Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4433

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
346563 / KG ZA 09-1168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitlevering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 21 oktober 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 346563 / KG ZA 09-1168 van:

[...],

wonende te Bergen op Zoom,

eiser,

advocaat mr. E.A. Breetveld te 's-Gravenhage,

tegen:

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 13 oktober 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij brief van 8 december 2006 van de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS), hebben de bevoegde autoriteiten van de VS de uitlevering (hierna: de uitlevering) van eiser aan de (autoriteiten van de) Amerikaanse Staat Virginia verzocht (hierna: het uitleveringverzoek) met het oog op de vervolging van hem wegens - kort gezegd - ernstige aanranding, sexuele penetratie van een levend object, gedwongen sodomie en onzedelijk contact met een kind.

1.2. In de 'Affidavit in support of request for extradition' (die als bijlage bij het uitleveringsverzoek is opgenomen) van Matthew J. Britton, in zijn hoedanigheid van 'Commonwealth's Attorney for King George County, Virginia' van 19 oktober 2006, is

- voor zover relevant - het volgende opgenomen:

"(...)

Should [eiser] be extradited, convicted, and sentenced for the crimes for which he has been extradited, and should he properly apply to serve his sentence in the Netherlands, I will not oppose his transfer for that purpose.

(...)"

1.3. Bij tussenvonnis van 21 mei 2007 heeft de rechtbank te Breda om overlegging van het gehele strafdossier verzocht en om een toelichting van de Staat Virginia omtrent de vraag of degenen die de aanklacht en arrestatiebevelen hebben ondertekend aangemerkt kunnen worden als daartoe op de juiste wijze gemachtigd te zijn. Bij brief (met bijlagen) van

16 augustus 2007 heeft het Department of Justice van de VS de gevraagde aanvullende informatie toegezonden.

1.1. Bij uitspraak van 25 oktober 2007 heeft de rechtbank te Breda de verzochte uitlevering van eiser aan de (autoriteiten van de) Amerikaanse Staat Virginia toelaatbaar verklaard.

1.4. Bij brief van 25 oktober 2007 heeft de rechtbank te Breda de Minister van Justitie (hierna: de Minister) geadviseerd om het verzoek tot uitlevering in te willigen.

1.5. Bij arrest van 1 april 2008 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser tegen de hiervoor onder 1.4 genoemde uitspraak van de rechtbank, met toepassing van artikel 81 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, verworpen.

1.6. Bij brief van 8 april 2008 heeft de advocaat van eiser aan de Minister verzocht om de uitlevering onwenselijk te verklaren.

1.7. Bij brief van 24 april 2009 hebben de Amerikaanse autoriteiten op verzoek van de Minister nadere inlichtingen verstrekt over [de penitentiaire inrichting], waarin eiser na de uitlevering gedurende het voorarrest zal komen te verblijven.

1.8. R. Gerding, Counselor for Police and Judicial Affairs van de Royal Embassy of The Netherlands, heeft de penitentiaire inrichting op 29 mei 2009 bezocht. In zijn schriftelijk verslag van 29 mei 2009 is, voorzover relevant, het volgende opgenomen:

"Kern

[de penitentiaire inrichting] onderscheidt zich in sterk positieve zin van de DC Jail van Washington. De hele inrichting toont veel overeenkomsten met vergelijkbare inrichtingen in Nederland. Ik meen daarom dat er vanuit het oogpunt van detentieregiem geen aanleiding is om uitlevering van [eiser] aan de VS te weigeren (...)."

1.9. Bij beschikking van 15 juli 2009 heeft gedaagde de uitlevering ten behoeve van strafvervolging van eiser toegestaan. In de beschikking is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

"(...)

De Minister is (...) van oordeel dat voldoende is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, indien hij na uitlevering in de Verenigde Staten tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, deze straf in Nederland kan ondergaan.

(...) de opgeëiste persoon [kan, toevoeging voorzieningenrechter] uitsluitend vervolgd worden voor de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. (...)

Ingevolge artikel (...) Uitleveringsverdrag kan slechts marginaal worden getoetst of het overgelegde bewijsmateriaal op zichzelf voldoende is om een aanhouding (...) in (...) Nederland te rechtvaardigen.

De Minister is (...) van oordeel dat uit oogpunt van goede rechtsbedeling een uitlevering van de opgeëiste persoon de voorkeur heeft boven een strafvervolging in Nederland.

(...) de uitlevering (...) geschiedt [slechts, toevoeging voorzieningenrechter] ten behoeve van de strafvervolging, zodat de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling in de VS indien hij dat wenst een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Nederland (verder) kan ondergaan. (...)

De Minister (...) [komt, toevoeging voorzieningenrechter] tot de conclusie dat uitlevering van de opgeëiste persoon niet geweigerd dient te worden op grond van bijzondere hardheid (...).

(...) Door de raadsman [is, toevoeging voorzieningenrechter] niet aannemelijk gemaakt dat het na uitlevering eventueel aan de opgeëiste persoon aan te bieden voorstel tot plea-bargaining onredelijke en/of onevenredige gevolgen voor de opgeëiste persoon zal hebben, die het risico van een flagrante schending van artikel 6 van het EVRM met zich meebrengen.

(...)"

1.10. Bij brieven van de Minister van 15 juli 2009 aan (onder meer) eiser is het volgende, voor zover relevant, opgenomen:

"(...)

Ik heb uw uitlevering toegestaan nadat de Amerikaanse autoriteiten de toezegging hebben gedaan dat u, na een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf (...) naar Nederland kunt terugkeren om uw straf te ondergaan en dat deze straf kan worden omgezet in een Nederlandse straf (...).

Ik heb, om de procedure te bespoedigen, de Verenigde Staten meegedeeld dat ik op voorhand met het verzoek om uw terugkeer instem (...)."

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert - zakelijk weergegeven -

- gedaagde de opdracht te geven, met inachtneming van het in de dagvaarding van

11 september 2009 beschrevene, tot het nemen van een nieuwe zorgvuldige beschikking;

- gedaagde in vrijheid te laten verkeren in Nederland, op basis van de door de rechtbank te Breda gegeven schorsing onder voorwaarden (borg) van 18 april 2007, in afwachting van de nieuwe beschikking van gedaagde.

2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan.

Gedaagde heeft, voorafgaande aan de beschikking, geen zorgvuldig onderzoek verricht, waardoor de beschikking de marginale toets van kritiek niet kan doorstaan en gedaagde daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Zo is sprake van een exceptioneel hoge strafbedreiging in de VS. Ook is de inzet van een leugendetector een zeer omstreden en daardoor naar Nederlandse maatstaven niet aanvaard bewijsmiddel tegen een verdachte in zijn strafproces. Daarnaast is uitlevering uit hoofde van de goede rechtsbedeling niet opportuun. Als gevolg van de evenwichtsstoornissen waar eiser aan lijdt, is zijn verblijf en proces in de VS onwenselijk.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. In deze procedure moet de vraag worden beantwoord of gedaagde, door het verzoek van de VS om uitlevering van eiser te honoreren, zich schuldig maakt aan onrechtmatig handelen jegens eiser. Hierbij wordt opgemerkt dat, anders dan eiser heeft betoogd, de voorzieningenrechter slechts een marginale toetsing toekomt. De Minister heeft, als orgaan van de Staat, volgens vaste jurisprudentie een eigen verantwoordelijkheid om al dan niet tot uitlevering te besluiten ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter, waarbij de beleidsvrijheid van de Minister wordt ingeperkt door de verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM. Voorts geldt dat een verdragsrechtelijke verplichting van gedaagde tot uitlevering - zoals hier in beginsel aanwezig is tegenover de VS - slechts dan wijkt voor de ingevolge artikel 1 EVRM op gedaagde rustende verplichting om de rechten van dit verdrag te verzekeren, indien (i) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig aan hem ingevolge het EVRM toekomend recht, en (ii) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd betoog is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

3.2. Volgens vaste jurisprudentie behoort het niet tot de taak van de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering moet beslissen te oordelen over de rechtmatigheid van het in de verzoekende Staat verrichte opsporingsonderzoek en het daaruit voortvloeiende bewijsmateriaal. Gelet op het in 3.1 overwogene, zou dit slechts in het daargenoemde uitzonderingsgeval anders kunnen zijn. Niet aannemelijk is geworden dat dit geval zich zal voordoen, ook niet indien het zou komen tot een zogenaamde plea bargaining. Aangenomen kan worden dat de procedure in de VS met voldoende waarborgen is omkleed, ook voor zover het de beoordeling van het met de leugendetector verkregen bewijs betreft, en dat eiser daarin zijn bezwaren tegen het gebruik van de leugendetector naar voren kan brengen. Dat in de Nederlandse rechtsorde anders wordt omgegaan met het gebruik van de leugendetector ter verkrijging van bewijs in strafzaken, doet daar niet aan af. Het verdrag met de VS brengt mee dat gedaagde niet kan treden in de in de VS gebruikte opsporingsmethoden. Voor zover eiser het aan laat komen op een plea bargaining wordt dat niet anders. In een dergelijk geval erkent eiser zelf schuld, zonder dat het daarbij aankomt op de beoordeling van het tegen hem bestaande bewijs. Eiser doet in dat geval zelf afstand van de mogelijkheid zijn bezwaren in een met voldoende waarborgen omklede procedure aan de orde te stellen. Dit geldt temeer nu de uitkomst van de leugendetectortest slechts één van de tegen eiser aangebrachte bewijsmiddelen betreft. Op voorhand is voorts niet te beoordelen of het bewijsmateriaal jegens eiser in overwegende mate zal worden gebaseerd op de uitslag van de leugendetectortest. Dit brengt met zich mee dat aan de vereisten van artikel 3 EVRM is voldaan.

3.3. Eiser heeft verder aangevoerd dat het slachtoffer door de politie min of meer is toegezegd dat zij niet verder zou behoeven te getuigen. Nog daargelaten dat van deze toezegging niets uit het dossier is gebleken en het betoog van eiser daarmee niet is gesubstantieerd, is de rechter in de VS niet aan deze toezegging gebonden. Het gaat er om of de rechter in de VS het tegen eiser bestaande bewijs overtuigend acht. In het kader van de procedure in de VS kan eiser ook zijn bezwaren tegen het eventueel niet meer kunnen horen van het slachtoffer aan de orde stellen, alsmede eventuele consequenties van het niet meer kunnen horen van het slachtoffer.

3.4. Eiser beroept zich voorts op een schending van het specialiteitsbeginsel, aangezien tegen eiser niet alleen de vier beschuldigingen ('counts') bestaan op grond waarvan zijn uitlevering wordt verzocht, maar in totaal vijftien beschuldigingen die bij berechting aan de orde zullen komen. Hij voert hierbij aan dat het fenomeen van plea bargaining een eerbiediging van het specialiteitsbeginsel onmogelijk maakt. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat aangenomen moet worden dat de VS het specialiteitsbeginsel zullen eerbiedigen. Het uitleveringsverzoek heeft betrekking op vier beschuldigingen en niet op de door eiser gestelde vijftien beschuldigingen. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich mee dat ervan uitgegaan dient te worden dat de Amerikaanse autoriteiten dit beginsel in acht nemen. Dat volgens eiser er een kans bestaat dat de Amerikaanse autoriteiten een strafmaat zullen hanteren gebaseerd op vijftien beschuldigingen doet aan het voorgaande niet af. In dat verband is van belang dat de advocaat van gedaagde ter zitting heeft aangegeven dat de Minister er op heeft gewezen dat in een latere exequaturprocedure slechts verlof zal worden verleend voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor de feiten waarvoor de Minister bij de beschikking de uitlevering heeft toegestaan. Voor zover eiser aanvoert dat plea bargaining eerbiediging van het specialiteitsbeginsel in de weg staat, wordt verwezen naar hetgeen daarover onder 3.2 is vermeld.

3.5. Eiser betoogt verder dat al op voorhand vaststaat dat er een excessief hoge straf in de VS aan eiser zal worden opgelegd, aangezien dit inherent zou zijn aan het strafprocesrecht aldaar, te weten het hanteren van zogenaamde 'minimumstraffen' en 'guidelines'. Hierdoor zou niet van een aanvaardbare straf kunnen worden gesproken. Dit betoog kan niet worden gevolgd. Het bestaan van uiteenlopende opvattingen omtrent de passende strafmaat voor bepaalde feiten tussen de bij een uitleveringsverdrag aangesloten Staten, kan in beginsel niet aan uitlevering in de weg staan. Dat wordt alleen anders indien de hiervoor onder 3.1 genoemde uitzonderingen aan de orde zouden zijn. Naar hiervoor is overwogen, is daarvan niet gebleken. Hetzelfde geldt voor de gevangenis waarin eiser wordt geplaatst. De omstandigheid dat eiser na zijn voorlopige hechtenis misschien in een andere gevangenis zal worden geplaatst, maakt het vorenstaande niet anders. Alleen wanneer er sprake zou zijn van een dreigende schending van de artikelen 3 en 5 EVRM zou aanleiding kunnen bestaan om het besluit van de minister onrechtmatig te oordelen. Van een dergelijke dreigende schending is niet gebleken. Ook hier geldt het vertrouwensbeginsel, op grond waarvan ervan moet worden uitgegaan dat de VS de fundamentele rechten die in het EVRM en het IVBPR zijn neergelegd, zullen respecteren, ook al zijn zij geen partij bij het EVRM. Eiser heeft ook niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de detentieomstandigheden in de VS in het algemeen zodanig zijn dat een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM dreigt. Voor wat betreft de periode dat eiser ook na de vervolgingsprocedure in een gevangenis moet verblijven, heeft gedaagde in voldoende mate aangegeven dat hij alles in het werk stelt om deze termijn tot een minimum te beperken. Ook daarom kon gedaagde tot zijn oordeel komen dat eiser kan worden uitgeleverd.

3.6. Nu de feiten waarvoor eiser wordt uitgeleverd in de VS zijn voorgevallen en het slachtoffer zich ook aldaar bevindt, verzet de goede rechtsbedeling zich naar voorlopig oordeel niet tegen uitlevering. Het ligt voor de hand dat eiser gelet op het vorenstaande in de VS wordt berecht.

3.7. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij lijdt aan evenwichtsstoornissen, waardoor zijn verblijf en proces in Amerika onwenselijk zijn. Eiser heeft deze klachten onvoldoende onderbouwd en ook overigens is niet gebleken dat deze klachten zodanig zijn dat deze aan een uitlevering in de weg zouden staan. Derhalve kon gedaagde tot zijn oordeel komen dat eiser kan worden uitgeleverd.

3.8. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen zullen worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op

21 oktober 2009.

esk/ddb