Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4048

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
09/758016-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van verkrachting (bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegd). De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster, met name op het punt dat zij door verdachte werd gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen om tot een bewezenverklaring van de voor verkrachting noodzakelijke dwang te kunnen komen. Veroordeling tot 3 maanden gevangenisstraf, met aftrek, voor de op de dagvaarding onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft een voor verdere verspreiding geschikte hoeveelheid cocaïne in zijn bezit gehad en munitie van categorie III voorhanden gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/758016-09

Datum uitspraak: 20 november 2009

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

adres: [adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 2 oktober 2009 en 6 november 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd, namens wie tevens een slachtofferverklaring is voorgelezen.

De officier van justitie mr. Willemse heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage C aan dit vonnis is gehecht) onder 18, 19 en 25 tot en met 31, genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte, dat de onder 6, 8 en 17 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan het slachtoffer, [X], en dat de overige inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard c.q. vernietigd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tenslotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.864,00, subsidiair 38 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [X].

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aan verdachte is de verkrachting van aangeefster ten laste gelegd.

Van verkrachting kan slechts sprake zijn als - op basis van de bewijsmiddelen - vast staat dat het slachtoffer door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid gedwongen is tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Volgens aangeefster heeft verdachte haar een nacht lang gedwongen een veelvoud aan seksuele handelingen te ondergaan, door haar te mishandelen - een kopstoot te geven, te slaan, ook met voorwerpen, en aan de haren te trekken - en haar voorts te bedreigen, ook met de dood.

Zowel verdachte als aangeefster heeft verklaard dat er die nacht overvloedig alcohol en drugs zijn gebruikt en dat zij beiden onder invloed daarvan waren.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster, met name op het punt dat zij door verdachte werd gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen om tot een bewezenverklaring van de voor verkrachting noodzakelijke dwang te kunnen komen. Getuige [getuige], die in ieder geval nog in de woning van verdachte aanwezig was op het tijdstip dat het slachtoffer naar eigen zeggen voor de eerste keer door verdachte zou zijn verkracht, heeft verklaard dat zij gedurende die avond niets heeft opgemerkt dat erop zou kunnen duiden dat aangeefster tegen haar wil seksuele handelingen heeft ondergaan. Daar komt bij dat het slachtoffer kennelijk na het door haar beschreven eerste seksuele contact met verdachte, de mogelijkheid heeft gehad de woning samen met [getuige] te verlaten, hetgeen zij echter heeft nagelaten. De rechtbank kan dit moeilijk rijmen met de verklaring van aangeefster dat zij kort daarvoor door verdachte zou zijn gedwongen tot seks. Verder bevinden zich in het dossier geen medische stukken die een aanknopingspunt bieden voor langdurige en ernstige mishandeling zoals door aangeefster omschreven.

Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat aangeefster werd gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft op 6 november 2009 bij apart geminuteerde beschikking het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel de rechtbank verkrachting niet bewezen acht, is zij desalniettemin van oordeel dat de handelingen van verdachte, mede gelet op het leeftijdsverschil tussen aangeefster (17 jaar oud) en verdachte (41 jaar oud), moreel gezien zeer laakbaar zijn geweest. Hij heeft het meisje, dat hij amper kende, in zijn woning een grote hoeveelheid alcohol en verdovende middelen aangeboden. Vervolgens heeft hij gebruik gemaakt van de kwetsbare staat waarin zij zich na het nuttigen hiervan bevond door meermalen seks met haar te hebben. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op zijn minst genomen beter had moeten weten en hoopt dat hij zich in de toekomst zal onthouden van dit soort contacten met minderjarigen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het onder 2 en 3 bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een voor verdere verspreiding geschikte hoeveelheid cocaïne in zijn bezit gehad. Cocaïne is een stof waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar welke ook direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. In de woning van verdachte zijn voorts versnijdingsmiddelen voor cocaïne en ponypacks aangetroffen.

Met betrekking tot het voorhanden hebben van munitie van categorie III overweegt de rechtbank dat dit soort munitie in het algemeen de veiligheid van personen in gevaar kan brengen.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 29 juni 2009, reeds eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, doch niet voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op de gespreksaantekening van 30 juni 2009, van de Reclassering Nederland.

Gelet op het vorenstaande en de richtlijnen die in den lande voor dit soort feiten worden gehanteerd, acht de rechtbank na te melden straf passend en geboden.

Dat dit een lagere straf is dan door de officier van justitie gevorderd, behoeft, gelet op het feit dat de officier van justitie haar eis grotendeels heeft gebaseerd op bewezenverklaring van feit 1, terwijl de rechtbank verdachte vrijspreekt van dit feit, verder geen uitleg.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 11, 22, 23 en 24 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 9, 15 en 20 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar aangezien deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten, dan wel het feit waarvan hij werd verdacht, zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Ten aanzien van voorwerp 15 ([merk] systeemkast) overweegt de rechtbank in dit kader dat hierop kinderporno is aangetroffen.

De rechtbank zal, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, de teruggave gelasten:

- aan verdachte van de op de beslaglijst onder 4, 5, 7, 10, 12, 13, 14, 18, 19, 21, 25, 26, 27, 28, 29, 30 en 31 genummerde voorwerpen;

- aan aangeefster [X] van de op de beslaglijst onder 6 en 8 genummerde voorwerpen.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot het op de beslaglijst onder 17 genummerde voorwerp geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Ten aanzien van de op de beslaglijst genummerde voorwerpen 1, 2, 3 en 16 (- gebruikte - condooms) gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte afstand heeft gedaan, nu drie van de vier condooms in de afvalbak/vuilniszak zijn aangetroffen, zodat de rechtbank hierover geen beslissing behoeft te nemen.

De vordering van de benadeelde partij met betrekking tot feit 1.

[X], [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot (immateriële) schadevergoeding, groot € 2.864,00.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33a, 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

- 2, 10 en 13a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2:

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER C, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

ten aanzien van feit 3:

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 11, 22, 23 en 24 genummerde voorwerpen;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 9, 15 en 20 genummerde voorwerpen;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 4, 5, 7, 10, 12, 13, 14, 18, 19, 21, 25, 26, 27, 28, 29, 30 en 31 genummerde voorwerpen;

gelast de teruggave aan aangeefster [X] van de op de beslaglijst onder 6 en 8 genummerde voorwerpen;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 17 genummerde voorwerp;

bepaalt dat de benadeelde partij [X], [adres], niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Van der Poort-Schoenmakers, voorzitter,

Honée en Meessen, rechters,

in tegenwoordigheid van Van den Bosch, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 november 2009.