Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4212

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
AWB 08/768
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM1960, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting AWB 08/768

Artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000

Artikel 31, eerste lid, Vluchtelingenverdrag

Artikel 3 van het EVRM

Artikelen 2, aanhef en onder e en f,; 15 en 18 van de Definitierichtlijn

Het standpunt van eiser dat de Afdeling van oordeel is dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn uitsluitend bescherming biedt in een situatie waarin sprake is van een geweldsniveau dat zelfs voor een gewapend conflict uitzonderlijk hoog is, acht de rechtbank niet onjuist. Niet valt echter in te zien dat dit oordeel van de Afdeling in strijd zou zijn met artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Het Hof heeft er immers op gewezen dat de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, gezien in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, volledig verenigbaar is met het EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 3 van het EVRM, met name het arrest inzake NA tegen het Verenigd Koninkrijk, nummer 25904/07 (JV 2008, 329). Uit laatstgenoemd arrest volgt dat, indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie (“most extreme case”) van algemeen geweld in zijn land van herkomst, de enkele omstandigheid dat de vreemdeling bij terugkeer wordt blootgesteld aan dat geweld, voldoende kan zijn om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Ook heeft het Hof erop gewezen dat de uitzonderlijkheid van de situatie wordt bevestigd door de omstandigheid dat de bescherming van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn subsidiair is en door de opzet van artikel 15 van de Definitierichtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 08/768, V-nummer: 120.902.8932,

uitspraak van de meervoudige kamer

inzake

[naam], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigden: mr. M. van Andel (zitting 10 februari 2009) en mr. J.W. Kreumer (zitting 7 september 2009), beiden ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 21 december 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en heeft de Minister eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).

Tegen dit besluit, voor zover strekkend tot ongewenstverklaring, heeft eiser bij brief van 23 december 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 december 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij faxbericht van 4 januari 2008 beroep ingesteld.

De zaak is op 10 februari 2009 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen S.B. Masih, tolk.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 16 februari 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

Bij beslissing van 22 juli 2009 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

De zaak is op 7 september 2009 verder behandeld ter zitting van een meervoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen G. Ahmed, tolk.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan de vreemdeling door Onze Minister ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l.

2.1.2. Het beleid van verweerder inzake de toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is neergelegd in paragraaf A5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), waarin onder meer het volgende is vermeld.

"Ten aanzien van deze grond vallen drie categorieën te onderscheiden:

• vreemdelingen die ter zake van een misdrijf zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf (...) waarbij het (totale) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of maatregel ten minste een maand bedraagt;

(...)"

2.1.3. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: Vluchtelingenverdrag) zullen de Verdragsluitende Staten geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen, dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.

2.1.4. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.1.5. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e en f, van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) wordt in deze richtlijn verstaan onder:

e) "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen;

f) "subsidiaire-beschermingsstatus": de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt.

Ingevolge artikel 15 van de Definitierichtlijn - onderdeel van hoofdstuk V van deze richtlijn, getiteld "Voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming" - bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Ingevolge artikel 18 van de Definitierichtlijn verlenen de lidstaten de subsidiaire-beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

2.2. het bestreden besluit en het verweer

2.2.1. Het bestreden besluit strekt tot handhaving van de ongewenstverklaring van eiser. In het bestreden besluit heeft verweerder, samengevat, het volgende overwogen.

Eiser heeft tot drie keer toe niet te goeder trouw gehandeld in de richting van de Nederlandse overheid. Tijdens zijn inreis op 25 september 2002 heeft eiser gebruik gemaakt van een vals of vervalst paspoort en tijdens zijn uitreis naar Groot-Brittannië op 28 september 2002 heeft hij opnieuw gebruik gemaakt van een (ander) vals of vervalst paspoort. Pas nadat eiser bij zijn uitreis is aangehouden, heeft hij het gebruik van het valse document toegegeven en heeft hij een asielverzoek ingediend. Uit het herhaalde asielverzoek van eiser in 2005 is gebleken dat eiser bij het indienen van zijn eerste asielverzoek onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit.

Vanwege het gebruik van een vals document is eiser op 16 maart 2003 veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand. Als gevolg van de afwijzing van het derde asielverzoek van eiser en zijn veroordeling tot één maand gevangenisstraf bestond aanleiding eiser ongewenst te verklaren. De verklaring van eiser dat hij bang was teruggestuurd te worden naar Irak en dat hij daarom niet eerlijk durfde te zijn over zijn identiteit, leidt niet tot een ander oordeel. Vanaf het moment dat eiser Nederland binnenkwam, had hij de bescherming van de Nederlandse autoriteiten kunnen inroepen en had hij een eigen verantwoordelijkheid om het gebruik van het valse document en zijn juiste personalia te noemen. De verwijzing van eiser naar het verslag van het overleg van 11 oktober 2005 van de Tweede Kamer maakt dit niet anders.

De ongewenstverklaring is niet in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk in de bijzondere negatieve aandacht staat in Irak. De medische klachten van eiser zijn niet van dien aard dat artikel 3 van het EVRM wordt geschonden bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Reeds omdat het eerste asielverzoek van eiser niet is ingediend onder de oude Vreemdelingenwet, kan hij geen rechten ontlenen aan de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet.

2.2.2. In reactie op het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser gelet op de uitspraak van 25 mei 2009 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (procedurenummer 200702174/2; www.raadvanstate.nl) geen aanspraak kan maken op subsidiaire bescherming, zodat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

2.3. de gronden van beroep

Eiser heeft, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Als een asielzoeker gebruik maakt van valse reisdocumenten, moet het Openbaar Ministerie in een eventuele strafzaak niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat is in het geval van eiser niet gebeurd, waardoor hij ongewenst is verklaard. Het reizen met een vals document of het niet beschikken over de juiste papieren wordt gelet op artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 betrokken bij de beoordeling van de aanvraag, waarmee is voorzien in een doeltreffende sanctie. In het geval van eiser is de facultatieve afwijzingsgrond van artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 via de omweg van artikel 67 van de Vw 2000 een imperatieve afwijzingsgrond geworden, wat in strijd is met de ratio van de Vw 2000.

Uit het schriftelijk verslag van het overleg van de Tweede Kamer op 11 oktober 2005 volgt dat het openbare ordebeleid bedoeld is om tot verblijfsbeëindiging over te gaan teneinde de criminaliteit onder niet-Nederlandse veelplegers terug te dringen. Dit heeft geen betrekking op het binnenkomen in Nederland en het gebruik van valse documenten.

Door te verwijzen naar de afwijzing van de asielaanvraag bedient verweerder zich van een cirkelredenering. Eiser wordt ongewenst verklaard omdat zijn asielaanvraag is afgewezen, maar de asielaanvraag is afgewezen omdat eiser ongewenst is verklaard. De ongewenstverklaring is wel degelijk de reden waarom eiser geen verblijfsvergunning is verleend, omdat gedurende het grootste deel van zijn verblijf in Nederland een beleid inzake categoriale bescherming gold. Dat beleid is weliswaar afgeschaft, maar artikel 3 van het EVRM geldt nog steeds. De toetsing aan artikel 3 van het EVRM is onvoldoende gemotiveerd.

Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof) in zijn arrest van 17 februari 2009 in zaak C-465/07 bedoeld - bedoeld, want het staat er niet, aldus eiser - dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn alleen van toepassing is als sprake is van een gewapend conflict met een mate van willekeurig geweld die zelfs voor een gewapend conflict uitzonderlijk hoog is. De Afdeling is tot dit onjuiste oordeel gekomen doordat het begrip 'serious' uit overweging 40 van de Engelse taalversie van de conclusie van 9 september 2008 van de Advocaat-Generaal in zaak C-465/07 ten onrechte in het Nederlands is vertaald als 'uitzonderlijk'. Uitgaande van het criterium 'uitzonderlijk' is de redenering van de Afdeling op zichzelf correct, maar genoemde onjuiste vertaling heeft ertoe geleid dat de Afdeling in haar uitspraak van 25 mei 2009 een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Dit klemt te meer, nu eiser volgens de Afdeling moet aantonen dat de mate van geweld zelfs voor een gewapend conflict uitzonderlijk hoog is. Hiermee verzwaart de Afdeling, anders dan de Advocaat-Generaal en het Hof hebben bedoeld, de bewijslast zodanig dat deze individueel wordt. De Afdeling komt hiermee uit op het singled out-criterium en concludeert vervolgens dat er geen verschil is tussen artikel 3 van het EVRM en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De essentie van de vragen van de Afdeling aan het Hof is echter niet of artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn dezelfde bescherming biedt als artikel 3 van het EVRM, maar in welke situatie het risico als gevolg van willekeurig geweld zo groot is dat de op de vreemdeling rustende bewijslast moet worden verlicht. Ter zitting van 7 september 2009 heeft eiser betoogd dat van hem het onmogelijke wordt gevraagd, namelijk aantonen dat hij door het willekeurig geweld in Irak meer risico loopt dan anderen. Dat kan hij niet aantonen, want hij loopt evenveel risico als anderen. De door de Afdeling gegeven uitleg aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn leidt er volgens eiser toe dat niemand ooit een geslaagd beroep zal kunnen doen op deze bepaling.

De situatie in Irak is na het nemen van het bestreden besluit gewijzigd. Hiermee moet ingevolge artikel 83 van de Vw 2000 rekening worden gehouden, omdat ongewenstverklaring een ambtshalve reguliere beslissing is.

Eiser heeft zijn beroep op de 'guiding principles' ter zitting van 10 februari 2009 ingetrokken.

2.4. de beoordeling van het beroep

2.4.1. Het standpunt van eiser dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen vanwege het eenmalig gebruik van een valse identiteit valt buiten de omvang van het geding. In de onderhavige procedure staat de ongewenstverklaring van eiser ter beoordeling en niet de afwijzing van zijn derde asielverzoek.

2.4.2. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 16 april 2003 heeft de politierechter te Haarlem eiser wegens overtreding van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. Gelet hierop en gezien het ter zake gevoerde beleid was verweerder bevoegd eiser ongewenst te verklaren. Het met verwijzing naar het verslag van een overleg van de Tweede Kamer op 11 oktober 2005 door eiser ingenomen standpunt dat het openbare ordebeleid ertoe strekt het verblijf van buitenlandse veelplegers te beëindigen, een categorie waartoe eiser niet behoort, laat onverlet dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het gevoerde beleid inzake de toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

Bij het primaire besluit van 21 december 2005 is eerst het derde asielverzoek van eiser inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Daarna is eiser bij hetzelfde besluit ongewenst verklaard omdat hij een misdrijf heeft gepleegd. Gezien het feit dat eiser pas na inhoudelijke beoordeling en afwijzing van zijn derde asielverzoek ongewenst is verklaard, mist zijn stelling dat hij vanwege de ongewenstverklaring niet in aanmerking komt voor categoriale bescherming feitelijke grondslag. Van een cirkelredenering als door eiser gesteld is dan ook geen sprake. De overweging in het bestreden besluit dat, gelet op de afwijzing van de asielaanvraag en het door eiser gepleegde misdrijf, aanleiding bestaat hem ongewenst te verklaren, maakt dit niet anders. De rechtbank acht voldoende duidelijk dat verweerder met deze overweging heeft bedoeld te zeggen dat eiser gezien de afwijzing van zijn derde asielverzoek geen rechtmatig verblijf heeft, zodat hij gelet op het door hem gepleegde misdrijf ongewenst kan worden verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

Anders dan eiser kennelijk meent, is de in artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag omschreven situatie is in zijn geval niet aan de orde. Het standpunt van eiser dat de toepasbaarheid van artikel 31, tweede lid, (naar de rechtbank begrijpt: aanhef en onder d of f,) van de Vw 2000 in de weg staat aan bestraffing wegens overtreding van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en aan een ongewenstverklaring vanwege die bestraffing vindt geen steun in het recht.

2.4.3. De beroepsgrond dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3 van het EVRM faalt. In de drie asielprocedures van eiser is geen grond gevonden voor het oordeel dat zijn terugkeer naar Irak in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Ter zitting van 7 september 2009 heeft eiser naar voren gebracht dat de algemene situatie in Irak dermate is verslechterd dat terugkeer naar dat land ondanks de afwijzing van zijn asielaanvragen in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet, reeds omdat hij de juistheid ervan op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt.

2.4.4. De beroepsgrond dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn slaagt evenmin. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens rechtsoverweging 2.3.8. van haar uitspraak van 25 mei 2009 leidt de Afdeling uit het arrest van 17 februari 2009 van het Hof in zaak C-465/07 af dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van deze richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging.

Het betoog van eiser dat de Afdeling als gevolg van een onjuiste vertaling van paragraaf 40 van de conclusie van de Advocaat-Generaal tot een onjuiste uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn is gekomen, mist feitelijke grondslag. De Afdeling heeft ter onderbouwing van haar oordeel uitsluitend verwezen naar het arrest van het Hof en niet naar de conclusie van de Advocaat-Generaal.

Het standpunt van eiser dat de Afdeling van oordeel is dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn uitsluitend bescherming biedt in een situatie waarin sprake is van een geweldsniveau dat zelfs voor een gewapend conflict uitzonderlijk hoog is, acht de rechtbank niet onjuist. De Afdeling noemt de situatie waarin artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn van toepassing is immers uitzonderlijk. Niet valt echter in te zien dat dit oordeel van de Afdeling in strijd zou zijn met artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Het Hof heeft er immers op gewezen dat de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, gezien in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, volledig verenigbaar is met het EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 3 van het EVRM, met name het arrest inzake NA tegen het Verenigd Koninkrijk, nummer 25904/07 (JV 2008, 329). Uit laatstgenoemd arrest volgt dat, indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie ("most extreme case") van algemeen geweld in zijn land van herkomst, de enkele omstandigheid dat de vreemdeling bij terugkeer wordt blootgesteld aan dat geweld, voldoende kan zijn om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Ook heeft het Hof erop gewezen dat de uitzonderlijkheid van de situatie wordt bevestigd door de omstandigheid dat de bescherming van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn subsidiair is en door de opzet van artikel 15 van de Definitierichtlijn.

Het standpunt van eiser dat de Afdeling ten onrechte van vreemdelingen verlangt aan te tonen dat zij in een gewapend conflict meer risico lopen door het bestaande geweld dan anderen mist feitelijke grondslag. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt waarop hij dit standpunt baseert en in de uitspraak van 25 mei 2009 van de Afdeling ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten voor de door eiser getrokken conclusie.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet van toepassing is op eiser.

2.4.5. Het beroep is derhalve ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

-verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. B. van Velzen en A.M.J. Adriaansen, leden, en door de voorzitter en drs. S.R. Jonkergouw, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 13 oktober 2009

Afschrift verzonden op: