Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3995

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
09/757596-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ3333, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag. De verdachte heeft zijn vriendin om het leven gebracht met één kogelschot in haar hart. [..] De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat voorts rekening gehouden met het volgende. De verdachte heeft vanaf het begin van het onderzoek geen openheid van zaken gegeven en heeft geweigerd aan onderzoeken van het Pieter Baan Centrum en van de Reclassering Nederland mee te werken. Deze proceshouding van de verdachte heeft het onderzoek belemmerd en een snelle waarheidsvinding in de weg gestaan. Een snelle waarheidsvinding is met name bij een strafzaak waarbij iemand het leven is ontnomen in het bijzonder voor de nabestaanden van het slachtoffer van wezenlijk belang. Deze omstandigheden in ogenschouw genomen en al het voorgaande afwegende, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaan een lagere straf aan de verdachte op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/757596-08

Datum uitspraak: 20 november 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "P.I. Haaglanden" te Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 6 augustus 2008, voortgezet op

27 oktober 2008, 10 december 2008, 25 februari 2009, 15 mei 2009 en inhoudelijk voortgezet op 5 juni 2009, 11 juni 2009 en na op laatstgenoemde zitting te zijn gesloten en op 25 juni 2009 te zijn heropend, op 9 september 2009 en 6 november 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.S. Warnaar en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. F.E. van der Zee, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 april 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk [X] van het leven heeft

beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, althans opzettelijk met een vuurwapen (van/op korte afstand) een

kogel in de borst, althans in het lichaam van die [X] geschoten, tengevolge

waarvan voornoemde [X] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs1

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [X] van het leven heeft beroofd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van de hem onder impliciet primair ten laste gelegde moord en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de hem onder impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft begaan. Zij heeft zich - zoals verwoord in haar requisitoir dat aan dit vonnis is gehecht - op het standpunt gesteld dat, ondanks de stellige ontkenning van de verdachte, bewezen verklaard kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, steunend op direct of indirect bewijs, nu de verdachte op vele vraagpunten geen redengevende verklaring heeft kunnen geven.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Daarbij heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er zoveel hiaten zijn in een eventuele bewijsconstructie, dat niet wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat de verdachte het slachtoffer [X] heeft doodgeschoten. De raadsvrouw heeft naar voren gebracht - zoals verwoord in haar pleitnotities die aan dit vonnis zijn gehecht - dat zich ten tijde van het schietincident in de woning waar het slachtoffer is doodgeschoten, ook de broer van het slachtoffer, [A], bevond. Niet is uit te sluiten dat het slachtoffer door een derde persoon is doodgeschoten, hetgeen volgens de raadsvrouw tot de conclusie dient te leiden dat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van de aan de verdachte onder impliciet primair ten laste gelegde moord. Daarbij heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat in ieder geval niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade zou hebben doodgeschoten.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op donderdagavond 24 april 2008 te 's-Gravenhage is de verdachte samen met zijn toenmalige vriendin, het slachtoffer [X], en haar broer [A] naar restaurant [restaurant] gegaan, waar zij hebben gegeten. Voor en tijdens het eten hebben verdachte en de broer van het slachtoffer whisky en bier gedronken. Hierna zijn zij richting de woning van het slachtoffer aan de [straat 1] gelopen. Onderweg hebben verdachte en [A] in een avondwinkel bier gekocht en opgedronken. De verdachte en [A] zijn naar een café, de [café], tegenover de woning van het slachtoffer gegaan, waar zij ook nog alcoholhoudende drank hebben genuttigd2. Op een gegeven moment is ook het slachtoffer dit café binnengekomen. Rond 22.00 uur hebben het slachtoffer en haar broer het café verlaten en zijn naar de woning van het slachtoffer gegaan. De verdachte is later ook naar deze woning gegaan.3 4 5

De onderbuurman van het slachtoffer, genaamd [B], wonende aan de [straat 1], is op de avond van 24 april 2008 rond 21.30 uur thuis gekomen. Onderweg naar huis heeft hij op een kerkklok gekeken. Om 22.30 uur was hij aan het lezen in zijn woning, toen hij een heftige ruzie in de woning boven hem hoorde. Hij hoorde heel hard geschreeuw. Eerst hoorde hij een mannen- en daarna een vrouwenstem die hij herkende als de stemmen van verdachte en [X]. Omdat hij wel vaker ruzies tussen de verdachte en het slachtoffer had gehoord, kon hij meteen horen dat het weer om een ruzie tussen hen ging. Tijdens deze ruzie, die erg luidruchtig was en ongeveer vijf minuten duurde, hoorde hij twee personen en een hond heen en weer lopen. Direct volgend op de ruzie hoorde de buurman twee heel harde stampen, waarbij hij moest denken aan het geluid van een vuurwapen. Na deze twee stampen was de ruzie over en werd het gedurende een paar minuten stil. Daarna hoorde hij één persoon lopen en het geluid van meubels die verschoven werden. Tijdens deze geluiden heeft de buurman op zijn horloge gezien dat het 23.00 uur was. Vervolgens hoorde hij een mannenstem gedurende ongeveer twintig minuten hysterisch huilen en schreeuwen. Hierna hoorde hij een deur dichtslaan. De huilende en schreeuwende mannenstem verplaatst zich dan naar buiten.

Op vrijdagochtend 25 april 2008 werd de buurman om 08.00 uur wakker. Ongeveer drie kwartier later hoorde hij de stem die de avond ervoor aan het huilen was, weer op dezelfde manier huilen.6 Om 08.58 uur is bij de Centrale Meldkamer een alarmmelding van de verdachte binnengekomen dat hij zijn vriendin dood op de bank heeft aangetroffen.7 De verdachte heeft verklaard dat hij heeft gehuild toen hij de politie in de ochtend van de 25e april belde.8 9 De rechtbank neemt aan dat de huilende/schreeuwende stem die van verdachte is.

[C], de zus van het slachtoffer, heeft op donderdagavond 24 april 2008 telefonisch met het slachtoffer gesproken. Dit gesprek heeft plaatsgevonden om 22.33 uur. [C] heeft verklaard dat zij tijdens dat gesprek de stem van de verdachte op de achtergrond hoorde.10

Op grond van vorenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte en het slachtoffer zich rond 22.30 uur in de woning van het slachtoffer aan de [straat 1] bevonden.

De politie heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar het gebruik van (mobiele) telefoons van verdachte en het slachtoffer in de nacht van 24 op 25 april 2008. De resultaten van dat onderzoek zijn weergegeven op een tijdlijn die de officier van justitie tijdens de zitting van 5 juni heeft overgelegd en die aan het proces-verbaal van die zitting is gehecht. In de navolgende beschouwing volgt de rechtbank die tijdlijn. De op pagina 3, laatste (meest rechtse) vermelde belpositie bevestigt het eerder aangehaalde telefoongesprek tussen het slachtoffer en haar zuster, [C].

Met het toestel van het slachtoffer wordt op de 24e april tussen 23.14 uur en 23.34 uur 13 keer gebeld. Vijf keer werd met de telefoon van het slachtoffer contact gezocht met de mobiele telefoon van [D], de broer van verdachte en een keer werd contact gezocht met de ‘vaste’ telefoon van verdachtes broer. Er zijn in totaal vier gesprekken tot stand gekomen: 23.20, 49 seconden; 23.28, 38 seconden, 23.31, 47 seconden en 23.34, 33 seconden. [D] heeft verdachte om 23.21 uur teruggebeld. Er volgde toen een gesprek van 173 seconden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard11 dat hij die nacht wel telefonisch contact heeft gehad met zijn broer, maar dat hij geen herinnering heeft aan tijdstippen en omstandigheden. De broer van verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard12 zich niet te kunnen herinneren dat hij die nacht telefonisch contact met verdachte heeft gehad. Het telefoongesprek van 173 seconden om 23.31 uur zegt deze getuige helemaal niets.13 Het laatste contact van [D] met het slachtoffer en verdachte zou een aantal dagen voor het overlijden van [X] hebben plaatsgevonden14.

Verdachte beschikte over verschillende mobiele telefoons waaronder die met nummer

[nummer 1]. Dat toestel had verdachte uitgeleend aan zijn moeder en het lag op 24 april 2008 in de woning van zijn ouders aan de [straat 2]. Uit de tijdlijn, pagina 5, laatste positie rechts, is af te leiden dat dit toestel op 25 april 2008 om 01.33 uur is aangezet. Met betrekking tot deze telefoon heeft de deskundige Van der Starre ter terechtzitting verklaard15 dat deze zich om 01.33 uur bevond in de [straat 3]. In die nacht was de zendmast in de [straat 3] de server van de [straat 2]. Tevens heeft de deskundige verklaard waarom deze locatie met zekerheid is vast te stellen. Deze telefoon wordt

’s morgens onder het hoofdkussen van het bed van verdachte aangetroffen. Later die nacht is er twee keer naar dit toestel gebeld, 02:58: 23 (7 seconden) en 02:58: 53 (22 seconden) vanuit een telefooncel aan de [straat 4]. Beide gesprekken lopen via de zendmast in de [straat 5] (de zich het dichtst bij de [straat 1] bevindende zendmast).

Gelet op bovenstaande komt de rechtbank tot het volgende standpunt. Op grond van de verklaring van de getuige [B], de gerechtelijke sectie16 en het verslag van de artsen van de GGD Amsterdam met betrekking tot de op het lichaam van het slachtoffer aangetroffen lijkvlekken neemt de rechtbank aan dat de dood van het slachtoffer op 24 april 2008 rond 23.00 uur is ingetreden. Het is niet aannemelijk dat zij na dat moment met haar mobiele telefoon heeft gebeld. Het nummer van [D] was niet in haar toestel geprogrammeerd hetgeen betekent dat degene die van dat toestel gebruik heeft gemaakt dat nummer telkens weer heeft moeten invoeren. De rechtbank acht de verklaring van de broer van verdachte, degene die gebeld werd en die gebeld heeft, dat hij zich geen enkel gesprek van die nacht herinnert, niet aannemelijk. Gelet op het patroon van bellen, neemt de rechtbank aan dat het verdachte is geweest die zijn broer heeft gebeld en door hem is gebeld op zijn eigen mobiele nummer ([nummer 2]).

