Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4162

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/3082
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM6868, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat van de in het asielrelaas gestelde feiten wel positieve overtuigingskracht uitgaat, maar van de daaraan ontleende vrees niet, zodat het relaas niet geloofwaardig wordt geacht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2009, LJN BJ3621, een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd. Uit die uitspraak blijkt immers dat de – aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende – vermoedens over wat de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, deel uitmaken van de door de vreemdeling op die feiten en omstandigheden gebaseerde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag of schending van artikel 3 van het EVRM. Dit brengt niet alleen met zich dat deze op vermoedens gebaseerde vrees door de rechter zonder terughoudendheid moet worden getoetst, maar ook dat verweerder dienaangaande niet kan volstaan met een beoordeling of van het relaas positieve overtuigingskracht uitgaat, omdat dit laatste ziet op de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en niet – zoals hier aan de orde – op de zwaarwegendheid daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/3082

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]y

geboren op [geboortedatum],

van Iraakse nationaliteit,

V-nummer: [getal],

eiser,

gemachtigde: mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam,

en

de Staatssecretaris van Justitie

verweerder,

gemachtigde: mr. C.I. Tienstra, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2009 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij brief van 30 januari 2009 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 september 2009, waar eiser en zijn gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Ter zitting was een tolk aanwezig.

2. Overwegingen

2.1Op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan, voor zover thans van belang, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Onder verdragsvluchteling wordt, voor zover van belang, verstaan: elke persoon die uit gegrond vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.2 Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.3 Het asielrelaas van eiser luidt – zakelijk weergegeven – als volgt. Eiser is afkomstig uit Bagdad, Irak. Eiser is uit Irak gevlucht vanwege de algehele gevaarlijke situatie aldaar. Als hoogopgeleide soennitische jongeman liep eiser een verhoogd risico om ontvoerd of gedood te worden, hetgeen aan de orde van de dag was in Irak. Zo is een vriend van eiser, die net als eiser computerprogrammeur was, vermoord en een zwager van eiser ontvoerd. In januari 2007 is eiser met zijn familie naar Syrië gevlucht en toen hij geen visum meer kon krijgen voor dat land is hij naar Nederland gekomen.

2.4 Verweerder heeft de aanvraag op grond van de hiervoor vermelde bepalingen afgewezen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is, aangezien het positieve overtuigingskracht ontbeert. Verweerder acht de door eiser gestelde feiten geloofwaardig, maar de daaraan op basis van vermoedens ontleende vrees van eiser niet.

Verweerder heeft daartoe – kort samengevat – overwogen dat:

- aan eiser toerekenbaar is dat hij geen documenten heeft overgelegd ten behoeve van

de vaststelling van zijn reisroute, nu uit de gehoren niet gebleken is dat eiser zijn paspoort onder dwang van de reisagent heeft verscheurd. Dat eiser een buskaartje heeft overgelegd, doet niet af aan de conclusie dat hij er niet in geslaagd is zijn reisverhaal aannemelijk te maken. Het buskaartje ondersteunt enkel de verklaring van eiser dat hij het laatste stukje tot het aanmeldcentrum in Ter Apel per bus heeft afgelegd;

- eiser geen gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent zijn reisroute heeft weten te geven;

- de vrees van eiser niet realistisch is, aangezien eiser deze vrees baseert op vermoedens wat hem, gelet op de algehele situatie in zijn land van herkomst, kan overkomen, terwijl deze vermoedens geenszins worden geconcretiseerd door specifieke op de persoon van eiser gerichte gebeurtenissen. Op grond van de verklaringen van eiser kan voorts niet worden aangenomen dat een verband bestaat tussen de dood van zijn vriend en diens functie en kan evenmin worden aangenomen dat eiser vanwege zijn functie in de negatieve belangstelling zou staan. Evenmin is gebleken dat eiser vanwege de ontvoering en verdwijning van zijn zwager in de negatieve belangstelling zou staan.

2.5 De rechtbank overweegt ten aanzien van de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, het volgende.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het ontbreken van documenten hem niet tegengeworpen mag worden, nu hij een identiteitskaart, een nationaliteitsverklaring, de woonkaart van zijn vader, een (kopie) van de voedselkaart van zijn vader en een buskaartje heeft overgelegd en de over de reis gestelde vragen zo gedetailleerd mogelijk heeft beantwoord. Omdat hij zich in een afgesloten laadruimte bevond, kan hij geen beschrijving geven van de cabine van de vrachtwagen en weet hij niet via welke landen de vrachtwagen reed. Dit kan hem niet verweten worden. Evenmin kan hem verweten worden dat hij zijn paspoort heeft verscheurd. Hij was afhankelijk van de reisagent en moest diens opdrachten opvolgen, omdat de reisagent hem anders niet verder zou helpen, aldus nog steeds eiser.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser in redelijkheid het ontbreken van documenten ter adstructie van zijn reisroute kunnen toerekenen. De stelling van eiser dat hij afhankelijk was van zijn reisagent kan niet afdoen aan de, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bestaande, eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling voor de onderbouwing van zijn reis- en asielrelaas. Verweerder heeft daarbij het standpunt kunnen innemen dat uit de gehoren van eiser niet is gebleken dat hij zijn paspoort onder dwang heeft verscheurd. Daar komt bij dat verweerder heeft kunnen overwegen dat eiser evenmin gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent zijn reis heeft weten te geven. De verklaring die eiser hiervoor heeft gegeven, heeft verweerder niet afdoende hoeven achten.

Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser kunnen tegenwerpen.

2.6 De rechtbank overweegt vervolgens ten aanzien van de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht mist, het volgende.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, zoals toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, op het standpunt gesteld dat van de in het asielrelaas gestelde feiten wel positieve overtuigingskracht uitgaat, maar van de daaraan ontleende vrees niet, zodat het relaas niet geloofwaardig wordt geacht. Daarbij is verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van

11 februari 2005 (200407775/1).

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2009, LJN BJ3621, een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd. Uit die uitspraak blijkt immers dat de – aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende – vermoedens over wat de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, deel uitmaken van de door de vreemdeling op die feiten en omstandigheden gebaseerde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag of schending van artikel 3 van het EVRM. Dit brengt niet alleen met zich dat deze op vermoedens gebaseerde vrees door de rechter zonder terughoudendheid moet worden getoetst, maar ook dat verweerder dienaangaande niet kan volstaan met een beoordeling of van het relaas positieve overtuigingskracht uitgaat, omdat dit laatste ziet op de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en niet – zoals hier aan de orde – op de zwaarwegendheid daarvan.

2.7 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, zodat het in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen en voor vernietiging in aanmerking komt. Bepaald zal worden dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen.

2.8 Gelet op de gegrondverklaring van het beroep is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten begroot op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-- ter zake van verleende rechtsbijstand, welk bedrag betaald dient te worden aan de griffier van de rechtbank door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van Arrondissement 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.H.T. Rademaker. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken 21 oktober 2009.