Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4683

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/2743
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een eigen woning van de erflater is geen eigen woning voor de erfgenamen die er niet in wonen. De erfgenamen kunnen de door hen betaalde hypotheekrente dus niet in aftrek brengen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/14.13 met annotatie van Redactie
FutD 2009-2562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09/2743 IB/PVV

Uitspraakdatum: 5 november 2009

Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 6 maart 2009 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2006.

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009. Namens eiseres is mr. drs. [A] daar verschenen. Namens verweerder is [B] verschenen.

IIBESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

IIIOVERWEGINGEN

3.1De echtgenoot van eiseres, [C], is een van de erfgenamen van [Y] (hierna: erlater). Erflater overleed op [datum] 2006. Tot zijn nalatenschap behoorde het appartement [a-straat 1] te [Q] en de ter financiering daarvan verstrekte hypothecaire lening. Het appartement was voor erflater een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001. Na het overlijden van erflater stond het appartement in onbewoonde staat te koop.

3.2Voor het jaar 2006 heeft eiseres een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 46.468,-. Daarbij heeft eiseres een bedrag van € 1.620,- als kosten van een eigenwoningschuld in aftrek gebracht. Dit is de rente die de echtgenoot van eiseres als erfgenaam van erflater heeft betaald over de in 3.1 genoemde hypothecaire lening.

3.3Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de rente van € 1.620,- niet in aftrek toegelaten en een correctie van het huurwaardeforfait van € 642,- in aanmerking genomen. Verweerder heeft de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.730,- (€ 46.468,- + € 1.620,- + € 642,-) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.545,-. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder het belastbare inkomen uit werk en woning gehandhaafd op € 48.730,- en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot nihil.

3.4In geschil is of verweerder de rente van € 1.620, - terecht niet in aftrek heeft toegelaten. Meer in het bijzonder is in geschil of de eigen woning van erflater tevens een eigen woning is voor eiseres, hetgeen eiseres stelt en verweerder bestrijdt.

3.5Eiseres betoogt dat bij erfopvolging wordt verkregen onder algemene titel en daarmee de kwalificaties van de erflater overgaan op de erfgenaam. Dit heeft volgens eiseres tot gevolg dat een woning, die voor de erflater een eigen woning was in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001, voor de erfgenaam ook een eigen woning is. Verder heeft eiseres gewezen op doel en strekking van de artikelen 3.58 en 3.59 van de Wet IB 2001 en naar het arrest van de Hoge Raad van 8 december 1993, LJN ZC5531.

3.6Ingevolge artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001, wordt een woning aangemerkt als eigen woning indien en voor zover die woning aan de belastingplichtige of de personen die tot zijn huishouden behoren anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.

3.7Naar eiseres ter zitting heeft verklaard hebben zij en de tot haar huishouden behorende personen niet in het appartement gewoond. Verder staat vast dat het appartement na het overlijden van erflater leeg te koop stond. Dit laat geen andere conclusie toe dan dat het appartement aan eiseres of de tot haar huishouding behorende personen niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking stond. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat het appartement voor eiseres geen eigen woning is de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 en verweerder de door eiseres betaalde hypotheekrente daarom terecht niet in aftrek heeft toegelaten.

3.8Het betoog van eiseres dat bij erfopvolging wordt verkregen onder algemene titel en de fiscale kwalificaties van de erflater daardoor overgaan op diens erfgenamen, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Ingevolge artikel 1.1 van de Wet IB 2001 wordt de inkomstenbelasting geheven van natuurlijke personen en wordt, ingevolge artikel 2.3 van de Wet IB 2001, de belasting geheven over de door de belastingplichtige genoten belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijke belang en sparen en beleggen. Of inkomen is genoten door de belastingplichtige en tot welk belastbare inkomen van de belastingplichtige het behoort, wordt beoordeeld naar de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige zelf en niet naar die van zijn rechtsvoorganger. Bij erfopvolging gaan de materiële en formele belastingschulden van de erflater, voor zover die nog niet zijn voldaan, over op diens rechtsopvolger onder algemene titel, maar dat geldt niet voor de persoonlijke kwalificaties en omstandigheden die bij het vaststellen van die belastingschulden in aanmerking zijn genomen, tenzij in de belastingwet uitdrukkelijk anders is bepaald. Daarmee faalt ook het beroep van eiseres op de artikelen 3.58 en 3.59 van de Wet IB. In het tweede lid van artikel 3.59 is bepaald dat de belastingplichtige onder bepaalde voorwaarden kan worden geacht in de plaats te zijn getreden van degene van wie een onderneming wordt voortgezet. Met betrekking tot de eigen woning kent de Wet IB 2001 een dergelijke bepaling niet en kan de belastingplichtige voor wat betreft de kwalificatie "eigen woning" dus niet in de plaats treden van een ander, in het bijzonder van zijn rechtsvoorganger.

3.9Het beroep van eiser op het in 3.3 vermelde arrest berust op een onjuiste lezing van dat arrest. De Hoge Raad overwoog onder meer dat de enkele omstandigheid dat een belastingplichtige een onroerende zaak die als eigen woning een bron van inkomen voor hem is, ontruimt met de bedoeling deze te verkopen, aan die onroerende zaak niet het karakter van bron van inkomen ontneemt en dat er geen redelijke grond is anders te oordelen als de ontruiming en daarop volgende verkoop van de woning hun grond vinden in het overlijden van de bewoner. Naar het oordeel van de rechtbank concludeert eiser daaruit terecht dat een woning in een dergelijk geval een bron van inkomen blijft. Anders dan eiseres betoogt, is in deze overweging echter niet te lezen dat het karakter van de bron in een dergelijk geval niet zou kunnen wijzigen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat het arrest is gewezen onder de vigeur van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Ingevolge die wet behoorden zowel de inkomsten uit eigen woning als de inkomsten uit een woning die niet als eigen woning kwalificeerde, tot de inkomsten uit vermogen. Ingevolge de Wet IB behoren de inkomsten uit eigen woning tot het belastbare inkomen uit werk en woning en de inkomsten uit een woning die niet als zodanig kwalificeert tot de inkomsten uit sparen en beleggen. Zo het arrest al toepasbaar is onder de vigeur van de Wet IB 2001, dan heeft, anders dan eiseres betoogt, toepassing ervan niet tot gevolg dat de inkomsten uit een woning in een geval als daar aan de orde was, noodzakelijkerwijs behoren tot het belastbare inkomen uit werk en woning.

3.10Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.11De rechtbank vindt geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Vink, in tegenwoordigheid van de griffier H. van Lingen.

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.