Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4691

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
09/758242-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot moord. Verdachte heeft geprobeerd een HTM medewerker (trambeveiliger) door middel van messteken van het leven te beroven. Gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/758242-09

Datum uitspraak: 27 november 2009

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

adres: [adres].

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Midden Holland – HvB De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 november 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr P.J. Hoogendam, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr I.W. Streefland-Brink heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder primair - poging tot doodslag - ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.015,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 6.015,00, subsidiair 65 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [X].

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

hij op of omstreeks 03 augustus 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade [X] van het leven te beroven, met dat opzet en

al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [X] meermalen met een

mes in het (boven)lichaam en/of de benen heeft gestoken, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 augustus 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [X],

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad die [X]

meermalen met een mes in het (boven)lichaam en/of de benen heeft gestoken

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijsoverweging.

Verdachte was op 3 augustus 2009 thuis aanwezig en wachtte op zijn vriendin. Omstreeks 20:46 uur die avond heeft verdachte telefonisch contact met zijn vriendin. Zij heeft verdachte verteld dat zij kort daarvoor door een HTM medewerker, namelijk “die dikke Hollandse jongen”, in haar buik was geschopt. Verdachte kende de betreffende HTM medewerker omdat hij dagelijks gebruik maakt van die tramlijn waarin de HTM medewerker dienst heeft. Nadat verdachte het gesprek met zijn vriendin heeft beëindigd, heeft hij een mes gepakt en is hij direct in de richting van de eindhalte van lijn 9 gelopen. Verdachte ging - naar eigen zeggen - naar de eindhalte om verhaal te halen.

Kort nadat verdachte zijn woning had verlaten, zag hij de betreffende HTM medewerker aan de andere kant van de straat aan komen lopen. Daarop is verdachte de straat overgestoken en heeft hij de HTM medewerker direct met het mes een paar keer in zijn bovenlichaam gestoken waarbij de HTM medewerker ten val is gekomen. Verdachte heeft de HTM medewerker, liggende op de grond en zich verwerend met zijn benen, vervolgens nog diverse keren gestoken. De HTM medewerker heeft in totaal negen steekwonden opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat door met een mes in het bovenlichaam van het slachtoffer te steken, verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer hierdoor van het leven zou beroven. Het met een mes steken in het bovenlichaam kan er immers toe leiden dat als gevolg van beschadiging van vitale delen, aan het slachtoffer zodanig letsel wordt toegebracht dat deze hierdoor komt te overlijden.

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat vast komt te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Dat die gelegenheid in de onderhavige zaak heeft bestaan, kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

Verdachte is met een mes naar buiten gegaan om ‘verhaal’ bij de HTM beveiliger te gaan halen. Op het moment dat verdachte de HTM medewerker ziet, loopt hij op hem af en als hij oog in oog met hem komt te staan, steekt hij de HTM medewerker meermalen met een mes in zijn bovenlichaam en benen. Verdachte heeft aldus handelend voldoende tijd gehad zich te beraden op zijn te nemen of al genomen besluit om de HTM medewerker van het leven te beroven. Hij heeft mitsdien voldoende gelegenheid gehad over de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.”

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met het voor poging tot moord vereiste (voorwaardelijke) opzet en voorbedachte rade.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het op de dagvaarding onder primair - poging tot moord - ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld:

hij op 03 augustus 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [X] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [X] meermalen met een mes in het bovenlichaam en de benen heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft geprobeerd een HTM medewerker (trambeveiliger) door middel van messteken van het leven te beroven. Verdachte heeft met voorbedachten rade zonder remmingen en geheel onverhoeds op het slachtoffer ingestoken, ook nog nadat het slachtoffer al op de grond was gevallen. Het slachtoffer is door het handelen van verdachte volkomen overvallen. Bovendien bevond de HTM medewerker zich niet in de tram, hij liep in zijn pauze naar een winkel in de omgeving van de eindhalte van de tram om fruit te halen.

Uit de ingediende slachtofferverklaring volgt dat het slachtoffer vooralsnog zijn werkzaamheden niet kan uitvoeren en zich onder behandeling van een psycholoog heeft moeten stellen. Het slachtoffer heeft paniekaanvallen en heeft last van slapeloosheid.

De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij een mogelijke klacht tegen een HTM medewerker op dergelijke wijze heeft beslecht, waarbij hij het slachtoffer zodanig letsel heeft toegebracht dat de aanmerkelijke kans bestond dat hij het leven zou laten. Voor klachten tegen HTM medewerkers zijn klachtprocedures in het leven geroepen. Het toepassen van (extreem) geweld tegen trambeveiligers is ontoelaatbaar en onaanvaardbaar.

Dat het letsel niet (nog) ernstiger is geweest - gelet op de zich in het procesdossier bevindende foto’s van het slachtoffer- , is niet te danken aan verdachte. Het is aan omstanders te danken dat een ambulance is gewaarschuwd en dat het slachtoffer de noodzakelijke medische hulp heeft gekregen.

De rechtbank overweegt dat verdachte door het plegen van dit feit niet alleen groot leed veroorzaakt heeft bij het directe slachtoffer doch ook dat dergelijke feiten, meer in het algemeen, in de maatschappij bestaande gevoelens van onveiligheid op straat plegen te versterken. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro-Justitia-rapporten d.d. 19 oktober 2009 opgemaakt door H.E.M. van Beek, psychiater en W.J.L. Lander, psycholoog, alsmede van het reclasseringsrapport d.d. 22 oktober 2009, welke omtrent verdachte zijn opgemaakt.

Verdachte is blijkens een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 augustus 2009 niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest.

De rechtbank is van oordeel dat op het bewezenverklaarde geweldsdelict niet anders kan worden gereageerd dan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, gelet op het bovenstaande, passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij.

[X], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 8.015,00.

Materiële schadevergoeding

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post “Inkomstenderving”, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post “eigenrisico ziektekostenverzekering”, van zo eenvoudige aard dat dit deel van de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit deel van de vordering is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

Immateriële schadevergoeding

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van

€ 3.500,--, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering tot Immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.655,-- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [X]. Het verzoek van de raadsman om aan verdachte geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen omdat verdachte, het slachtoffer en de maatschappij daar geen baat bij hebben, alsmede de verdachte zijn verantwoordelijkheid neemt voor zijn betalingsverplichting, wijst de rechtbank af. De rechtbank is van oordeel dat het slachtoffer wel baat heeft bij oplegging van een schadevergoedingsmaatregel omdat daardoor enige relatie tussen verdachte en het slachtoffer komt te ontvallen hetgeen in het belang van het slachtoffer is.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Poging tot moord;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 18 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[X], een bedrag van € 3.650,--;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat hij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.650,--, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [X];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 46 dagen.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs H.J. de Graaff, voorzitter,

J.M. Ghrib en D. Nobel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr P.B. Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november 2009.

mrs J.M. Ghrib en D. Nobel zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.