Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4687

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/2261
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor de vraag hoe de belastingkorting voor een verlies uit aanmerkelijk belang moet worden bepaald oordeelt de rechtbank dat de tekst van de desbetreffende wettelijke bepalingen geen andere gevolgtrekking toelaat dan dat de gecombineerde inkomensheffing, als bedoeld in artikel 8.8 van de Wet IB 2001, het totaal is van de inkomensheffing over de belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen, na vermindering met de korting ab en vóór aftrek van de heffingskorting. Omdat in casu de gecombineerde heffingskorting, vóór toepassing van artikel 8.8 van de Wet IB 2001, € 1.894,- bedraagt en de inkomensheffing over het belastbare inkomen uit werk en woning, vóór vermindering met de korting ab, € 3.656,- bedraagt is het laatstgenoemde bedrag het bedrag dat, ingevolge artikel 2.11a van de Wet IB 2001, wordt verminderd met de nog te verrekenen korting voor verlies uit aanmerkelijk belang. De gecombineerde inkomensheffing is in casu dus nihil, zodat de gecombineerde heffingskorting door de werking van artikel 8.8 van de Wet IB 2001 wordt beperkt tot nihil en eiser in aanmerking komt voor verhoging van de heffingskorting ingevolge artikel 8.9, eerste lid, van de Wet IB 2001. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2399
FutD 2009-2628
Belastingadvies 2010/2.10
V-N 2010/8.3.1

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/2261 IB/PVV

Uitspraakdatum: 5 november 2009

Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 20 februari 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de bij die aanslag gegeven beschikking heffingsrente en beschikking belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang.

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009. Namens eiser is [A] daar verschenen, bijgestaan door mr. [B]. Namens verweerder is mr. [C] verschenen, bijgestaan door [D].

IIBESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een bedrag aan te betalen belasting van nihil;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- handhaaft de beschikking belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang ten bedrage van € 12.864,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,-;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 aan hem vergoedt.

IIIOVERWEGINGEN

3.1Eiser genoot in het jaar 2005 een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.629,-, waarop € 1.794,- loonheffing is ingehouden. De over dat belastbare inkomen verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB), vóór toepassing van de heffingskorting, bedraagt € 3.656,-. Eiser genoot in 2005 geen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen. Per 31 december 2004 had eiser een nog te verrekenen belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang (hierna: korting ab) van € 16.520,-.

3.2Eisers echtgenote genoot in 2005 een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.667,-. De over dat belastbare inkomen verschuldigde IB, vóór toepassing van de heffingskorting, bedraagt € 9.491,-. De echtgenote genoot in 2005 geen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen en had voor 2005 recht op een gecombineerde heffingskorting van € 3.181,-.

3.3Voor het jaar 2005 is aan eiser een voorlopige teruggaaf verleend van (exclusief heffingsrente) € 3.688,-. Met dagtekening 15 augustus 2007 heeft verweerder eiser de onderhavige aanslag opgelegd. Het aanslagbiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 2.025,-, welk bedrag als volgt kan worden gespecificeerd:

tabel 1

Het aanslagbiljet bevat tevens de beschikking belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang (hierna: de beschikking belastingkorting) en vermeldt ook het bedrag van de nog te verrekenen korting ab per 31 december 2005 ten bedrage van € 12.864,-. Met partijen gaat de rechtbank ervan uit dat het beroep ook opkomt tegen de beschikking belastingkorting. Na daartegen door eiser gemaakt bezwaar heeft verweerder, althans zo begrijpt de rechtbank, de aanslag, de beschikking belastingkorting en de beschikking heffingsrente bij de bestreden uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Verweerder heeft in zijn uitspraak op bezwaar immers overwogen dat het bezwaar wordt afgewezen en de aanslag wordt gehandhaafd. In de uitspraak op bezwaar is verwezen naar onder andere een brief van 23 oktober 2007. In die brief, gericht aan de gemachtigde van eiser, is te lezen dat, volgens verweerder ten onrechte, wel rekening is gehouden met de heffingskorting en dat het bedrag van de korting ab op € 1.762,- gesteld moet worden. Maar omdat deze overwegingen niet hebben geleid tot een aanpassing van de eerder opgelegde aanslag en beschikking gaat de rechtbank hieraan voorbij.

3.4In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd en of de beschikking belastingkorting naar het juiste bedrag is gegeven. Meer in het bijzonder is in geschil of eiser recht heeft op de verhoogde heffingskorting, als bedoeld in artikel 8.9, eerste lid, van de Wet IB 2001, hetgeen eiser stelt en verweerder bestrijdt.

