Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4519

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
349007 - KG ZA 09-1327
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad? Strafrechtelijk; onmiddellijke invrijheidstelling; artikel 557 lid lid 3 onder 2 Sv; uitleg wijziging voorzieningenrechter. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 12 oktober 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 349007 / KG ZA 09-1327 van:

[eiseres]

verblijvende in de [penitentiaire inrichting]

eiseres,

advocaat mr. P.S. Kamminga te 's-Gravenhage,

tegen:

de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. E.C. Gijselaar te 's-Gravenhage.

1. Het procesverloop

Eiseres heeft gedaagde op 7 oktober 2009 doen dagvaarden om op 9 oktober 2009 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 12 oktober 2009 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 9 oktober 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Eiseres heeft de Nederlandse nationaliteit en is woonachtig op Curaçao.

2.2. Bij vonnis van 2 september 2002 van de politierechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: het vonnis) is eiseres veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Zij is veroordeeld voor - kort gezegd - verboden wapenbezit.

2.3. Tijdens de strafzitting op 2 september 2002 was eiseres afwezig. Zij heeft zich op deze zitting laten vertegenwoordigen door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde advocaat. Het vonnis is conform artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op tegenspraak gewezen.

2.4. Bij brief van 2 september 2002 heeft de onder 2.3 bedoelde advocaat eiseres ingelicht over de opgelegde gevangenisstraf. In deze brief heeft hij gewezen op de appeltermijn van veertien dagen.

2.5. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft conform zijn beleid op 4 november 2002 per brief een vooraankondiging aan eiseres gezonden waarop zij kon aangeven of zij in aanmerking wilde komen voor de zogenoemde zelfmeldprocedure.

2.6. Gedaagde heeft geen reactie ontvangen op voormelde vooraankondiging. Het CJIB heeft daarop eiseres op 16 december 2002 ingeschreven in het opsporingssysteem.

2.7. Op 1 oktober 2009 is eiseres tijdens het inreizen vanaf Curaçao op Schiphol aangehouden op basis van het vonnis. Bij de aanhouding van eiseres is het vonnis aan haar betekend, tezamen met een bijsluiter.

2.8. Eiseres heeft tegen dit vonnis dezelfde dag een rechtsmiddel aangewend.

2.9. Op 16 november 2009 zal eiseres de aan haar opgelegde vrijheidsstraf volledig hebben uitgezeten.

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. Eiseres vordert - zakelijk weergegeven - gedaagde te gebieden de executie van het vonnis van de politierechter te Rotterdam van 2 september 2002 te staken binnen twee uur na dit vonnis en eiseres in vrijheid te stellen en haar in de gelegenheid te stellen zonder enige belemmering naar Curaçao af te reizen.

3.2. Daartoe voert eiseres het volgende aan.

Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiseres nu elke grond voor de tenuitvoerlegging van het vonnis ontbreekt. Blijkens de bijsluiter, die ten tijde van de aanhouding op Schiphol aan eiseres is meebetekend met het vonnis, is de veroordeling nog niet onherroepelijk. Eiseres heeft op de mededeling bij de betekening mogen vertrouwen dat het vonnis nog niet onherroepelijk is. Zij kon hier ook van uitgaan omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat het vonnis een verstekvonnis betrof, zodat zij nog een rechtsmiddel kon instellen. Namens eiseres is dan ook op 1 oktober 2009 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Bovendien heeft eiseres haar advocaat, die haar bij de strafzitting heeft bijgestaan, opdracht gegeven hoger beroep in te stellen. Nadien heeft zij niets meer van haar advocaat of de strafzaak vernomen. Nu niet duidelijk is of er nog een rechtsmiddel openstaat tegen het vonnis, is het des te kwalijker dat gedaagde de executie van het vonnis niet schorst. Daarnaast wegen de belangen van eiseres zwaarder dan het belang van gedaagde om het vonnis, dat overigens van zeven jaar geleden dateert, direct ten uitvoer te leggen. Eiseres heeft op Curaçao immers de zorg voor haar kind.

3.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Gedaagde heeft als primair verweer aangevoerd dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar vordering. Nu het vonnis in de visie van gedaagde onherroepelijk is geworden op 17 september 2002 is de vordering van eiseres gegrond op artikel 557 lid 3 onder 2º Sv. Met de in dat artikel genoemde 'voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank' dient te worden verstaan de voorzitter van het college dat de straf heeft opgelegd.

