Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4183

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
Awb 09/40118
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring; terugnameverzoek Italie; aanhangige voorlopige voorziening; overdracht nog niet illusoir.

Nu het in casu een terugname door Italië betreft, geldt op grond van artikel 20, eerste lid aanhef en onder b, Dublin II dat Italie binnen 2 weken had moeten reageren op het terugnameverzoek van 28 mei 2009. Nu dit niet is gebeurd is er, ingevolge onder c van voormeld artikellid, op 12 juni 2009 fictief ingestemd door Italië. Vervolgens is onder d bepaald dat de overdracht uiterlijk binnen een termijn van

6 maanden na instemming dient te geschieden, dus uiterlijk op 11 december 2009. De vraag of de op 16 november 2009 geplande overdracht, zoals verweerder stelt, in casu illusoir wordt, indien verweerder de voorlopige voorziening zou afwachten is door de rechtbank ontkennend beantwoord. Daarbij eheft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat er enige tijd is gemoeid met het organiseren van de feitelijke overdracht, zoals het boeken van een vlucht, het overplaatsen van de vreemdeling naar een uitzetcentrum, maar ook wordt enige tijd speling in acht genomen, voor het geval bijvoorbeeld de vlucht op het laatste moment wordt geannuleerd of niet gehaald, zodat er nog tijd resteert om een nieuwe vlucht te boeken binnen de overdrachtstermijn. Al met al kost deze periode ongeveer een tot twee weken, volgens verweerder. De rechtbank heeft geoordeeld dat de geplande vluchtdatum dermate ruim binnen de overdrachtstermijn is geboekt, dat niet meteen gesproken kan worden van het illusoir worden van de overdracht, indien de vlucht op 16 november 2009 geen doorgang zou vinden. Voorts is van belang geacht dat verweerder in casu voormelde brief van 14 oktober 2009, waarin de vluchtdatum is opgenomen, niet aan de gemachtigde van eiser heeft doen toekomen, anders dan kennelijk te doen gebruikelijk. Dit brengt mee dat eiser eerst op 2 november 2009 de rechtbank heeft kunnen verzoeken tot het bespoedigen van de behandeling van de voorlopige voorziening. Dit klemt te meer, nu verweerder in deze zaak, eveneens anders dan te doen gebruikelijk, niet zelf de rechtbank heeft verzocht de voorlopige voorziening met voorrang te plannen, wat naar het oordeel van de rechtbank van verweerder verlangd had mogen worden.

De rechtbank is van oordeel dat in onderhavig geval (nog) geen sprake is van een overdracht die illusoir dreigt te worden, zodat in die grond geen aanleiding gevonden kan worden dat de voorlopige voorziening door eiser niet hier te lande afgewacht zou mogen worden. Dit brengt mee dat de inbewaringstelling van meet af aan onrechtmatig geacht moet worden. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 09/40118

Uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

X

geboren op ...,

van Somalische nationaliteit,

V-nummer: ...,

eiser,

gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt, advocaat te Emmen.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. De Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 2 november 2009 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste en tweede lid, Vw 2000.

1.2. Eiser heeft hiertegen op 3 november 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en aan de gemachtigde van eiser toegezonden. Bij faxberichten van 6 november 2009 heeft verweerder nog een aantal aanvullende stukken ingezonden.

1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 9 november 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.G. Brands, waarnemer voor eisers gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen D.A. Riezebos. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. In deze procedure dient op grond van de beroepsgronden te worden beoordeeld of de maatregel van bewaring niet in strijd is met de wet en of de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2.2. Eiser heeft aangevoerd dat bij beschikking van 22 juli 2009 zijn asielaanvraag van 26 februari 2009 is afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 en dat op 23 juli 2009 zowel een beroepschrift als een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo. Voorts heeft eiser gesteld dat nu zijn gemachtigde eerst bij brief van 2 november 2009 van verweerder op de hoogte is gesteld van het voornemen om eiser op 16 november 2009 over te dragen aan de Italiaanse autoriteiten, het verzoek om de voorlopige voorziening naar voren te halen niet eerder kon plaatsvinden. Eiser bestrijdt het standpunt van verweerder dat zijn overdracht aan de Italiaanse autoriteiten illusoir zou worden indien hij het door hem ingediende verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland zou mogen afwachten. Bovendien schorten de lopende procedures de overdrachtstermijn op.

