Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4614

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
09-754123-09; 22-003148-06 (tul)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9710, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promisvonnis. Stalking. Gedurende een periode van ongeveer drie weken heeft verdachte sms- en mms-berichten gestuurd naar de diensttelefoon van een inspecteur van politie. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Daartoe acht de rechtbank de uit bewijsmiddelen gebleken feiten en omstandigheden redengevend, waaronder: het tijdstip van verzending: 4 van de 6 berichten zijn 's avonds of 's nachts - dat wil zeggen in privé-tijd - verzonden; het telkens anoniem versturen van de berichten; zinsneden die refereren hetzij aan een grootschalig opsporingsonderzoek, waarbij aangeefster uit hoofde van haar functie bij de politie betrokken is geweest, hetzij aan persoonlijke gegevens van aangeefster; zinsneden in de berichten, die in onderling verband bezien, telkens een bedreiging impliceren, zoals: “I’ll be watchin’ you”, “You never walk alone”, “Ik ben vandaag heel dicht bij jou. Als je jezelf gisteren niet had gewassen, kon ik je nu ruiken” en “8000 kg TNT geh’n auf reisen”; de omstandigheid dat verdachte wist dat aangeefster bij de politie werkzaam is; de impact die de berichten daadwerkelijk op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster en haar gezin hebben gehad. De rechtbank veroordeelt verdachte voor belaging en bezit van een verboden wapen en munitie tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/754123-09; 22/003148-06 (tul)

Datum uitspraak: 26 november 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 12 november 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.H. Vogelenzang en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 24 mei 2009 tot en met 13 juni 2009 te Nederland en/of Duitsland en/of Frankrijk en/of Tsjechië en/of Oostenrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [X], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [X], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, die [X] met (grote) regelmaat en/of op zeer indringende wijze en/of zonder zijn identiteit prijs te geven een (aantal) smsje(s) en/of een (aantal) mmsje(s) heeft gestuurd en/of heeft gebeld waaruit die [X] opmaakte dat hij, verdachte, en/of een van zijn mededaders haar voortdurend in de gaten hield en/of over persoonlijke informatie van haar, [X], beschikte;

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 13 juni 2009 te Frankrijk een wapen van categorie II, te weten een machinepistool, en/of munitie van categorie III, te weten 15, althans een of meer, volmantelpatro(o)n(en) (Merk: [merk], kaliber 9 mm Luger), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 13 juni 2009 te Frankrijk een of meer wapens van categorie I, te weten een geluiddemper, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie ter zake van feit 3

Uit de beschikbare stukken in het dossier blijkt dat het bezit van een geluiddemper in Frankrijk niet verboden is. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid dat op grond van artikel 5, tweede lid, onder 2o van het Wetboek van Strafrecht geldt voor feiten die door Nederlanders in het buitenland zijn begaan.

Dit betekent dat het feit, hoewel strafbaar in Nederland, niet in Nederland kan worden vervolgd, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 24 mei 2009 tot 13 juni 2009 in Nederland een vrouw genaamd [X] heeft belaagd door haar vanuit het buitenland en Nederland anoniem sms- en mms-berichten te sturen (feit 1) en dat verdachte zich op 13 juni 2009 in Frankrijk heeft schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit (feit 2).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feiten 1 en 2 heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Ter zake van feit 1 heeft de raadsman primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat weliswaar op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, feitelijk kan worden vastgesteld dat verdachte vier sms-berichten en twee mms-berichten naar het telefoonnummer van aangeefster heeft gestuurd, maar dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte daarmee stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster ofwel dat verdachte zich in juridische zin heeft schuldig gemaakt aan belaging.

Ter zake van feit 2 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen1 feitelijk het volgende vast.

Ten aanzien van feit 1:

Op 24 mei 2009 te 00:57 uur verstuurt verdachte vanuit Frankrijk een sms-bericht naar de diensttelefoon van [X] met de tekst: “Every breath you take, every move you make, every step you take… I’ll be watchin’you!” Hij maakt daarbij zijn identiteit niet bekend2. Mevrouw [X] (hierna te noemen: aangeefster) bevindt zich op dat moment op haar vakantie-adres en belt meteen terug naar het telefoonnummer waarmee het sms-bericht is verstuurd – naar later blijkt het telefoonnummer dat uitsluitend door verdachte wordt gebruikt3 – , waarop een voicemailbox antwoordt4.

