Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4054

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/31771 (verzoek) en 09/31770 (beroep)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft in het zwaarwegend advies, gedateerd 28 augustus 2009, aangevoerd dat hij bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. In dit advies heeft hij onder anderen verwezen naar het algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzake Irak van mei 2009 en het UNHCR-rapport van 27 april 2009 getiteld ‘UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum-seekers’ en de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 juli 2009. Dat laatste rapport geeft een nadere (en gedetailleerde) beschrijving van de geweldssituatie in de provincie Ninewa.

Gelet op de stukken waarnaar verzoeker in zijn zwaarwegend advies heeft verwezen, en gelet op het door de UNHCR ingenomen standpunt dat in de provincie Ninewah, waaruit verzoeker afkomstig is, sprake is van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, is de enkele motivering in het in het besluit ingelaste voornemen niet toereikend. Verweerder zal aan de hand van de aangedragen informatie dienen te motiveren waarom verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Voorzieningenrechter

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 09/31771 (verzoek)

AWB 09/31770 (beroep)

Datum uitspraak: 25 september 2009

Ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Iraakse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr. P.L.P.M. van Aalst,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 2 september 2009 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 26 augustus 2009 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Zevenaar. Verzoeker heeft daartegen op 2 september 2009 beroep ingesteld. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van eveneens 2 september 2009 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van

18 september 2009. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Post.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarvoor bestaat aanleiding.

3. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de voorzieningenrechter het bestreden besluit te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde

4. Ter staving van zijn asielaanvraag heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Verzoeker is afkomstig uit Mosul te Irak.

Verzoeker is in 2008 voor een aannemer, een kennis van zijn oom, gaan werken als asfalteerder van wegen. Zij kregen opdrachten van de Amerikanen. Op 6 februari 2009 werd de aannemer vermoord toen zij bezig waren met een opdracht. Twee dagen later reed een auto langs de werkplaats en werd een pamflet uit de auto gegooid waarin stond vermeld dat zij moesten stoppen met hun werkzaamheden voor de Amerikanen. Indien zij niet hiermee zouden stoppen, zou hen hetzelfde lot treffen als de aannemer. Een week later is een collega van verzoeker niet meer op zijn werk verschenen. Op 21 februari 2009 werd verzoeker in zijn auto achtervolgd. Hierop heeft verzoeker zijn auto verlaten en is hij te voet verder gevlucht. Vervolgens is op zijn auto geschoten en is deze in brand gevlogen. Vanaf dat moment heeft verzoeker niet meer gewerkt en heeft hij niet meer thuis geslapen. Toen bij zijn ouderlijk huis een dreigbrief werd bezorgd, afkomstig van de organisatie [naam], is verzoeker bij zijn oom ondergedoken. Eveneens is op 27 februari 2009 een dreigbrief bij zijn moskee bezorgd.

Gelet op de dood van de aannemer en de bedreigingen door de [naam] aan het adres van verzoeker, heeft hij Irak verlaten.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoeker onvoldoende documenten heeft overgelegd ter staving van zijn reisroute en zijn asielrelaas. Verzoeker heeft geen verifieerbare, coherente en juiste verklaringen over de reis afgelegd. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van verklaringen die zijn reisverhaal onderbouwen niet aan hem zijn toe te rekenen. De verklaring van verzoeker over de beschreven gang van zaken wordt hiervoor als onvoldoende van de hand gewezen.

Ten aanzien van de overgelegde kopie van de dreigbrief stelt verweerder dat deze niet op echtheid kan worden onderzocht en daaraan om die reden niet de waarde kan worden gehecht die verzoeker eraan zou willen hechten.

Voorts mist het asielrelaas van verzoeker positieve overtuigingskracht.

Verweerder is voorts van mening dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn).

Ten slotte stelt verweerder zich op het standpunt dat verzoeker niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

6. Hiermee kan verzoeker zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende aangevoerd. Verzoeker is van mening dat hem niet kan worden toegerekend dat hij geen indicatief bewijs van zijn reis kan overleggen. Hij zat verscholen in een afgesloten ruimte in een vrachtwagen en is illegaal vanuit Irak naar Nederland gesmokkeld, mede omdat hij geen paspoort had. Een dergelijke wijze van reizen genereert geen enkele ticket en stempel in het paspoort.

Verder stelt verzoeker dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet heeft kunnen verklaren over de reisroute. Daarnaast is verzoeker van mening dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij een kopie van de dreigbrief heeft overgelegd. Verder blijkt dat verzoeker zich inspant en alles in het werk stelt om het origineel van de dreigbrief te verkrijgen en aan verweerder te overhandigen. Voorts is verzoeker van mening dat van zijn asielrelaas een positieve overtuigingskracht uitgaat. Hij stelt zich op het standpunt dat van de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas dient te worden uitgegaan.

Verzoeker is van mening dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verzoeker naar diverse overgelegde bijlagen. Tevens verwijst verzoeker naar het arrest van het Hof van Justitie van 17 februari 2009 waaruit hij afleidt dat aanvullende bescherming ten opzichte van artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt geboden.

Tevens stelt verzoeker zich op het standpunt dat de veiligheidssituatie in Irak in het algemeen en in Mosul in het bijzonder nog steeds zeer slecht is en om die reden het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irak moet worden voortgezet. Er is geen sprake van dat de veiligheidssituatie is verbeterd.

Verzoeker stelt zich slotte op het standpunt dat onderhavige procedure niet in een Aanmeldcentrum kon worden afgedaan.

7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

8. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van verzoeker ongeloofwaardig is.

9. Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vw 2000 wordt bij de beoordeling van de aanvraag (onder andere) betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- en of identiteitsdocumenten dan wel andere documenten heeft, tenzij het ontbreken daarvan niet aan hem is toe te rekenen.

De voorzieningenrechter acht hiertoe redengevend dat verzoeker niet alleen geen indicatief bewijsmateriaal met betrekking tot zijn reis heeft overgelegd, maar dat hij bovendien hij niet in staat was om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven. De verklaring van verzoeker voor de beschreven gang van zaken, te weten dat hij een week per vrachtwagen heeft gereisd, slaappillen heeft gekregen en daarom niets kan vertellen over de controles en via welke landen hij heeft gereisd, heeft verweerder niet toereikend kunnen achten. Immers, van een persoon die heeft verklaard van Irak naar Nederland te hebben gereisd, mag in redelijkheid worden verwacht dat hij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken zoals de doorreislanden en de gepasseerde grenscontroles. Niet valt in te zien dat verzoeker, die een week lang in een laadruimte heeft verbleven, niets heeft gemerkt van grenscontroles en geen informatie kan geven over de doorreislanden of anderszins het landschap kan omschrijven. Nu verzoeker heeft verklaard dat hij naar buiten kon kijken en een gedeelte van de lucht kon zien, mag van hem worden verwacht dat hij informatie had kunnen geven over bijvoorbeeld bruggen en vlaggen bij controleposten.

Verzoeker heeft naar voren gebracht dat hetgeen in het rapport van het eerste gehoor is weergegeven, namelijk dat verzoeker tijdens de reis naar buiten kon kijken en de lucht kon zien, geen letterlijke weergave is geweest van zijn daadwerkelijke afgelegde verklaring. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij namelijk heeft verklaard dat wanneer hij omhoog keek een paar kleine gaatjes in het dekzeil zag, waardoor de lucht te zien was.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omstandigheid dat het vorenstaande niet is gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen op het rapport van het eerste gehoor - omdat deze verklaring niet is besproken tijdens de nabespreking en om die reden niet is gecorrigeerd - voor rekening van verzoeker komt. De grond dat de stelling van verweerder is gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de door verzoeker afgelegde verklaringen kan dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen.

Reeds gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet in redelijkheid aan verzoeker heeft kunnen tegenwerpen.

De vraag of verweerder op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn asielrelaas behoeft hierdoor geen beantwoording meer. Immers, ingevolge paragraaf C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is het ontbreken van één van de elementen genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vw 2000 reeds voldoende om toepassing te geven aan deze bepaling.

10. Gelet op het ter zake gevoerde beleid brengt het toerekenbaar ontbreken van

documenten mee dat op voorhand afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Waar verweerder in beginsel het relaas en de daarin gestelde feiten voor waar pleegt aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is, geldt indien zich een van de omstandigheden als opgesomd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000 voordoet, een extra voorwaarde. In dat geval mogen in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat en toereikend is gemotiveerd waarom het relaas positieve overtuigingskracht mist en derhalve ongeloofwaardig is. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker op essentiële punten in zijn asielrelaas onaannemelijke verklaringen heeft afgelegd. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor de Amerikanen heeft gewerkt. Zo weet hij niet van welke Amerikanen de opdrachten kwamen, heeft hij nooit op een Amerikaanse basis asfalteerwerkzaamheden moeten verrichten en was er nimmer enige vorm van bewaking ter bescherming van de werknemers. Derhalve heeft verzoeker zijn vrees niet aannemelijk gemaakt.

