Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4518

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/19359
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opvangrichtlijn / Dublinverordening

De rechtbank oordeelt dat eiser geen recht op opvang kan ontlenen aan de Opvangrichtlijn. Op eisers verzoek om bescherming uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag is definitief besloten. De overige door eiser gevoerde procedures kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een ‘asielverzoek’ in de zin van artikel 2 van de Opvangrichtlijn. De rechtbank is van oordeel dat procedures aangaande een verbod op uitzetting dan wel overdracht naar een land, niet zijnde het land van herkomst, voor de werkingssfeer van de Opvangrichtlijn dienen te worden onderscheiden van procedures omtrent de verlening van een asielvergunning op grond van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, het verbod om een vluchteling direct of indirect te refouleren. De eerstgenoemde procedures handelen naar het oordeel van de rechtbank niet over een asielverzoek zoals omschreven in artikel 2 onder b van de Opvangrichtlijn en dienen ook niet als zodanig te worden beschouwd op grond van die bepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/43
Ars Aequi RV20090087 met annotatie van C.H. Slingenberg

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 08/19359 BEPTDN

V-nr: *

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

eiser [naam], geboren [datum] in 1966, van Soedanese nationaliteit,

gemachtigde: mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam

en:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COa), verweerder,

gemachtigde: mr. G. Turksema, werkzaam bij het COa.

1. Procesverloop

Bij beroepschrift van 30 mei 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder te beslissen op zijn verzoek om opvang van 22 mei 2008.

Bij besluit van 3 september 2008 heeft verweerder het verzoek om opvang afgewezen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 26 januari 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is ter zitting niet vertegenwoordigd. Op 31 maart 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer ter verdere behandeling.

Het beroep is vervolgens behandeld ter openbare zitting van 9 september 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M. Essebai, tolk in de Arabische taal. Verweerder is ter zitting niet vertegenwoordigd. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Andere procedures van eiser die voor de onderhavige zaak van belang zijn

2.1. Bij besluit van 22 januari 2007 is eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 van 21 augustus 2006 afgewezen. Bij uitspraak van 22 november 2007 (200702962/1; LJN: BC1775) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie (de staatssecretaris) in die asielprocedure gegrond verklaard en de uitspraak in beroep van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, vernietigd en het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De AbRS heeft in deze uitspraak geoordeeld dat Griekenland verantwoordelijk is voor de inhoudelijke beoordeling van eisers asielverzoek op grond van de Verordening 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). Er bestond naar het oordeel van de AbRS geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris er niet op heeft mogen vertrouwen dat Griekenland zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zal nakomen.

2.2. Eiser is op 11 januari 2008 door de staatssecretaris ongewenst verklaard. Eiser heeft ter zitting van 9 september 2009 desgevraagd meegedeeld dat het tegen dit besluit gemaakte bezwaar door de staatssecretaris op 5 augustus 2009 ongegrond is verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit en tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2.3. Op 24 april 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de mededeling van de staatssecretaris, gedaan in het kader van de vreemdelingenbewaring, dat hij voor 22 mei 2008 zal worden uitgezet. Op 6 mei 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, de hangende dit bezwaar gevraagde voorlopige voorziening toegewezen (AWB 08/14774), op grond van door eiser overgelegde bescheiden, daterend van na zijn asielprocedure, betreffende de situatie van asielzoekers in Griekenland.

Ter zitting van 9 september 2009 heeft eiser desgevraagd meegedeeld dat de staatssecretaris op 20 augustus 2009 het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen totdat is beslist op het beroep.

2.4. Het verzoek van eiser om op grond van artikel 64 van de Vw 2000 de uitzetting achterwege te laten op grond van zijn gezondheidstoestand, is op 8 augustus 2008 door de staatssecretaris afgewezen. De staatssecretaris heeft het daartegen gemaakte bezwaar op 26 augustus 2008 ongegrond verklaard. Eiser heeft ter zitting van 9 september 2009 desgevraagd meegedeeld dat het tegen dit besluit ingestelde beroep op 9 maart 2009 door de rechtbank ongegrond is verklaard.