Op 24 mei 2009 te 21:57 uur verstuurt verdachte vanuit Frankrijk een tweede sms-bericht naar de diensttelefoon van aangeefster met de tekst: “Methodiekenspelletje: “Zoek het pijlbaken”. You never walk alone. Shalom with [Y]”. Hij maakt daarbij zijn identiteit wederom niet bekend5. Aangeefster is thuis op het moment dat zij dit sms-bericht ontvangt en wordt bang. Zij belt opnieuw naar het telefoonnummer van verdachte en krijgt wederom de voicemailbox. Vervolgens spreekt zij de voicemail van officier van justitie mr. [Y] in om haar te waarschuwen. Met mr. [Y] heeft aangeefster in het verleden diverse grote strafrechtelijke onderzoeken gedraaid waaronder een zaak waarbij de nationale veiligheid in gevaar was, te weten een onderzoek naar een omvangrijke wapenhandel in 2005. Omdat aangeefster bang is dat er “iets” (peilbaken of bom) onder haar auto zou zitten, brengt zij in overleg met haar chef haar auto naar de parkeerplaats van haar werk.

Aangeefster voelt zich ernstig bedreigd en doet 25 mei 2009 aangifte en verzoekt over te gaan tot vervolging6.

Diezelfde dag wordt een opsporingsonderzoek gestart en wordt door de politie op het telefoonnummer van verdachte een technisch middel ingezet7.

Op 30 mei 2009 te 03.17 uur stuurt verdachte vanuit Frankrijk een derde sms-bericht naar de diensttelefoon van aangeefster met de tekst: “Uitkomst 1e spelletje 48.19’29.25 N 16.25’55.03 Naaldwijkse [XXXX]’s Brother in arms.” Naaldwijk is de geboorteplaats van aangeefster. [XXXX]’s staat voor de initialen van aangeefster8. Deze privé gegevens staan vermeld op schoolbank.nl9. De echtgenote van verdachte heeft deze gegevens gevonden op internet10. Naar aanleiding van dit sms-bericht geeft aangeefster haar telefoon af aan de teamleider van het politieonderzoek11.

Op 9 juni 2009 te 15.38 uur verstuurt verdachte vanuit Nederland een vierde sms-bericht naar de telefoon van aangeefster met de tekst: “Ik ben vandaag heel dicht bij jou. Als je jezelf gisteren niet had gewassen, kon ik je nu ruiken.”12

Op 9 juni 2009 te 19:29 uur verstuurt verdachte vanuit Duitsland een mms-bericht naar de telefoon van aangeefster met de tekst: “Fahr’n Fahr’n Fahr’n auf der Autobahn… (Kraftwerk Brandenburg). Der Clown.” Er zit een foto bij het mms-bericht van een autosnelweg in Duitsland.13

Op 11 juni 2009 te 11:35 uur verstuurt verdachte vanuit Duitsland een tweede mms-bericht naar de telefoon van aangeefster met de tekst: “De voorraad van [......] die jullie niet wilden vinden is net door mij na 4 jaar ingeladen. Bij gebrek aan een pijlbaken: N52.00.175’ E13.00.034 check dit via gsm zendmast gegevens van duitse provider E-Plus (wel een rhv van [officier [Y]) 8000 kg TNT geh’n auf reisen…”. Bij dit mms-bericht is een foto van een loods gevoegd14.

Aangeefster verneemt van de politie de inhoud van het vierde sms-bericht evenals de inhoud van de twee mms-berichten. Door het versturen van voornoemde sms- en mms-berichten heeft verdachte het sociale leven van aangeefster en dat van haar man en kinderen ontwricht15.

Ten aanzien van feit 2:

Op 13 juni 2009 wordt in het huis van verdachte te Frankrijk tijdens een doorzoeking door de Franse politie een machinepistool en 15 volmantelpatronen van het merk [merk], kaliber 9 mm Luger, aangetroffen en in beslag genomen16. Verdachte heeft het wapen en de munitie vanuit Nederland naar zijn huis in Frankrijk meegenomen en wist dat het wapen en de munitie in Nederland verboden was17. Het machinepistool is een wapen van categorie II van de Wet wapens en munitie en de volmantelpatronen is munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie18.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 het volgende.

