Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4621

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
316948 HA ZA 08-2592
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schenking afkoop? Strafvordelijk puliana;wetenschap van benadeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 316948 / HA ZA 08-2592

Vonnis van 4 november 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.S. Spijkerman,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek.

Partijen zullen hierna [eiseres] en De Staat genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 juli 2008, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 10 december 2008 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- het proces-verbaal van comparitie van 12 juni 2009 en de daarin vermelde processtukken;

- de brief van mr. Spijkerman van 23 juni 2009;

- de brief van mr. Gaasbeek van 3 juli 2009, met bijlage;

- de brief van mr. Spijkerman van 7 juli 2009.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

De feiten

In 2006 is tegen de heer [echtg[echtgenoot], echtgenoot van [eiseres] (hierna: "[echtgenoot]"), onder parketnummer 15/996538-06 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld wegens verdenking van onder meer oplichting, witwassen en deelname aan een criminele organisatie (artikelen 326, 420bis en 140 Sr), gepleegd vanaf 1 januari 1998.

De officier van justitie van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie, ten deze handelend namens het Functioneel Parket (hierna: "de officier van justitie"), heeft naar aanleiding van een aanvraag van de belastingdienst daartoe van 14 september 2007 op 28 september 2007 gevorderd dat de rechter-commissaris te Haarlem machtiging zal verlenen tot het tegen [echtgenoot] instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv. De rechter-commissaris heeft de gevorderde machtiging op 1 oktober 2007 verleend.

Op 13 november 2007 heeft in de echtelijke woning van [echtgenoot] en [eiseres] een doorzoeking plaatsgevonden waarbij ten laste van [echtgenoot] conservatoir beslag is gelegd als bedoeld in artikel 94a Sv op diverse horloges, een displaykast van een horloge, een auto, een gouden aansteker en gouden manchetknopen. Tevens is op 13 november 2007 op de voet van artikel 94 Sv beslag gelegd op diverse sieraden. Uit het proces-verbaal van beslaglegging volgt dat het beslag ex artikel 94a Sv is gelegd met het oog op een op te leggen ontnemingsmaatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, destijds geschat op € 3.763.399,--.

[eiseres] heeft op 12 december 2007 bij de rechtbank Haarlem een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend. Daarin verzoekt zij om opheffing van het beslag op de auto en de sieraden die volgens haar tot haar eigendom behoren met een last tot teruggave aan haar van deze voorwerpen. De behandeling van dit klaagschrift is op verzoek van [eiseres] aangehouden in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure.

Bij beschikking van 4 april 2008 heeft de rechter-commissaris de bewaring van [echtgenoot] bevolen voor een termijn van 14 dagen.

Op 10 april 2008 is aan [eiseres] en [echtgenoot] betekend een afschrift van een verklaring buitengerechtelijke vernietiging ex artikel 94d Sv jo 3:50 BW van de officier van justitie van 9 april 2008. Hierin deelt de officier van justitie mede dat tegen [echtgenoot] een ontnemingsvordering zal worden ingesteld ter ontneming van wederrechtelijk door hem verkregen voordeel. Volgens de officier van justitie dient [echtgenoot] te worden aangemerkt als eigenaar van de op de voet van artikel 94 Sv in beslag genomen sierraden. Voorzover sprake is van mede-eigendom dan wel gehele eigendom van [eiseres], kan zij deze niet anders hebben verkregen dan door schenking. Volgens de officier van justitie is de Staat als gevolg van deze vervreemding om niet als schuldeiser van [echtgenoot] benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheid in het kader van de op te leggen ontnemingsmaatregel, terwijl [echtgenoot] wist althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat het wederrechtelijk voordeel uit de hem ten laste gelegde strafbare feiten hem zou worden ontnomen. De officier van justitie merkt de schenkingen om die reden aan als paulianeus en roept de vernietiging daarvan in op grond van artikel 94d Sv jo 3:50 BW. Daarnaast geeft de officier van justitie bij voormelde brief aan voornemens te zijn op grond van artikel 103 Sv het klassieke beslag ten laste van [echtgenoot] te handhaven.