3. Overwegingen

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar

3.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder een besluit heeft genomen nadat eiser beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het door eiser ingediende verzoek om opvang. Op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit. Op grond van artikel 6:20, zesde lid, van de Awb kan in een situatie waarin alsnog een beslissing is genomen, het eerdere beroep gegrond worden verklaard als eiser daar belang bij heeft. Een dergelijk belang heeft eiser niet gesteld. De rechtbank is daar evenmin van gebleken. Nu met het bestreden besluit het (proces)belang bij het ingestelde beroep is komen te ontvallen, zal de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

3.2. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met dit beroep heeft moeten maken. Die kosten zijn begroot op een bedrag van € 80,50 (1 punt voor het beroepschrift; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 0,25).

Het beroep tegen het besluit van 3 september 2008

3.3. Het COa heeft het verzoek van eiser om opvang afgewezen, omdat hij op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) 2005 niet voor opvang in aanmerking komt. Tevens kan eiser volgens het COa geen opvang op grond van de Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003, tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (hierna: Opvangrichtlijn), verkrijgen omdat op zijn asielverzoek definitief is beslist.

3.4. Eiser betwist niet dat hij op grond van het nationale recht geen recht heeft op opvang. Eiser betoogt echter dat hij recht op opvang kan ontlenen aan de Opvangrichtlijn.

3.5.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Opvangrichtlijn is de richtlijn van toepassing op alle onderdanen van derde landen en staatlozen die een asielverzoek aan de grens of op het grondgebied van een lidstaat indienen voor zover zij als asielzoeker op het grondgebied mogen verblijven, alsmede op de gezinsleden, indien zij overeenkomstig het nationale recht onder dit asielverzoek vallen.

3.5.2. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn wordt onder ‘asielverzoek’ verstaan: een door de onderdaan van een derde land of een staatloze ingediend verzoek dat kan worden opgevat als een verzoek om internationale bescherming door een lidstaat uit hoofde van het Verdrag van Genève. Elk verzoek om internationale bescherming wordt als een asielverzoek beschouwd, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk om een andere vorm van bescherming vraagt waarom afzonderlijk kan worden verzocht.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van de Opvangrichtlijn wordt onder ‘asielzoeker’ verstaan: een onderdaan van een derde land of een staatloze die een asielverzoek heeft ingediend waarover nog geen definitief besluit is genomen.

3.6.1. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen kunnen particulieren zich voor de nationale rechter tegenover een lidstaat op bepalingen van een richtlijn beroepen in alle gevallen waarin die bepalingen inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn en wanneer de lidstaat hetzij heeft verzuimd de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan.

3.6.2. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde artikelen van de Opvangrichtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn. Aan de eerste voorwaarde voor een direct beroep op deze bepalingen van de richtlijn is dan ook voldaan.

3.6.3. Zoals gezegd zijn partijen het erover eens dat eiser aan de Rva 2005 geen recht op opvang ontleent. Nu eiser betoogt dat de Opvangrichtlijn hem dit recht wel geeft, en eiser daarmee dus (indirect) betoogt dat het nationale recht in strijd is met de Opvangrichtlijn, dient de rechtbank te onderzoeken of de Opvangrichtlijn op een juiste wijze is omgezet in de nationale regelgeving.

3.7. In het kader van de vraag of eiser onder de (personele) werkingssfeer van de Opvangrichtlijn valt, stelt de rechtbank allereerst vast dat op eisers verzoek om bescherming uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag door de eerdergenoemde uitspraak van de AbRS van 22 november 2007 definitief is besloten. Dat betekent dat eiser in beginsel niet als asielzoeker, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b en c, van de Opvangrichtlijn, kan worden aangemerkt.

3.8.1. De rechtbank ziet zich op grond van het beroepschrift vervolgens gesteld voor de vraag of één van de andere door eiser gevoerde procedures aangemerkt moet worden als een ‘asielverzoek’ in de zin van artikel 2 onder b van de Opvangrichtlijn.

3.8.2. Kort samengevat heeft eiser naar voren gebracht dat hij in de procedure inzake de ongewenstverklaring en in de procedure betreffende de feitelijke uitzetting heeft aangevoerd dat overdracht aan Griekenland, mede gezien eisers slechte psychische gesteldheid, een schending van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM met zich brengt. Eiser heeft in dit kader de nadruk gelegd op de detentieomstandigheden en de gebrekkige medische- en opvangvoorzieningen in Griekenland.

3.8.3. De rechtbank is van oordeel dat procedures aangaande een verbod op uitzetting naar dan wel overdracht aan een land, niet zijnde het land van herkomst, voor de werkingssfeer van de Opvangrichtlijn dienen te worden onderscheiden van procedures omtrent de verlening van een asielvergunning op grond van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, het verbod om een vluchteling direct of indirect te refouleren. De eerstgenoemde procedures handelen naar het oordeel van de rechtbank niet over een asielverzoek zoals omschreven in artikel 2 onder b van de Opvangrichtlijn en dienen ook niet als zodanig te worden beschouwd op grond van die bepaling.

3.8.4. De rechtbank baseert dit oordeel op de letterlijke tekst van artikel 2 van de Opvangrichtlijn en op de overwegingen 2 en 16 van de considerans van de Opvangrichtlijn: (2) De Europese Raad is tijdens de buitengewone bijeenkomst van 15 en 16 oktober 1999 in Tampere overeengekomen te werken aan de instelling van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat stoelt op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals aangevuld bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, en zo te waarborgen dat niemand naar het land van vervolging wordt teruggestuurd, en dus het verbod tot uitzetting of terugleiding te handhaven.

(16) In deze geest worden de lidstaten opgeroepen de bepalingen van deze richtlijn ook toe te passen in procedures inzake verzoeken om andere vormen van bescherming dan die welke uit het Verdrag van Genève voortvloeien ten gunste van onderdanen van derde landen en staatlozen.

3.8.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze twee overwegingen, en de uitwerking daarvan in artikel 3, vierde lid, van de Opvangrichtlijn, worden afgeleid dat de Opvangrichtlijn zich richt op het bieden van opvang aan personen die stellen te vrezen voor vervolging in hun land van herkomst en niet op het bieden van opvang aan personen die anderszins bescherming beogen.

3.8.6. Naast de tekst en de considerans van de Opvangrichtlijn vindt de rechtbank ook in de andere EU-richtlijnen welke tot stand zijn gekomen op grond van artikel 63 van het EG-verdrag (de zogenaamde titel IV-richtlijnen), bezien in samenhang met de Opvangrichtlijn, steun voor haar oordeel zoals hiervoor weergegeven. De rechtbank heeft in dit kader acht geslagen op de context waarin de richtlijn tot stand is gekomen, op de volgorde van totstandkoming van de verschillende titel IV-richtlijnen en op het gebruik van dezelfde begrippen in de verschillende richtlijnen.

3.8.7. Eiser, die zich in wezen verzet tegen de overdracht in het kader van de Dublinverordening aan Griekenland, valt naar het oordeel van de rechtbank gezien het voorgaande niet onder de werkingssfeer van de Opvangrichtlijn en kan dan ook geen recht op opvang ontlenen aan deze richtlijn.

3.9. Gezien het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

3.10. De rechtbank zal het beroep gericht tegen het besluit van 3 september 2008 ongegrond verklaren.

3.11. De rechtbank is met betrekking tot dit beroep niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 80,50 (zegge: tachtig euro en vijftig cent);

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 3 september 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzitter, en mrs. H.J.M. Baldinger en J.T.H Zimmerman, in tegenwoordigheid van mr. R.A.J. Hubel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2009.

De griffier,

De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc.: SH

Coll: ES

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.