Naar vaststaande jurisprudentie is voor de beoordeling of in het gegeven geval sprake is van belaging relevant hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent de aard, de duur, de intensiviteit en de frequentie van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen, zoals hiervoor weergegeven, van oordeel dat verdachte door middel van het versturen van genoemde sms- en mms-berichten stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Daartoe acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in het bijzonder redengevend:

- het tijdstip van verzending: 4 van de 6 berichten zijn ’s avonds of ’s nachts - dat wil zeggen in privé-tijd - verzonden

- het relatief korte tijdsbestek waarin de sms- en mms-berichten zijn verstuurd: twee berichten zijn verstuurd binnen 24 uur na het vorige bericht; in totaal zijn 6 berichten binnen 19 dagen verstuurd;

- het telkens anoniem versturen van de sms- en mms-berichten;

- de opbouw van de berichten: steeds specifieker en indringender en daarmee (be)dreigender;

- zinsneden die refereren hetzij aan een grootschalig opsporingsonderzoek, waarbij aangeefster uit hoofde van haar functie bij de politie betrokken is geweest, hetzij aan persoonlijke gegevens van aangeefster;

- zinsneden in de sms- en mms-berichten die, in onderling verband bezien, telkens een bedreiging impliceren, zoals: “I’ll be watchin’ you”, “You never walk alone”,, “Ik ben vandaag heel dicht bij jou. Als je jezelf gisteren niet had gewassen, kon ik je nu ruiken” en “8000 kg TNT geh’n auf reisen”;

- de omstandigheid dat verdachte wist dat aangeefster bij de politie werkzaam is; en

- de impact die de berichten daadwerkelijk op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster en haar gezin hebben gehad.

De rechtbank verwerpt aldus het verweer van de raadsman dat geen sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 24 mei 2009 tot en met 13 juni 2009 te Nederland en Duitsland en Frankrijk, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [X], met het oogmerk die [X] vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, die [X] op zeer indringende wijze en zonder zijn identiteit prijs te geven een aantal smsjes en een aantal mmsjes gestuurd waaruit die [X] opmaakte dat hij, verdachte, haar voortdurend in de gaten hield en over persoonlijke informatie van haar, [X], beschikte;

2.

op 13 juni 2009 te Frankrijk een wapen van categorie II, te weten een machinepistool, en munitie van categorie III, te weten 15 volmantelpatronen (Merk: [merk], kaliber 9 mm Luger), voorhanden heeft gehad.

5. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is onderzocht door psycholoog R.A.R. Bullens, die op 18 september 2009 rapport heeft uitgebracht. Uit het psychologisch onderzoek komt naar voren dat bij verdachte in enige mate sprake lijkt te zijn van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, duidend op symptomen van Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS). De PTTS is ontstaan als gevolg van oplopende spanningen in navolging van de veroordeling wegens verboden wapenbezit in 2005. Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was deze ziekelijke stoornis ook aanwezig. De psycholoog concludeert op grond van de PTTS symptomen dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt. Indien verdachte zijn problemen niet op een constructieve wijze leert aanpakken en niet leert omgaan met wat er in 2005 heeft plaatsgevonden, is de kans op herhaling aanwezig.

De psycholoog acht een deels onvoorwaardelijke straf en een ambulante behandeling met het oog op traumareparatie geïndiceerd. De behandeling zou eventueel door De Waag kunnen worden geboden. Omdat verdachte zelf de dringende noodzaak van een dergelijke behandeling inziet, lijkt een behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde niet geïndiceerd, aldus de psycholoog.

De rechtbank neemt de conclusie ten aanzien van de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en maakt die tot de hare.

Gelet op voormeld rapport en omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, acht de rechtbank verdachte strafbaar.

7. De straf/maatregel

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde een behandeling bij De Waag en met aftrek van de tijd die verdachte in Oostenrijk en in Nederland in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit bij wijze van subsidiair verweer voor wat betreft feit 1 en voor feit 2 dat aan verdachte uitsluitend een gevangenisstraf wordt opgelegd die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Meer subsidiair bepleit de raadsman dat indien de rechtbank overweegt om aan verdachte een hogere onvoorwaardelijke straf op te leggen dan de duur van het voorarrest, het hogere deel in de vorm van een onvoorwaardelijke taakstraf aan verdachte op te leggen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

In een periode van ongeveer drie weken heeft verdachte een inspecteur van politie gestalkt door het anoniem versturen van sms- en mms-berichten naar haar diensttelefoon. Een aantal van deze berichten is kort na elkaar, te weten binnen 24 uur, en ’s avonds of ’s nachts verzonden.

De berichten waren in toenemende mate dreigend van toon en bevatten verwijzingen naar een oud opsporingsonderzoek met betrekking tot internationale wapenhandel, waarbij aangeefster uit hoofde van haar functie betrokken was. Ook stonden er in de berichten persoonlijke gegevens van aangeefster vermeld. In een aantal berichten deed verdachte voorkomen of hij haar in de gaten hield en hij in haar nabijheid verkeerde. Aangeefster ontving de berichten als zij zich in de privé-sfeer ophield.

Daarmee heeft verdachte zijn slachtoffer grote vrees aangejaagd en de gevolgen van zijn handelen zijn dan ook voor het slachtoffer alsook voor haar gezin ernstig geweest, zoals blijkt uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Gedurende enige tijd heeft zij voor haar leven gevreesd en zij is op aanraden van de Nationale Recherche tijdelijk met haar gezin in het buitenland ondergedoken. Het sociale leven van het slachtoffer en haar gezin is daardoor ernstig ontwricht geweest. Tot op de dag van de zitting ondervond zij bovendien nog steeds psychische last van het gebeuren.

Verdachte kende de naam van het slachtoffer uit zijn oude strafdossier en wist daardoor dat zij werkzaam was bij de politie. Hij heeft bij het versturen van de berichten alleen oog gehad voor (het afreageren van) zijn eigen frustraties voortvloeiend uit de strafzaak uit 2005. Hij had echter moeten beseffen dat de inhoud van de sms- en mms-berichten serieus zou worden genomen en een grote impact zouden hebben in het persoonlijke leven van aangeefster. De rechtbank acht daarom dit feit zeer kwalijk en zal bij de strafoplegging in het bijzonder dit feit zwaar laten wegen.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een verboden wapen en verboden munitie. Dit feit neemt de rechtbank verdachte eveneens zeer kwalijk, temeer nu hij – zoals blijkt uit een op zijn naam staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 juli 2009 – nog in 2008 ter zake van meervoudig wapenbezit is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte bij de strafoplegging voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens voormeld documentatie-uittreksel reeds meermalen voor strafbare feiten is veroordeeld en dat hij ten tijde van de onderhavige feiten ter zake van voormelde veroordeling uit 2008 nog in een proeftijd liep.

Gelet op het hiervoor genoemde psychologische rapport, houdt de rechtbank bij de strafoplegging daarnaast rekening met de omstandigheid dat verdachte ten tijde van de gepleegde feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar was.

Tevens laat de rechtbank meewegen dat verdachte tijdens de terechtzitting meermalen zijn spijt heeft betuigd en daarin oprecht lijkt te zijn.

Uit het psychologisch rapport volgt verder dat wanneer verdachte zijn problemen niet op een constructieve wijze leert aanpakken en niet leert omgaan met wat er in 2005 heeft plaatsgevonden, de kans op herhaling aanwezig is. De rechtbank ziet aanleiding een deels voorwaardelijke straf op te leggen. Nu verdachte overtuigd lijkt te zijn van de noodzaak van behandeling en thans woonachtig is in Frankrijk, ziet de rechtbank met de psycholoog geen aanleiding om aan het voorwaardelijk deel van de straf tevens de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde op te leggen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank na te melden straf passend en geboden.

8. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.543,30, subsidiair 62 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [X].

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft zich op de zitting bereid verklaard het totale bedrag dat door de benadeelde partij als schade is gevorderd te willen vergoeden.

De raadsman heeft bepleit voor wat betreft de gevorderde materiële schade uitsluitend toe te wijzen de bedragen ad € 278,00 (zwemles) en € 165,80 (voorstelling Ciske de Rat) en de benadeelde partij ter zake van de overige materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De raadsman heeft bepleit de gevorderde immateriële schade te matigen tot ten minste een bedrag van € 750,00.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

[X], domicilie kiezende [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.543,30.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post materiële schade ad € 3.543,30, van zo eenvoudige aard dat dit deel van de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit deel van de vordering is door verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde immateriële schade ad € 2.000,= dat de zaak in het kader waarvan deze schade is gevorderd, zich moeilijk laat vergelijken met andere zaken waarbij sprake is geweest van belaging. Hoewel bij de hoogte van het bedrag vraagtekens zouden kunnen worden geplaatst, zal de rechtbank dit deel van de vordering geheel toewijzen, nu de verdachte nadrukkelijk de gegrondheid van deze schade heeft erkend en vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.543,30.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.543,30, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [X].

9. De inbeslaggenomen goederen

Ter terechtzitting heeft verdachte door middel van een schriftelijke verklaring op na te noemen beslaglijst afstand gedaan van de onder hem in beslaggenomen goederen, zijnde de onder 1 tot en met 6 genummerde voorwerpen van de beslaglijst met parketnummer 09/754123-09. Daarmee wordt het beslag als afgedaan beschouwd en zal de rechtbank ten aanzien van het beslag geen beslissingen nemen.

10. De vordering tenuitvoerlegging

10.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voorts de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 5 februari 2008 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf besturen, te weten gevangenisstraf voor de duur van 195 dagen.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Daarbij heeft hij zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een overtreden algemene voorwaarde, nu verdachte van de hem thans ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de wetgever met het bepaalde in artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht nooit de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf kan hebben bedoeld indien de nieuwe strafbare feiten buiten Nederland zijn begaan.

10.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt in de eerste plaats het primaire verweer van de raadsman, nu verdachte ter zake van twee hem thans gelegde strafbare feiten zal worden veroordeeld.

De rechtbank verwerpt ook het subsidiaire verweer van de raadsman, aangezien in artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht een dergelijk voorbehoud niet is gemaakt.

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 8 februari 2008, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Verdachte heeft zich immers wederom schuldig gemaakt aan strafbare feiten voor het einde van de proeftijd die hem bij voormeld arrest is opgelegd.

11. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14g, 24c, 36f, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12. De beslissing

De rechtbank,

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van feit 3;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

- belaging;

ten aanzien van feit 2:

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest in Oostenrijk en Nederland doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 4 (vier) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [X], een bedrag van € 5.543,30;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 5.543,30 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [X];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 62 (tweeënzestig) DAGEN;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 5 februari 2008, gewezen onder parketnummer 22/003148-06, te weten gevangenisstraf voor de duur van 195 (honderdvijfennegentig) DAGEN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mrs M. Knijff en S.A. Steinhauser, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs M. Gest en D.E. Koops, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2009.

mrs Knijff en Steinhauser zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Waneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit – tenzij anders vermeld – de pagina’s van de doorgenummerde bijlagen van het overzichtsproces-verbaal – Algemeen Dossier (O/opv) – onderzoek: 15BRR 09-190 Shalom, regiopolitie Haaglanden, gedateerd 25 september 2009.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting en proces-verbaal van verhoor aangeefster [X], O/opv/A/4.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], O/opv/V/37-38.

4 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [X], O/opv/A/4

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

6 Proces-verbaal van aangeefster [X], O/opv/A/4-5.

7 Proces-verbaal van bevindingen inzet technisch middel, O/opv/AH/7.

8 Verklaring van verdachte ter terechtzitting en proces-verbaal van nader verhoor aangeefster [X], O/opv/A/21.

9 Proces-verbaal van nader verhoor aangeefster [X], O/opv/A/22.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, O/opv/V/40.

11 Proces-verbaal van nader verhoor aangeefster [X], O/opv/A/21.

12 Verklaring van verdachte ter terechtzitting; proces-verbaal van bevindingen 4de sms-bericht, O/opv/AH/34.

13 Verklaring van verdachte ter terechtzitting; proces-verbaal van bevindingen sms / mms -bericht, O/opv/AH/35.

14 Verklaring van verdachte ter terechtzitting; proces-verbaal van bevindingen sms / mms –bericht/O/opv/AH/37.

15 Proces-verbaal van nader verhoor aangeefster [X], O/opv/A/21 en 23.

16 Proces-verbaal van [A], inspecteur van politie te Clermont-Ferrand (Frankrijk) d.d. 13 juni 2009, RHV/Bijlage 5/Shalom/299 en Proces-verbaal van Bevindingen d.d. 2 juli 2009, Z/TNT/AH/12 en 13.

17 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

18 Proces-verbaal van de regiopolitie Haaglanden, Bureau Forensische Opsporing, Ploeg Wapens, Explosieven en Narcotica d.d. 1 juli 2009, Z/TNT/AH/40 en 43.