4.2. Dit verweer is niet eenvoudig te beoordelen, nu onduidelijk is of dit in het Wetboek van Strafvordering opgenomen artikel het oog heeft op een rechtsgang naar de burgerlijke rechter. In de wetsgeschiedenis valt geen verklaring te vinden waarom "de voorzitter" van het gerechtshof of de rechtbank dan wel de kantonrechter, is vervangen door de meestentijds met burgerlijke zaken belaste voorzieningenrechter. Ondanks deze twijfel over de juiste interpretatie van genoemde wetsbepaling bestaat een aanknopingspunt om eiseres toch ontvankelijk te achten in dit kort geding. Aangenomen dat de strafrechter over dit geschil zou moeten oordelen, is het de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat de strafkamer van de rechtbank dan wel het gerechtshof in beginsel niet is ingericht om op (zeer) korte termijn een zitting te realiseren. Gegeven die omstandigheid acht de voorzieningenrechter van deze rechtbank als rechtbank van de plaats van vestiging van gedaagde zich bevoegd om zich een voorlopig oordeel te vormen over de weigering van gedaagde om de tenuitvoerlegging te schorsen. Eiseres is dus ontvankelijk in haar vordering.

4.3. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. De wijze waarop de gevangenisstraf ten uitvoer gelegd wordt, is neergelegd in de 'Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidsstelling' (Staatscourant 23 juni 2008, nr. 118, pagina 12).

4.4. Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over het antwoord op de vraag of het vonnis onherroepelijk is. Vaststaat dat het vonnis op 2 september 2002 op tegenspraak is gewezen. Op grond van artikel 408 Sv dient tegen een dergelijk vonnis binnen veertien dagen na de einduitspraak hoger beroep ingesteld te worden. Het hoger beroep had derhalve voor 17 september 2002 ingesteld moeten zijn. Dit wordt ook ondersteund door de brief van 2 september 2002 van de advocaat van eiseres aan haar, waarin de termijn van veertien dagen wordt vermeld. Hoewel eiseres heeft gesteld dat zij haar advocaat opdracht heeft gegeven hoger beroep in te stellen tegen het vonnis, heeft zij dat, gezien de betwisting door gedaagde, niet aannemelijk weten te maken. Daarbij komt dat zij heeft gesteld dat zij na de brief van 2 september 2002 niets meer van haar advocaat of de strafzaak heeft vernomen. Hieruit blijkt eveneens dat het door haar gewenste hoger beroep waarschijnlijk niet is ingesteld. Dat deze laatste omstandigheid niet aan eiseres toegerekend kan worden volgt de voorzieningenrechter niet. Zo de advocaat van eiseres al een fout heeft gemaakt ten aanzien van het niet (tijdig) instellen van hoger beroep tegen het vonnis, dan is dat een omstandigheid die, behoudens zeer bijzondere omstandigheden die hier overigens gesteld noch gebleken zijn, voor haar rekening behoort te komen. Ook de bij het vonnis meebetekende bijsluiter heeft geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen wekken, nu dat vertrouwen - zo dat al gerechtvaardigd zou zijn - niet binnen de openstaande termijn is gewekt. Indien er al vertrouwen is gewekt, is eiseres niet in een nadeligere positie komen te verkeren dan wanneer het vertrouwen niet zou zijn gewekt. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat het vonnis inmiddels onherroepelijk is.

4.5. Vervolgens houdt partijen verdeeld of gedaagde in redelijkheid heeft kunnen besluiten het vonnis ten uitvoer te leggen. Nu als uitgangspunt geldt dat het vonnis onherroepelijk is en gedaagde, zoals onder 4.3 vermeld, de wettelijke verplichting heeft om onherroepelijke vonnissen ten uitvoer te leggen, dient gedaagde daartoe in beginsel over te gaan. Deze verplichting lijdt slechts uitzondering in zeer bijzondere omstandigheden. Eiseres heeft weliswaar aangevoerd dat zij thuis in verband met de verzorging van haar kind en op haar werk niet gemist kan worden, maar dat zijn naar voorlopig oordeel geen zeer bijzondere omstandigheden die nopen tot het (tijdelijk) schorsen van de verplichting om het vonnis ten uitvoer te leggen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat eiseres op Curaçao woont en geen vaste woon- of verblijfplaats in het Rijk in Europa heeft, hetgeen (kennelijk) de tenuitvoerlegging van het vonnis bemoeilijkt. Dat het vonnis van zeven jaar geleden dateert is weliswaar relevant, maar niet van doorslaggevend belang, nu de bevoegdheid om het vonnis te executeren nog niet is verjaard.

4.6. De stelling van eiseres dat het vonnis op grond van artikel 40 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden op Curaçao ten uitvoer gelegd had kunnen worden, behoeft geen nadere bespreking, nu namens eiseres ter zitting is meegedeeld dat zij haar vrijheidsstraf bij voorkeur in een Nederlands detentiecentrum uitzit in plaats van in een detentiecentrum op Curaçao.

4.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van eiseres dient te worden afgewezen. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt eiseres om binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht, aan gedaagde te betalen;

- bepaalt dat eiseres bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2009.

nve