2.3. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat indien een asielaanvraag wordt afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 het daartegen ingestelde beroepschrift op grond van artikel 82, tweede lid, aanhef en onder c, Vw 2000 geen schorsende werking heeft. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EG) nummer 343/2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (Dublin II), staat vermeld wanneer de overdracht mogelijk is. Naar de opvatting van verweerder is er in het onderhavige geval geen mogelijkheid om de overdracht van eiser op te schorten, nu het afwachten van de voorlopige voorziening de uitzetting illusoir dreigt te maken.

2.4. In de brief van 2 november 2009 staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Op 23 juli 2009 heeft u voor cliënt een voorlopige voorziening en een beroepschrift ingediend bij de vreemdelingenkamer te Almelo.

Ingevolge de Nederlandse beleidsregels mag een eerste tijdig ingediende voorlopige voorziening in beginsel worden afgewacht. Indien dit echter leidt tot de situatie waarbij de overdracht ingevolge de bepalingen van de Verordening (artikel 19, derde lid c.q. artikel 20, eerste lid, onder d) dreigt illusoir te worden, zal tot overdracht worden overgegaan en de voorlopige voorziening mag niet langer in Nederland worden afgewacht, mede bezien in het licht van C22/5.3 Vc asiel.

In casu ben ik voornemens om betrokkene op 16 november 2009 over te dragen aan de Italiaanse autoriteiten.”

2.5. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, Dublin II is de voor terugname aangezochte lidstaat verplicht de gegevens te verifiëren en op het verzoek te antwoorden, en wel zo spoedig mogelijk en onder geen beding later dan een maand nadat het aan hem is voorgelegd. Wanneer het verzoek is gebaseerd op uit het Eurodac-systeem verkregen gegevens, wordt deze termijn teruggebracht tot twee weken. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, van dat artikel wordt de om terugname verzochte lidstaat, indien hij niet reageert binnen de onder b) genoemde termijn van één maand geacht in te stemmen met terugname van de asielzoeker. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder d, is een lidstaat die instemt met een terugnameverzoek, verplicht de asielzoeker weer tot zijn grondgebied toe te laten. De overdracht gebeurt overeenkomstig de nationale wetgeving van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, zodra dat praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden na de aanvaarding van het verzoek om overname door een andere lidstaat of de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening wanneer dit opschortende werking heeft.

2.6. Volgens het in paragraaf C22/5.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) neergelegde beleid zal, indien het afwachten van een verzoek voorlopige voorziening zou leiden tot een situatie waarbij de overdracht ingevolge de bepalingen van de Verordening 343/2003 illusoir zou worden, tot overdracht worden overgegaan en zal de voorlopige voorziening niet langer mogen worden afgewacht.

2.7. De rechtbank overweegt allereerst dat niet in geding is dat de brief van verweerder op 14 oktober 2009, waarin staat dat eiser in het kader van de Dublinprocedure verwijderbaar is, aan de rechtbank is verzonden. Voorts is niet in geding dat deze brief, die, zoals door eiser ter zitting gesteld en door verweerder niet is bestreden, normaliter ook naar de (gemachtigde van ) eiser wordt gestuurd, niet naar de gemachtigde is gestuurd. De gemachtigde van eiser is daarom niet eerder dan op 2 november 2009 er van op de hoogte geraakt dat eiser op

16 november 2009 aan de Italiaanse autoriteiten zal worden overgedragen, zodat de gemachtigde van eiser onder die omstandigheden niet eerder de gelegenheid had om de rechtbank te verzoeken om het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening naar voren te halen. Uit het door de gemachtigde van eiser ingezonden faxbericht blijkt dat eiser de rechtbank heeft verzocht de voorlopige voorziening met spoed te behandelen, nu verweerder voornemens is eiser op 16 november 2009 over te dragen aan de Italiaanse autoriteiten. Daarbij komt dat niet is gebleken dat verweerder na de brief van 14 oktober 2009 de rechtbank heeft verzocht het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening naar voren te halen, terwijl dat wel gebruikelijk is en in het belang van eiser was. Verweerder heeft ter zitting geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat hij dit verzoek niet heeft kunnen doen. Er zijn geen aanwijzingen voor het oordeel dat de rechtbank het verzoek van eiser om de voorlopige voorziening niet binnen afzienbare termijn zal behandelen.

2.8. De stelling van eiser dat er geen sprake is van een overdracht die illusoir dreigt te worden, wordt door de rechtbank gevolgd.

2.9. Nu het in casu een terugname door Italië betreft, geldt op grond van artikel 20, eerste lid aanhef en onder b, Dublin II dat Italie binnen 2 weken had moeten reageren op het terugnameverzoek van 28 mei 2009. Nu dit niet is gebeurd is er, ingevolge onder c van voormeld artikellid, op 12 juni 2009 fictief ingestemd door Italië. Vervolgens is onder d bepaald dat de overdracht uiterlijk binnen een termijn van 6 maanden na instemming dient te geschieden, dus uiterlijk op 11 december 2009.

In geschil is de vraag of de op 16 november 2009 geplande overdracht, zoals verweerder stelt, in casu illusoir wordt, indien verweerder de voorlopige voorziening zou afwachten. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank het volgende van belang.

Allereerst heeft verweerder ter zitting verklaard dat er enige tijd is gemoeid met het organiseren van de feitelijke overdracht, zoals het boeken van een vlucht, het overplaatsen van de vreemdeling naar een uitzetcentrum, maar ook wordt enige tijd speling in acht genomen, voor het geval bijvoorbeeld de vlucht op het laatste moment wordt geannuleerd of niet gehaald, zodat er nog tijd resteert om een nieuwe vlucht te boeken binnen de overdrachtstermijn. Al met al kost deze periode ongeveer een tot twee weken, volgens verweerder.

De rechtbank is van oordeel dat de geplande vluchtdatum dermate ruim binnen de overdrachtstermijn is geboekt, dat niet meteen gesproken kan worden van het illusoir worden van de overdracht, indien de vlucht op 16 november 2009 geen doorgang zou vinden.

Voorts is van belang dat verweerder in casu voormelde brief van 14 oktober 2009, waarin de vluchtdatum is opgenomen, niet aan de gemachtigde van eiser heeft doen toekomen, anders dan kennelijk te doen gebruikelijk. Dit brengt mee dat eiser eerst op 2 november 2009 de rechtbank heeft kunnen verzoeken tot het bespoedigen van de behandeling van de voorlopige voorziening. Dit klemt te meer, nu verweerder in deze zaak, eveneens anders dan te doen gebruikelijk, niet zelf de rechtbank heeft verzocht de voorlopige voorziening met voorrang te plannen, wat naar het oordeel van de rechtbank van verweerder verlangd had mogen worden.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat in onderhavig geval (nog) geen sprake is van een overdracht die illusoir dreigt te worden, zodat in die grond geen aanleiding gevonden kan worden dat de voorlopige voorziening door eiser niet hier te lande afgewacht zou mogen worden. Dit brengt mee dat de inbewaringstelling van meet af aan onrechtmatig geacht moet worden.

2.10. De stelling van eiser dat de overdrachtstermijn verlengd kan worden vanwege de lopende rechtsmiddelen, wordt, gelet op artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, Dublin II, verworpen.

2.11. Het beroep is gegrond. De bewaring dient met onmiddellijke ingang te worden opgeheven.

2.12. In het onderhavige geval ziet de rechtbank aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding voor de dagen die eiser ten onrechte in bewaring heeft doorgebracht, met ingang van de dag waarop de maatregel is opgelegd, zijnde 29 oktober 2009. Eiser komt een bedrag toe ter hoogte van 1 x € 105,- = € 105,- voor de ten onrechte in bewaring doorgebrachte dagen in een politiecel en 9 x € 80,- = € 720,- voor de ten onrechte doorgebrachte dagen in een huis van bewaring. In totaal wordt aan eiser een bedrag van

€ 825,- toegekend.

2.13. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank voorts aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met onmiddellijke ingang;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 825,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.S. Venema-Dietvorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.A. Ruiter als griffier op 11 november 2009.

Griffier Rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: