Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4596

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
AWB 08/41391 & 08/35923
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / eerbiediging van familie- of gezinsleven in Nederland / bezit Franse verblijfstitel / langdurig ingezeten onderdaan van derde landen

Ten aanzien van de grond dat eiseres in het bezit is van een Franse verblijfstitel, oordeelt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft een ‘carte de résident’ overgelegd, afgegeven door de prefecture Guyana, met een geldigheidsduur tot 25 juni 2011. Volgens de bijlage bij Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) betreft het hier een nationale verblijfstitel, die te gebruiken is bij grensoverschrijding in het Schengengebied. Dit betekent echter niet, dat eiseres met een dergelijke nationale verblijfstitel daarmee dan ook rechtmatig verblijf heeft in een andere lidstaat, dan de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat de Nederlandse autoriteiten de houder van een verblijfstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie niet ongewenst zouden kunnen verklaren. Hierbij is nog van belang dat oplegging van een maatregel tot ongewenstverklaring niet inhoudt dat eiseres in het geheel is uitgesloten van verblijf op grondgebied van de Europese Unie, doch slechts dat zij buiten het grondgebied van Nederland dient te verblijven voor de duur van de ongewenstverklaring.

Voor zover eiseres heeft beoogd aan te voeren dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als langdurig ingezeten onderdaan van een derde land op grond van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en verweerder om die reden de ongewenstverklaring dient op te heffen, wordt nog overwogen dat eiseres, op grond van artikel 1, aanhef en onder a, en artikel 3, eerste lid, richtlijn 2003/109, een daartoe strekkende aanvraag moet indienen in de lidstaat op het grondgebied waarvan zij legaal verblijf heeft. Eerst nadat eiseres een dergelijke verblijfstitel heeft verworven, dient verweerder met deze omstandigheid rekening te houden bij een vervolgens in te dienen verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 08 / 41391 (beroep)

AWB 08 / 35923 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 8 oktober 2009

in de zaak van:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Surinaamse nationaliteit,

eiseres/verzoekster,

verder te noemen eiseres,

gemachtigde: mr. M.J.M. Peeters, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 22 februari 2008 een aanvraag ingediend tot het opheffen van de op 1 april 2006 opgelegde ongewenstverklaring. Bij besluit van 18 juni 2008 is dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft eiseres op 23 juni 2008 bezwaar gemaakt.

1.2 Eiseres heeft op 7 oktober 2008 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij verzoekt de voorzieningenrechter te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, zolang niet op het bezwaarschrift van 23 juni 2008 is beslist.

1.3 Bij besluit van 17 november 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Op 23 november 2008 heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 1 juli 2009. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van afwezigheid, niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 68, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan verweerder op aanvraag van de vreemdeling besluiten tot opheffing van de ongewenstverklaring.

2.3 In artikel 6.6, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is opgenomen dat de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring in ieder geval wordt ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging ter zake van een misdrijf is onderworpen en ongewenst verklaard is naar aanleiding van geweldsdelicten of opiumdelicten en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven.

2.4 In hoofdstuk A5/4.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is bepaald dat slechts in twee situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring kan rechtvaardigen. Het moet dan gaan om feiten en omstandigheden die verband houden met het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of er moet sprake zijn van een verbod op uitzetting in verband met artikel 3 EVRM.

2.5 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres is op 22 januari 2004 Nederland ingereisd en is op 6 februari 2004 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij partner [naam]’. Deze verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 10 juli 2009. Eiseres is bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem, van 28 juni 2006, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van elf maanden wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod en het opzettelijk gebruik maken van een niet op haar naam gesteld paspoort. Bij besluit van 14 maart 2007 is de aan eiseres verleende verblijfsvergunning ingetrokken en is eiseres ongewenst verklaard op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. De hiertegen aangewende rechtsmiddelen zijn uiteindelijk bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats ongegrond verklaard voor zover dit betrekking had op de ongewenstverklaring en niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking had op de intrekking van de verblijfsvergunning. Op 18 oktober 2007 heeft eiseres verweerder verzocht gebruik te maken van de in artikel 3.4, derde lid, Vb neergelegde bevoegdheid. Bij besluit van 4 maart 2008 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Eiseres heeft op 12 februari 2008 een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, dan wel om verlening van de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land als bedoeld in richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. Deze aanvraag is bij besluit van 18 juni 2008 afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 november 2008 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres op 23 november 2008 beroep ingesteld. Dit beroep is bij brief van 27 januari 2009 ingetrokken.

2.6 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Eiseres heeft nog geen tien jaar onafgebroken buiten Nederland verbleven. Er is geen sprake van zeer bijzondere feiten en omstandigheden die zouden moeten leiden tot opheffing van de ongewenstverklaring. De stelling dat de ongewenstverklaring opgeheven zou moeten worden omdat eiseres een Franse verblijfsvergunning heeft en daardoor in aanmerking komt voor een verblijf als langdurig ingezeten onderdaan van een derde land, volgt verweerder niet, nu niet is gebleken dat eiseres in Frankrijk in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten onderdanen van een derde land. De zoon van eiseres heeft evenmin rechtmatig verblijf in Nederland. Een beroep op artikel 8 EVRM kan eiseres dan ook niet baten. Er bestaat derhalve geen aanleiding het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring in te willigen. Met gebruikmaking van het gestelde in artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb is afgezien van het horen van eiseres.

2.7 Eiseres heeft hiertegen het volgende aangevoerd. Verweerder is ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat eiseres in het bezit is van een geldige Europese verblijfstitel, afgegeven door de Franse autoriteiten. Op grond van de glijdende schaal had eiseres niet ongewenst verklaard mogen worden. Er is geen sprake van gevaar voor recidive en eiseres vermag daarom niet in te zien waarin de rechtvaardiging is gelegen voor het onverkort handhaven van de ongewenstverklaring. Het besluit is ondeugdelijk gemotiveerd. Verweerder heeft ten onrechte afgezien van het horen van eiseres. Eiseres heeft aangegeven dat zij een ziek kind heeft, waarvoor zij de zorg draagt.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres niet heeft voldaan aan de voorwaarde die is gesteld in artikel 6.6, eerste lid, aanhef en onder a, Vb.

2.9 De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of in het onderhavige geval sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als omschreven in A5/4.4 Vc, op grond waarvan verweerder in redelijkheid had moeten overgaan tot opheffing van de ongewenstverklaring. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Hierbij is het volgende van belang.

2.10 Niet is in geschil dat zich ten aanzien van eiseres niet een situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM voordoet, zodat in dat opzicht geen sprake is van een bijzonder feit of omstandigheid.

2.11 Eiseres heeft een beroep gedaan op het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op eerbiediging van haar familie- of gezinsleven in Nederland. Dit beroep kan echter niet slagen. Onweersproken is dat er sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar zoon. Nu de zoon van eiseres echter geen rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning in Nederland heeft, moet worden geoordeeld dat de weigering tot opheffing van de ongewenstverklaring geen inmenging in het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht inhoudt.

2.12 Ten aanzien van de grond dat eiseres in het bezit is van een Franse verblijfstitel, oordeelt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft een ‘carte de résident’ overgelegd, afgegeven door de prefecture Guyana, met een geldigheidsduur tot 25 juni 2011. Volgens de bijlage bij Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode, hierna SGC) betreft het hier een nationale verblijfstitel, die te gebruiken is bij grensoverschrijding in het Schengengebied. Dit betekent echter niet, dat eiseres met een dergelijke nationale verblijfstitel daarmee dan ook rechtmatig verblijf heeft in een andere lidstaat, dan de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat de Nederlandse autoriteiten de houder van een verblijfstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie niet ongewenst zouden kunnen verklaren. Hierbij is nog van belang dat oplegging van een maatregel tot ongewenstverklaring niet inhoudt dat eiseres in het geheel is uitgesloten van verblijf op grondgebied van de Europese Unie, doch slechts dat zij buiten het grondgebied van Nederland dient te verblijven voor de duur van de ongewenstverklaring.

2.13 Voor zover eiseres heeft beoogd aan te voeren dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als langdurig ingezeten onderdaan van een derde land op grond van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en verweerder om die reden de ongewenstverklaring dient op te heffen, wordt nog overwogen dat eiseres, op grond van artikel 1, aanhef en onder a, en artikel 3, eerste lid, richtlijn 2003/109, een daartoe strekkende aanvraag moet indienen in de lidstaat op het grondgebied waarvan zij legaal verblijf heeft. Eerst nadat eiseres een dergelijke verblijfstitel heeft verworven, dient verweerder met deze omstandigheid rekening te houden bij een vervolgens in te dienen verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring.

2.14 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.15 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.16 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

De voorzieningenrechter:

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, tevens voorzieningenrechter, en op 8 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.