Op 9 april 2008 heeft de officier van justitie op de voet van artikel 103 Sv gevorderd dat de rechter-commissaris een machtiging verleent tot handhaving van het ex artikel 94 Sv gelegde beslag op de sieraden als een conservatoir beslag ex artikel 94a Sv. De gevorderde machtiging is op 11 april 2008 door de rechter-commissaris verleend tot een maximum van € 11.281.760,--.

Het geschil

[eiseres] vordert - na vermindering van eis - bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat de sieraden als benoemd in productie 5 bij dagvaarding, met uitzondering van de sieraden waarvan ter comparitie is gebleken dat deze niet in beslag zijn genomen, tot haar eigendom behoren alsmede een veroordeling van de Staat tot afgifte van deze sieraden binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat de Staat hiermee in gebreke blijft en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

[eiseres] voert daartoe aan dat [echtgenoot] nooit eigenaar van de in beslag genomen sieraden is geweest, zodat van schenking van deze sieraden door [echtgenoot] geen sprake kan zijn. [eiseres] stelt de eigendom van de sieraden te hebben verkregen op grond van tussen haar en de juwelier gesloten koopovereenkomsten. Indien en voorzover moet worden aangenomen dat [echtgenoot] door betaling van de koopprijs wel eigenaar van deze sieraden is geworden, dan is geen sprake geweest van eigendomsverkrijging door haar als gevolg van vernietigbare schenkingen. [eiseres] verwijst daartoe naar artikel 2 lid 2 van de tussen haar en [echtgenoot] opgemaakte huwelijksvoorwaarden waaruit volgt dat lijfsieraden eigendom zijn van de echtgenoot bij wie deze in gebruik zijn of voor wiens gebruik zij bestemd zijn: [eiseres] is derhalve op grond van deze bepaling, en niet door schenking, eigenares geworden. Nu de Staat door deze huwelijksvoorwaarden niet is benadeeld komt hem geen beroep toe op vernietiging van deze voorwaarden. Indien moet worden aangenomen dat wel sprake is van schenking van de sieraden door [echtgenoot], komt volgens [eiseres] aan de Staat geen beroep toe op vernietiging van deze schenkingen nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 94d Sv jo artikel 3:45 BW. Daartoe stelt [eiseres] dat de Staat niet heeft aangetoond dat hij een vordering op [echtgenoot] heeft terwijl hij evenmin voldoende heeft aangetoond dat deze vordering in de toekomst zal ontstaan. Daarnaast stelt [eiseres] dat nu de vervolging van [echtgenoot] is aangevangen op 4 april 2008 de wetenschap van benadeling niet kan worden vermoed aanwezig te zijn bij rechtshandelingen die zijn verricht vóór 4 april 2007. Ten aanzien van deze rechtshandelingen is het volgens [eiseres] aan de Staat om aan te tonen dat deze wetenschap bij [echtgenoot] aanwezig was. Daarin is de Staat niet geslaagd. Voorts is een vernietiging van de schenkingshandelingen naar de mening van [eiseres] in strijd met de redelijkheid en billijkheid nu daarmee een vergaande inbreuk zou worden gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer en die van [echtgenoot]. Een succesvol beroep op vernietiging impliceert volgens [eiseres] dat zij een boete betaalt voor een strafrechtelijk vergrijp waaraan zij part noch deel heeft gehad. Juist de Staat dient zich volgens haar bij toepassing van de actio pauliana terughoudend op te stellen.

De Staat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Vordering tot afgifte in beslag genomen sieraden

De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiseres] niet kan worden ontvangen in haar vordering tot afgifte van de in beslag genomen sieraden aangezien zij is gehouden daartoe de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv te doorlopen. De rechtbank volgt de Staat in dit verweer. De wetgever heeft immers ter voorkoming van een ongewenste doorkruising van de strafzaak door de burgerlijke rechter de beklagprocedure van artikel 552a Sv bij uitsluiting aangewezen als de weg om teruggave van strafvorderlijk in beslag genomen voorwerpen te bewerkstelligen. [eiseres] zal dan ook in haar civielrechtelijke vordering tot afgifte niet-ontvankelijk worden verklaard.