Verder heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de aannemer is vermoord door terroristen vanwege werk voor de Amerikanen. Immers, verzoeker heeft verklaard dat hij niet weet door wie de aannemer is vermoord. De twijfel dat de aannemer door terroristen werd vermoord wordt versterkt door de verklaring van verzoeker dat een neef het nieuws kwam brengen over de aannemer die was vermoord en vervolgens het werk van die aannemer heeft overgenomen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien waarom op dat moment niet de werkzaamheden werden gestaakt vanwege de veiligheid.

Met betrekking tot de overgelegde dreigbrieven heeft verzoeker verklaard dat hij niet weet of zijn collega’s ook dergelijke brieven hebben ontvangen. Niet valt in te zien dat een dergelijke gebeurtenis niet wordt besproken met collega’s en hij evenmin tijdens het verblijf bij zijn oom navraag heeft gedaan naar de ervaringen van zijn collega’s. Verzoeker heeft verklaard dat zijn gehandicapte moeder hem heeft bezocht toen hij bij zijn oom verbleef. Niet is gebleken dat daarbij problemen zijn ondervonden. Vorenstaande doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de vrees van verzoeker. Niet valt in te zien dat een dergelijk risico op ontdekking wordt gelopen, nu de terroristen op zoek zouden zijn naar verzoeker. Immers, verzoeker heeft verklaard dat de terroristen voortdurend in de buurt van het huis patrouilleerden.

12. In het licht van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder het relaas van verzoeker ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

13. Met betrekking tot het beroep van verzoeker op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

14. Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, en artikel 18, van de Definitierichtlijn, verlenen de lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of een staatloze ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade die bestaat uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

15. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraak van 25 mei 2009 (nr. 200702174/2A/2, JV 2009/291), kan uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van 17 februari 2009, gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging (hierna: de uitzonderlijke situatie). Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling – gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008 (nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, JV 2008/329) – ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

16. Gelet op het voorgaande zal het beroep van verzoeker op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in de beoordeling van het beroep op artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000 worden betrokken. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

17. Verweerder heeft zich in het voornemen, dat is ingelast in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat uit de ambtsberichten niet blijkt dat in Noord-Irak sprake is van een gewapend conflict.

Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat laatstgenoemd standpunt dient te worden gekwalificeerd als een kennelijke verschrijving.

18. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de vraag dienen te beantwoorden of de thans nog staande motivering in het bestreden besluit, te weten dat verzoeker op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van het in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde risico zelfstandig het besluit kan dragen. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

19. Verzoeker heeft reeds in het zwaarwegend advies, gedateerd 28 augustus 2009, aangevoerd dat hij bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. In dit advies heeft hij verwezen naar het algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzake Irak van mei 2009, het UNHCR-rapport van 27 april 2009 getiteld ‘UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum-seekers’ (hierna: Eligibility Guidelines) en de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 juli 2009.

20. De door verzoeker aangehaalde Eligibility Guidelines vermelden, onder noot 24, het volgende: ‘In the European Union, where the term “subsidiary protection” is used, UNHCR considers that asylumseekers originating from the Central Governorates of Baghdad, Diyala, Kirkuk, Ninewa and Salah Al-Din who are not found to be refugees should receive subsidiary protection under Article 15(c) of the EU Qualification Directive […]. Applying the reasoning of the European Court of Justice in Elgafaji v. Netherlands State Secretary of Justice (Case C-465/07, 17 February 2009, […] UNHCR considers the degree of violence which characterizes the ongoing armed conflict in those areas to be of such a high level that there are substantial grounds for believing that a civilian, if returned to those areas, would, solely because of his/her presence in those areas, face a real risk of being subject to a serious and individual threat to his/her life or person.’

Het rapport geeft een nadere (en gedetailleerde) beschrijving van de geweldssituatie in de provincie Ninewa (pagina 110-115).

21. Gelet op de stukken waarnaar verzoeker in zijn zwaarwegend advies heeft verwezen, en gelet op het door de UNHCR ingenomen standpunt dat in de provincie Ninewah, waaruit verzoeker afkomstig is, sprake is van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, is de enkele motivering in het in het besluit ingelaste voornemen, zoals hiervoor weergegeven, niet toereikend. Verweerder zal aan de hand van de aangedragen informatie dienen te motiveren waarom verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

22. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, mist verweerders standpunt dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid,

onder b, van de Vw 2000 een deugdelijke motivering.

23. De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 Awb en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. Hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd kan in het licht hiervan onbesproken blijven.

24. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht 644,- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt

voor het verschijnen ter zitting).

De beslissing

De voorzieningenrechter verklaart:

het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 2 september 2009;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.A.P. van der Roest, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.L. Waanders, griffier.

de griffier de voorzieningenrechter?

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2009.