks het feit dat hij medepleger is van het feit waarvoor eiser is veroordeeld. Eiser heeft verweerders standpunt, dat sprake is van een ambtelijke misslag die niet hoeft te worden herhaald, gemotiveerd betwist door te stellen dat ook andere medeplegers een vergunning is verleend, ondanks hun veroordelingen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting lag het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat de vergunningverlening aan [naam] een ambtelijke misslag is geweest door de gegevens te overleggen die betrekking hebben op de andere medeplegers. Nu verweerder dit, ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe, heeft nagelaten, trekt de recht¬bank hieruit de gevolg¬trekking dat de weigering eiser de gevraagde vergunning te verlenen, in strijd is met het gelijkheids¬beginsel. Gelet hierop, is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd.

Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking.

4.5 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van

artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van dit beroep, vastgesteld op € 483,= (1 punt voor het beroepschrift en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op de door verweerder gegeven inlichtingen met een waarde per punt van € 322,= en wegingsfactor 1; voor het verschijnen ter zitting wordt geen punt toegekend, nu deze zaak gelijktijdig met het beroep van eiser onder nummer

AWB 08/26508 is behandeld en in die zaak reeds een vergoeding voor het verschijnen ter zitting is toegekend). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 483,= en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 19 23 25 892) worden betaald.

5 bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 145,= vergoedt.

Aldus gedaan door mr. drs. J. van den Bos, voorzitter, mr. C. Laukens en

mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 25 november 2009.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: