Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4576

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
AWB 09-1857
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag visum kort verblijf; niet aannemelijk gemaakt dat tijdige terugkeer naar het land van herkomst is gewaarborgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 1857

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 oktober 2009

in de zaak van:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Sri Lankaanse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar

tegen:

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

gemachtigde: mr. H.A.G. Koppert, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 17 januari 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een visum kort verblijf voor familiebezoek aan ouders en broers. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 31 januari 2008 afgewezen. Eiseres heeft tegen het besluit op 18 februari 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 mei 2008 is het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres op 16 mei 2008 beroep ingesteld.

1.2 Bij besluit van 30 mei 2008 is het besluit van 7 mei 2008 ingetrokken en is het bezwaarschrift opnieuw ongegrond verklaard. Bij brief van 21 oktober 2008 is het besluit van 30 mei 2008 ingetrokken. Op 28 oktober 2008 heeft eiseres het beroep van 16 mei 2008 ingetrokken.

1.3 Op 18 december 2008 zijn referent en de gemachtigde van eiseres gehoord door een ambtelijke commissie van verweerder.

1.4 Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 14 januari 2009 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit op 20 januari 2009 beroep ingesteld.

1.5 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.6 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 22 juli 2009. Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door drs. K.E.M. de Wit, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum voor de toepassing van hoofdstuk 7 “Rechtsmiddelen” van de Vreemdelingenwet 2000 gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.

2.3 Verweerder is op grond van artikel 7 van het Souverein Besluit van 12 december 1813 (Stcrt. 1814, 4) bevoegd tot het verlenen van visa.

2.4 Ingevolge de artikelen 1 en 2 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie (Pbl. C 340 van 10 november 1997) is het Schengen-acquis, met inbegrip van de besluiten van het bij de uitvoeringsovereenkomsten van Schengen opgerichte Uitvoerend Comité, opgenomen in het institutionele en juridisch kader van de Europese Unie en treedt de Raad van de Europese Unie in de plaats van het Uitvoerend Comité. De Overeenkomst ter uitvoering van het Schengen-akkoord van 19 juni 1990, Trb. 1990/145 (SUO) maakt ingevolge de bijlage bij het Protocol deel uit van het Schengen-acquis.

2.5 Ingevolge artikel 10, eerste lid, SUO wordt er een eenvormig visum ingesteld dat geldig is voor het grondgebied van alle Overeenkomstsluitende Partijen en kan dit visum worden verleend voor een periode van ten hoogste drie maanden.

2.6 Ingevolge artikel 15 SUO mag een visum als bedoeld in artikel 10 SUO in beginsel slechts worden afgegeven, voor zover de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst gesteld in artikel 5, eerste lid, onder a, c, d en e, SUO.

2.7 De artikelen 2 tot en met 8 van het SUO zijn ingetrokken op grond van artikel 39, eerste lid, van de verordening EG 562/2006 (de Schengengrenscode). Ingevolge artikel 39, derde lid, van de Schengengrenscode worden verwijzingen naar geschrapte artikelen beschouwd als verwijzingen naar de Schengengrenscode.

2.8 In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Schengengrenscode is als voorwaarde opgenomen het, zo nodig, overleggen van documenten ter staving van het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden alsmede het beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van oorsprong of voor de doorreis naar een derde Staat, waar toelating is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven.

2.9 In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Schengengrenscode is als voorwaarde opgenomen het niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van één der Overeenkomstsluitende Partijen.

2.10 Op grond van artikel 17 SUO heeft het Uitvoerend Comité een nieuwe versie van de Gemeenschappelijke visuminstructie vastgesteld (besluitnummer SCH/Com-ex, (99) 13, Pbl. L 239 van 22 september 2000). De Gemeenschappelijke visuminstructie (hierna: GVI) bevat gemeenschappelijke regels voor de behandeling van visumaanvragen. In Hoofdstuk V GVI wordt gememoreerd dat de behandeling van de visumaanvragen aan de volgende fundamentele criteria moet worden getoetst: de veiligheid van de overeenkomstsluitende partijen, de bestrijding van de illegale immigratie alsmede andere aspecten van de internationale betrekkingen.

2.11 Uit hoofdstuk V GVI blijkt voorts dat de beoordeling van het gevaar voor illegale immigratie ten volle berust bij de diplomatieke en consulaire posten. De behandeling van visumaanvragen heeft tot doel aanvragers te onderkennen die voornemens zijn te emigreren en door middel van een visum voor toeristische, studie- of zakelijke doeleinden, dan wel voor familiebezoek pogen de Schengenruimte binnen te komen en er zich te vestigen. Aanvragen welke worden ingediend door personen uit “risicogroepen” (werklozen, personen zonder bestaansmiddelen) vereisen bijzondere aandacht. In geval van twijfel omtrent de authenticiteit van de documenten of de betrouwbaarheid van bewijsstukken, dient van visumafgifte te worden afgezien.

2.12 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 15 april 2000 is (mede) ten behoeve van eiseres een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 14 juli 2000 afgewezen. Op 19 april 2001 is voor eiseres een aanvraag ingediend om afgifte van een mvv. Deze aanvraag is bij besluit van 19 augustus 2002 afgewezen. Op 5 maart 2002 is opnieuw, mede namens eiseres, een aanvraag om afgifte van een mvv ingediend. Bij besluit van 6 maart 2003 is deze aanvraag in ieder geval voor wat betreft eiseres afgewezen. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van 5 maart 2004 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij brief van 16 augustus 2004 ingetrokken.

2.13 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Niet is gebleken dat de broer van eiseres, verder aan te duiden als referent, beschikt over een duurzaam inkomen dat minimaal gelijk is aan het bestaansminimum om zich garant te kunnen stellen. Voorts is niet gebleken dat eiseres zelf over voldoende middelen beschikt. Onvoldoende is komen vast te staan dat eiseres tijdig zal terugkeren naar het land van herkomst.

2.14 Eiseres heeft hiertegen in beroep het volgende aangevoerd. Namens eiseres zijn eerder procedures om verlening van een mvv gevoerd. Sindsdien heeft eiseres zich erbij neergelegd dat zij geen mvv zal krijgen. Dat neemt niet weg dat eiseres haar ouders en broers in Nederland zou willen bezoeken. Het is niet redelijk om in het verleden gevoerde procedures nu nog tegen te werpen, zeker niet nu eiseres zich bij de afwijzing heeft neergelegd en nooit heeft geprobeerd op illegale wijze Nederland in te reizen. Weigering van het visum is mogelijk in strijd met het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De vader van eiseres is ziek en kan haar niet in Sri Lanka bezoeken. Telefonisch contact is niet mogelijk, omdat de vader van eiseres zeer veel moeite heeft met spreken, vooral van de eigen taal. De enige mogelijkheid voor daadwerkelijk contact voor eiseres is daarom het bezoeken van haar vader. Als het visum geweigerd wordt, is dat een ernstige belemmering van de uitoefening van het gezinsleven. Verweerder twijfelt ten onrechte aan de relatie van eiseres. Verder twijfelt verweerder ten onrechte aan de economische binding van eiseres met haar land van herkomst. De conclusie dat eiseres en referent een valse voorstelling van zaken omtrent het dienstverband van eiseres voorspiegelen, is onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Eiseres heeft in de bezwaarfase verzocht aan verweerder de kosten die zij in bezwaar heeft gemaakt te vergoeden. Eiseres handhaaft dit verzoek. Inmiddels is de relatie tussen eiseres en haar vriend beëindigd, omdat beide families het niet eens konden worden over een huwelijk. De familie van eiseres vond het wenselijk dat zij op korte termijn zou trouwen en heeft een andere huwelijkskandidaat gevonden. Op 27 maart 2009 is eiseres in het huwelijk getreden met de heer [naam]

De rechtbank overweegt als volgt.

2.15 De rechtbank constateert dat de vraag of in het onderhavige geval aan het middelenvereiste is voldaan, niet langer in geschil is.

2.16 Uit het gemeenschapsrecht volgt dat een visumplichtige vreemdeling dient te voldoen aan de in de SGC neergelegde voorwaarden voor toegang. Daarnaast dient de vreemdeling op grond van de Gemeenschappelijke Visuminstructie de Nederlandse vertegenwoordiging in het land van herkomst of land van bestendig verblijf, dan wel bij afwezigheid daarvan, de aangezochte consulaire post, ervan te overtuigen dat een tijdige terugkeer naar het land van herkomst of bestendig verblijf gewaarborgd is. Het is aan de vreemdeling om deze tijdige terugkeer aannemelijk te maken.

2.17 De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat haar tijdige terugkeer naar haar land van herkomst gewaarborgd is. Deze vraag moet naar het oordeel van de rechtbank ontkennend worden beantwoord. Hierbij is het volgende van belang.

2.18 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een sociale binding heeft met het land van herkomst. Hierbij is allereerst van belang dat gebleken is dat de directe familieleden van eiseres allen in Nederland of West-Europa wonen. Eiseres woont in het land van herkomst bij een tante. In bezwaar is namens eiseres aangevoerd dat zij een relatie heeft en voornemens is op korte termijn te zullen trouwen. Verweerder heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om het bestaan van een sociale binding aan te nemen, nu eiseres op dit punt in de bezwaarprocedure geen bewijzen heeft overgelegd.

2.19 Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij inmiddels in het huwelijk is getreden. Verweerder heeft met dit feit bij de beoordeling in bezwaar evenwel geen rekening kunnen houden. Dit feit kan, gelet op het ex tunc karakter van de toetsing in beroep, niet bij de beoordeling van het beroep worden betrokken.

2.20 Ten aanzien van de economische binding van eiseres met haar land van herkomst overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft gesteld werkzaam te zijn als caissière in een winkel. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres een werkgeversverklaring overgelegd, gedateerd op 16 januari 2008 en een aanvullende werkgeversverklaring, gedateerd op 26 maart 2008. Verweerder heeft naar aanleiding van de inhoud van deze werkgeversverklaringen nader onderzoek laten verrichten door de Nederlandse vertegenwoordiging te Colombo, Sri Lanka. Door tussenkomst van deze vertegenwoordiging is telefonisch contact opgenomen met de werkgever van eiseres. Deze werkgever verklaarde dat hij eiseres niet kent en sowieso geen personeel in dienst heeft. Tijdens een tweede telefonisch contact heeft de gestelde werkgever van eiseres aangegeven dat eiseres wel bij hem in dienst was, maar dat zij niet aanwezig was op dat moment. Diezelfde middag is opnieuw telefonisch contact opgenomen met de gestelde werkgever van eiseres. Deze verklaarde dat eiseres naar huis was. De volgende dag is nogmaals gebeld met de gestelde werkgever. In dat gesprek heeft hij verklaard dat eiseres onderweg was om geld te halen. Hierop is eiseres op haar mobiele telefoon gebeld. Zij verklaarde dat zij boeken ging kopen voor de winkel en aansluitend een week vrij zou zijn van haar werk.

2.21 Verweerder heeft in redelijkheid kunnen overwegen dat de hierboven weergegeven verklaringen met betrekking tot het dienstverband van eiseres ongeloofwaardig en tegenstrijdig zijn en derhalve geen waarde kan worden gehecht aan het door eiseres gestelde dienstverband. Referent heeft ter zitting aangegeven dat de gestelde werkgever van eiseres heeft verklaard dat hij geen werknemers had uit angst. Hij wist niet met wie hij sprak. Bij de overige contacten met de Nederlandse vertegenwoordiging zou de werkgever dit wel hebben geweten en daarom zou hij geen moeite hebben gehad te verklaren over het dienstverband van eiseres. Deze verklaring acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen leiden tot de conclusie dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen twijfelen aan de door eiseres gestelde economische binding met haar land van herkomst.

2.22 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.23 Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het primaire besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu het primaire besluit niet is herroepen, ziet de rechtbank daar geen aanleiding toe.

2.24 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, en op 12 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.