3.5Ter motivering van zijn standpunt heeft eiser - kort weergegeven - aangevoerd dat iedereen recht heeft op de algemene heffingskorting en dat de beperking van de gecombi-neerde heffingskorting tot nihil, als gevolg van het bepaalde in artikel 8.8 van de Wet IB 2001, door artikel 8.9, eerste lid van de Wet IB 2001 ongedaan wordt gemaakt, omdat eiser gedurende het gehele jaar dezelfde partner had en het bedrag van de door de partner verschuldigde IB, verminderd met haar gecombineerde heffingskorting, groter is dan de heffingskorting van eiser. Verder heeft eiser gewezen op het besluit van de Minister van Financiën van 23 november 2006, nr. CPP 2006/2674M, waarbij de Minister onder meer overwoog: "Met betrekking tot de volgorde van verrekening van de belastingkorting en de heffingskorting merk ik op dat de belastingkorting vóór de heffingskorting wordt geplaatst". Naar de mening van eiser moet de aanslag als volgt worden herzien:

tabel 2

3.6Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken en daartoe - kort weergegeven - aangevoerd dat eiser, ingevolge de artikelen 8.1, 8.8, en 8.9 van de Wet IB 2001, geen recht heeft op de verhoogde heffingskorting, omdat in die artikelen niet wordt verwezen naar een vermindering van de gecombineerde inkomensheffing door een korting ab.

3.7Artikel 2.7 van de Wet IB 2001 luidt:

1. De over een kalenderjaar verschuldigde inkomstenbelasting is het gezamenlijke bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op:

a. het belastbare inkomen uit werk en woning;

b. het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en

c. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.Voor belastingplichtigen die gedurende het gehele kalenderjaar, dan wel gedurende het kalenderjaar vanaf hun geboorte of tot aan hun overlijden, onder de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen vallen, wordt het op grond van de eerste volzin berekende gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting (artikel 8.3).

2. Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen en de volgens artikel 10, vierde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen berekende heffingskorting voor de volksverzekeringen niet volledig kan worden verrekend met de volgens artikel 10, eerste lid en tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen, wordt het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, ook met dat niet verrekende deel verminderd.

3.8Ingevolge artikel 2.11a, eerste en tweede lid, wordt de over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigde IB verminderd met een nog niet in aanmerking genomen korting ab.

3.9In artikel 8.1, onder b, is bepaald dat in hoofdstuk 8 van de Wet IB 2001 en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder gecombineerde inkomensheffing: het gezamenlijk bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, van de belasting op de belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen.

3.10Op grond van artikel 8.8 van de Wet IB 2001 bedraagt de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing. Ingevolge artikel 8.9, eerste lid, van de Wet, wordt, indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 zou worden beperkt tot een niveau beneden het gezamenlijke bedrag van de algemene heffingskorting en de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting, kinderkorting, aanvullende kinderkorting, combinatiekorting en aanvullende combinatiekorting en indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting verhoogd tot het gezamenlijke bedrag van de voor hem geldende algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting. Ingevolge het tweede lid van dat artikel bedraagt de verhoging van de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting.

3.11Waar het op aankomt is of in dit geval het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing, als bedoeld in de artikelen 8.1, onder b, en 8.8 van de Wet IB 2001, het bedrag van de inkomensheffing over het belastbare inkomen uit werk en woning vóór vermindering met de korting ab (standpunt verweerder) is, of na vermindering met de korting ab (standpunt eiser) is. Naar het oordeel van de rechtbank laat de tekst van de in 3.7 tot en met 3.9 weergegeven wettelijke bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, geen andere gevolgtrekking toe dan dat de gecombineerde inkomensheffing, als bedoeld in artikel 8.8 van de Wet IB 2001, het totaal is van de inkomensheffing over de belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen, na vermindering met de korting ab en vóór aftrek van de heffingskorting.

3.12Tussen partijen is niet in geschil dat de gecombineerde heffingskorting, vóór toepassing van artikel 8.8 van de Wet IB 2001, € 1.894,- bedraagt. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de inkomensheffing over het belastbare inkomen uit werk en woning, vóór vermindering met de korting ab, € 3.656,- bedraagt. Laatstgenoemd bedrag is dus het bedrag dat, ingevolge artikel 2.11a van de Wet IB 2001, wordt verminderd met de korting ab. Omdat de nog te verrekenen korting ab per 31 december 2004 € 16.520,- bedroeg, dient voor het jaar 2005 een korting ab te worden verleend van € 3.656,-. Gelet op hetgeen is overwogen onder 3.11 is de gecombineerde inkomensheffing in casu dus nihil, zodat de gecombineerde heffingskorting - anders dan verweerder heeft betoogd - door de werking van artikel 8.8 van de Wet IB 2001 wordt beperkt tot nihil en eiser in aanmerking komt voor verhoging van de heffingskorting ingevolge artikel 8.9, eerste lid, van de Wet IB 2001. Het gelijk is dus aan eiser.

3.13Gelet op hetgeen is overwogen onder 3.12 dient het bedrag van de nog te betalen belasting op de aanslag te worden verminderd tot nihil en de beschikking heffingsrente te worden vernietigd. Nu, zoals vermeld in 3.3, voor het jaar 2005 een korting ab is verleend van € 3.656,- en de nog te verrekenen belastingkorting per 31 december 2005 is vastgesteld op € 12.864,-, namelijk het nog te verrekenen bedrag per 31 december 2004, verminderd met de korting ab van € 3.656,-, is het bedrag van de nog te verrekenen belastingkorting per 31 december 2005 juist. De beschikking belastingkorting dient daarom te worden gehand-haafd.

3.14Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3.15De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroeps-matig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Vink, in tegenwoordigheid van de griffier H. van Lingen.

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.