Geslaagd beroep Openbaar Ministerie op actio pauliana?

Op grond van het bepaalde in artikel 94d lid 1 Sv jo artikel 3:45 BW kan het Openbaar Ministerie door middel van een buitengerechtelijke verklaring namens de Staat de nietigheid inroepen van een door een verdachte of veroordeelde onverplicht verrichte rechtshandeling die benadeling van de Staat als schuldeiser tot gevolg heeft en waarvan de schuldenaar ten tijde van het verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de Staat als schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn. Ter beoordeling ligt voor of door [echtgenoot] rechtshandelingen zijn verricht die op voormelde grondslag voor buitengerechtelijke vernietiging in aanmerking komen.

• onverplicht verrichte rechtshandeling?

[eiseres] heeft in de eerste plaats betoogd dat met betrekking tot de in beslag genomen sieraden geen sprake is van onverplicht door [echtgenoot] verrichte rechtshandelingen nu hij van deze sieraden nimmer eigenaar is geweest. Reeds op grond hiervan dient volgens [eiseres] te worden geconcludeerd dat de door de Staat ingeroepen vernietiging geen werking heeft gehad waardoor zij nog steeds eigenaar is van de in beslag genomen sieraden.

Het standpunt van [eiseres] komt erop neer dat de sieraden nooit tot het vermogen van [echtgenoot] hebben behoord. [eiseres] heeft de koopovereenkomsten gesloten en de sieraden zijn aan haar geleverd. Het feit dat [echtgenoot] de sieraden heeft betaald wil niet zeggen dat hij daar eigenaar van is geworden. Het is immers mogelijk te betalen voor een ander, aldus [eiseres].

De vraag of sprake is van koop en levering door/aan [eiseres], danwel van koop en levering door/aan [echtgenoot] en een daarop volgende schenking aan [eiseres], dient te worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de omstandigheden waaronder de aankoop van deze sieraden heeft plaatsgevonden en van hetgeen naar maatschappelijke opvattingen uit deze omstandigheden moet worden afgeleid. Bij deze beoordeling laat de rechtbank het volgende meewegen. [eiseres] heeft ter comparitie verklaard dat zij de sieraden in de meeste gevallen bij de juwelier uitzocht en dat zij vervolgens altijd mèt [echtgenoot] terugkwam om deze af te rekenen. Als onbetwist staat vast dat de sieraden, met uitzondering van de zogenaamde 'bolletjesringen' waarvan de Staat heeft erkend dat deze met geld van [eiseres] zijn aangeschaft maar waarvan niet is gesteld of gebleken dat deze in beslag zijn genomen, altijd met geld van [echtgenoot] werden betaald. Voorts is van belang dat een medewerker van de [juwelier] ten overstaan van opsporingsambtenaren van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie heeft verklaard dat de sieraden werden gekocht door [echtgenoot], dat de door [echtgenoot] gekochte sieraden altijd bestemd waren voor [eiseres] en werden aangekocht met het oog op bijzondere gelegenheden. Meer in het bijzonder is van belang dat de desbetreffende medewerker heeft verklaard dat [echtgenoot] zichtbaar gelukkig werd als zij sieraden van [echtgenoot] kreeg en [echtgenoot] het ook leuk vond om de sieraden aan [eiseres] te geven. Hierbij sluit aan hetgeen [eiseres] ter comparitie heeft verklaard, namelijk dat zij een aantal keer per jaar naar de juwelier ging om sieraden uit te zoeken. Dit gebeurde volgens haar altijd met het oog op bijzondere gelegenheden als haar verjaardag, de trouwdag of kerst. Een dergelijke gang van zaken verhoudt zich veeleer tot het uitzoeken van - van [echtgenoot] te ontvangen - geschenken dan tot het zelfstandig doen van aankopen. Hiervoor pleit ook dat [echtgenoot] altijd meeging om de sieraden te betalen. Indien het om zelfstandige aankopen door [eiseres] zou zijn gegaan, ligt dat laatste niet voor de hand. Uit deze omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - kan naar maatschappelijke opvattingen niet anders worden geconcludeerd dan dat de in beslag genomen sieraden werden aangekocht door [echtgenoot] en vervolgens werden geschonken aan [eiseres]. In haar betoog dat zij de eigendom van de sieraden zonder tussenkomst van [echtgenoot] heeft verkregen, kan [eiseres] aldus niet worden gevolgd.

[eiseres] heeft subsidiair nog betoogd dat de eigendom van de sieraden direct na aankoop door [echtgenoot] aan haar is toegevallen op grond van artikel 2 lid 2 van de huwelijksvoorwaarden. Dit betoog faalt reeds nu de wet deze door [eiseres] voorgestane wijze van eigendomsverkrijging niet kent en het betreffende beding in de huwelijksvoorwaarden immers slechts betekenis kan hebben in de interne relatie tussen [eiseres] en [echtgenoot] bij een eventuele beëindiging van hun huwelijk. [eiseres] heeft tot slot ter zitting nog aangevoerd dat de sieraden haar door [echtgenoot] zijn verschaft, niet ten titel van schenking, maar ten titel van de op de voet van artikel 1:81 BW op hem als echtgenoot rustende verplichting om [eiseres] het nodige te verschaffen. De Staat heeft echter terecht aangevoerd dat onder "het nodige verschaffen" als bedoeld in artikel 1:81 BW niet valt het verschaffen van (dure) sieraden.

Conclusie op grond van het voorgaande is dat sprake is van schenking van de sieraden door [echtgenoot] aan [eiseres] en derhalve van onverplichte rechtshandelingen die, mits is voldaan aan de overige daarvoor geldende vereisten, via een beroep op de pauliana voor vernietiging in aanmerking kunnen komen.

•Vordering Staat op [echtgenoot]

Vervolgens is aan de orde de stelling van [eiseres] dat Staat niet de bevoegdheid toekomt om de vernietigingsgrond van artikel 3:45 BW in te roepen nu hij niet heeft aangetoond dat hij thans een vordering op [echtgenoot] heeft terwijl hij evenmin heeft aangetoond dat hij deze in de toekomst zal verkrijgen.

De stelling van [eiseres] komt erop neer dat van toepassing van de bevoegdheden als bedoeld in artikel 94d Sv pas plaats is als sprake is van een (onherroepelijke) veroordeling van de verdachte. De rechtbank volgt [eiseres] niet in dit verweer. Uit de MvT (Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 26-27) volgt dat de crediteursbevoegdheden ex artikel 94d Sv aan het Openbaar Ministerie worden verstrekt in het kader van het verhaal als bedoeld in artikel 94a Sv. Dit betekent dat deze bevoegdheden reeds kunnen worden uitgeoefend ingeval uitsluitend sprake is van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Tussen partijen staat niet ter discussie dat tegen [echtgenoot] een strafrechtelijke vervolging is ingesteld wegens verdenking van (één of meer) misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Dit maakt dat van het door [eiseres] gestelde beletsel voor toepassing van artikel 94d Sv geen sprake is. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat het beslag, zolang (nog) geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling een conservatoir karakter heeft.

•Wetenschap van benadeling

Voor een rechtsgeldig beroep op de pauliana is voorts vereist dat [echtgenoot] ten tijde van de schenkingen wist of behoorde te weten dat daardoor een of meerdere schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zouden worden benadeeld. Ingevolge artikel 94d lid 2 Sv jo artikel 3:46 en 3:47 BW wordt de wetenschap van benadeling vermoed aanwezig te zijn bij rechtshandelingen die door de verdachte of veroordeelde zijn verricht binnen één jaar vóór het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen.

Anders dan [eiseres] heeft betoogd, is de vervolging van [echtgenoot] aangevangen op 28 september 2006, zijnde het moment waarop het Openbaar Ministerie een machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek heeft gevorderd (vgl. HR 2 oktober 2007, NJ 2008, 550). Dit maakt dat bij de schenkingen van sieraden die tussen 28 september 2006 en 28 september 2007 hebben plaatsgevonden, wetenschap van benadeling van een of meer schuldeisers bij [echtgenoot] vermoed wordt aanwezig te zijn. Door [eiseres] is niets gesteld ter weerlegging van dit vermoeden. Een en ander maakt dat de schenkingen van sieraden in voormelde periode gelden als paulianeus. Het Openbaar Ministerie was dan ook gerechtigd om door middel van een buitengerechtelijke verklaring de nietigheid van deze schenkingen in te roepen ten gevolge waarvan de geschonken sieraden in het vermogen van [echtgenoot] zijn teruggevloeid. De vordering van [eiseres] zal derhalve ten aanzien van de sieraden verkregen in deze periode worden afgewezen.

Ter beoordeling ligt tevens voor of [echtgenoot] ten tijde van de schenkingen die hebben plaatsgevonden vóór 28 september 2006 wist of behoorde te weten dat benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden daarvan het gevolg zou zijn. Stelplicht en bewijslast rusten ter zake op de Staat.

De Staat heeft in dat kader aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek jegens [echtgenoot] zich uitstrekt over de in de periode vanaf 1 januari 1998 tot en met 13 november 2007 door hem gepleegde strafbare feiten. Aldus is sprake van strafbare feiten gepleegd vóór de aankoop en de schenkingen van de sieraden. Vermoed wordt dat [echtgenoot] met het plegen van strafbare feiten in bedoelde periode wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Tegen deze achtergrond wist [echtgenoot] althans behoorde hij volgens de Staat te weten dat met de aankoop en schenking van sieraden de Staat in zijn verhaalsmogelijkheden als (toekomstige) schuldeiser zou worden benadeeld. Vanaf het moment dat hij de strafbare feiten heeft gepleegd diende [echtgenoot] naar de mening van de Staat dan ook rekening te houden met de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek en een ontnemingsvordering tegen hem zou instellen. De Staat is dan ook van mening dat hij mede ten aanzien van deze schenkingen op goede gronden een beroep op de pauliana heeft gedaan. [eiseres] heeft hier tegenin gebracht dat [echtgenoot] op dit moment nog niet is veroordeeld voor enig strafbaar feit en dat zij niet beschikt over een tenlastelegging of de strafdossiers, zodat zij ook niet in de gelegenheid is om aan de hand van deze stukken gemotiveerd te betwisten dat sprake is van wetenschap van benadeling over de desbetreffende periode.

De rechtbank is van oordeel dat de Staat ten aanzien van de wetenschap van benadeling voor wat betreft de periode voor 28 september 2006 niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht. Het enkele feit dat uit de aanvraag machtiging strafrechtelijke financieel onderzoek blijkt dat (in ieder geval ten tijde van die aanvraag) sprake was van verdenking van feiten over een bepaalde periode is onvoldoende. Ter zitting is namens de Staat aangegeven dat geen sprake is van een bekennende verklaring van [echtgenoot]. De stukken uit het strafrechtelijke financieel onderzoek (waaronder bekentenissen van medeverdachten) kunnen bovendien om onderzoeksredenen niet in het geding worden gebracht. De rechtbank laat voorts meewegen dat het standpunt van de Staat ten eerste de consequentie heeft dat [eiseres] in deze procedure feitelijk het verweer dient te voeren dat door [echtgenoot] in de strafprocedure moet worden gevoerd en ten tweede dat de civiele rechter zich vervolgens een oordeel dient te vormen over de vraag of [echtgenoot] bepaalde strafbare feiten heeft begaan. Het voeren van een dergelijk verweer kan naar het oordeel van de rechtbank niet van [eiseres] worden gevergd. Dat de civiele rechter zich voordat een strafprocedure is afgelopen een oordeel vormt over de vraag of strafbare feiten zijn gepleegd staat voorts haaks op de bij een strafproces behorende waarborgen, zoals de onschuldpresumptie en het zwijgrecht van de verdachte. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 94 d Sv leidt de rechtbank niet af dat deze consequenties door de wetgever gewenst zijn.

Nu de Staat blijkens het voorgaande zijn stelling dat [echtgenoot] ten tijde van de schenkingen vóór 28 september 2006 wist of behoorde te weten dat benadeling van een of meer schuldeiser daarvan het gevolg zou zijn, onvoldoende heeft onderbouwd, is ten aanzien van deze schenkingen niet voldaan aan de vereisten voor het inroepen van de pauliana. Dit heeft tot gevolg dat het Openbaar Ministerie niet rechtsgeldig de buitengerechtelijke vernietiging van de desbetreffende schenkingen heeft kunnen inroepen, waardoor [eiseres] eigenaar is gebleven van de door middel van deze schenkingen verkregen sieraden. De door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht dat zij eigenaar is van deze sieraden is dan ook voor toewijzing vatbaar.

•Horloges

[eiseres] vordert tevens een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van de in beslag genomen horloges (zie rov. 2.3). Volgens de Staat is ten tijde van de inbeslagneming van deze horloges geoordeeld dat het herenhorloges zijn en zijn deze om die reden rechtstreeks onder [echtgenoot] in beslag genomen. De buitengerechtelijke vernietiging van de schenkingen heeft aldus volgens hem geen betrekking op deze horloges. Indien [eiseres] meent dat zij eigenaar is van deze horloges, dient zij dit volgens de Staat aan de orde te stellen in de beklagprocedure ex artikel 552a Sv.

De stelling van de Staat is juist voor zover hij betoogt dat [eiseres] in deze (civiele) procedure geen teruggave van de desbetreffende horloges aan haar kan vorderen. De rechtbank verwijst naar rov. 4.1 hierboven: teruggave kan uitsluitend bij de strafrechter worden gevorderd. [eiseres] vordert echter ook een verklaring voor recht dat de horloges haar eigendom zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] ook voor wat betreft de horloges belang bij dit gedeelte van haar vordering. Hoewel in de beklagprocedure de stelling van [eiseres] dat zij eigenaar is van de in beslag genomen horloges mogelijkerwijs kan leiden tot teruggave van deze horloges, kan door [eiseres] in die procedure geen verklaring voor recht worden gevorderd dat zij daarvan de eigenaar is.

[eiseres] heeft ter comparitie gemotiveerd betwist dat het om aan [echtgenoot] toebehorende herenhorloges zou gaan. Daartoe heeft zij gesteld dat zij graag forse horloges draagt die sommigen wellicht als herenhorloges zouden aanduiden. Dat de desbetreffende horloges van haar zijn is voorts goed zichtbaar aan de lengte van de polsbandjes. De Staat heeft naar aanleiding van het gemotiveerde verweer van [eiseres] zijn stelling dat de horloges eigendom van [echtgenoot] zijn niet van een nader gemotiveerde onderbouwing voorzien, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij zal gaan. Hieruit volgt dat ook de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht dat zij eigenaar is van deze - door de Staat als herenhorloges bestempelde - horloges dient te worden toegewezen.

Uit het voorgaande volgt dat partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld. De proceskosten zullen in verband daarmee worden gecompenseerd, des dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering tot afgifte van in beslag genomen sieraden;

- verklaart voor recht dat [eiseres] eigenaar is van de in beslag genomen sieraden die [echtgenoot] haar vóór 28 september 2006 heeft geschonken;

- verklaart voor recht dat [eiseres] eigenaar is van de in beslag genomen horloges die door de Staat zijn aangemerkt als herenhorloges;

- compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2009.