Gelet op hetgeen door de deskundige Van der Starre met betrekking tot de mobiele telefoon met het nummer [nummer 1] ter terechtzitting van 5 juni is verklaard, hecht de rechtbank aan de verklaring van verdachte dat hij die telefoon in de slaapkamer in de woning aan de [straat 1] in de nacht van 24 of 25 april 2008 opeens hoorde afgaan, geen geloof. Verdachte heeft in die nacht deze telefoon zelf opgehaald in de woning van zijn ouders en daar ook aangezet of hij heeft die telefoon die nacht van iemand anders gekregen. Die andere persoon moet dan wel geweten hebben dat deze telefoon aan verdachte toebehoorde.

Betrouwbaarheid van de verklaring van de onderbuurman

De rechtbank gaat er van uit dat de verklaring van de onderbuurman bij de politie betrouwbaar en bruikbaar is, nu deze gedetailleerd en met redenen omkleed is. Onderweg naar huis heeft de onderbuurman op een kerkklok gekeken en gezien hoe laat het was. De onderbuurman heeft verklaard als student aan het conservatorium een goed ontwikkeld gehoor te hebben. Hij heeft de stemmen van het slachtoffer en van de verdachte, als zijnde de vriend van zijn bovenbuurvrouw, die avond herkend, aangezien hij hen wel vaker ruzie heeft horen maken. De volgende ochtend heeft hij dezelfde mannenstem horen huilen en schreeuwen. Dit komt overeen met de verklaring van de verdachte dat hij de volgende ochtend huilend de politie heeft gebeld. Ook heeft de onderbuurman twee stampen gehoord in de woning van het slachtoffer. Vast staat dat daar twee schoten zijn gelost, waarvan de een in de salontafel is terechtgekomen en de ander in het slachtoffer. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de schot in de salontafel tijdens kerst is afgelost, zoals door de verdachte is verklaard.

Kleding en schoen van de verdachte

De kleding die de verdachte in de avond van 24 april 2008 aan had, is niet teruggevonden in de woning aan de [straat 1]. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn kleren die avond naast zijn bed had gelegd en dat deze de volgende ochtend verdwenen waren. Hij heeft geen redengevende verklaring kunnen geven voor het verdwijnen van deze kleren. Ook heeft de verdachte verklaard in die nacht niet naar buiten te zijn geweest. De onderbuurman van het slachtoffer heeft verklaard te hebben gehoord dat hij de stem van de man die in de avond van 24 april 2008 en in de ochtend van 25 april 2008 huilde, wiens stem hij tijdens de ruzie tussen het slachtoffer en verdachte heeft herkend als die van de vriend van zijn bovenbuurvrouw, naar buiten heeft horen gaan en steeds gedempter heeft horen worden.

Mevrouw [E], wonende in hetzelfde portiek als het slachtoffer, heeft verklaard dat zij in de nacht van 24 op 25 april 2008 tussen 01.00 en 02.00 uur thuis kwam en een donkere sportschoen op een trede van de portiektrap zag liggen.17 Deze verklaring past in de lijn van de verklaring van de onderbuurman dat hij een huilend en schreeuwend persoon, naar de rechtbank aanneemt verdachte, naar buiten heeft horen gaan. De gevonden schoen is bemonsterd op contactsporen. Van deze bemonstering werd een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal drie personen. Het DNA-profiel van de verdachte en dat van het slachtoffer matchten met het verkregen DNA-mengprofiel, dat van de broer van het slachtoffer, [A], matchte niet.18 De rechtbank trekt uit het voorgaande de conclusie dat de gevonden sportschoen van de verdachte is en acht het zeer aannemelijk dat de verdachte die nacht naar buiten is gegaan en zijn kleding heeft weggemaakt, waarbij hij een schoen is verloren. De verklaring van de verdachte, dat hij die nacht niet naar buiten is geweest, acht de rechtbank gezien het voorgaande ongeloofwaardig.

Camerabeelden

De camerabeelden die op 25 april 2008 op de [straat 6] te Den Haag tussen 07.51.05 uur en 08.32.44 uur zijn opgenomen, wijzen er zeer sterk op dat de verdachte ook in de vroege ochtend buiten is geweest, terwijl de verdachte dit heeft ontkend. Op deze beelden is te zien dat een mannelijke persoon over het trottoir van de [straat 6] loopt. Deze man draagt lichtkleurige schoenen met donkere stukken, een donkerkleurige broek, een wit vest, een donkerkleurige trui met aan de onderzijde een grijze rand en een rode capuchon over zijn hoofd. Hij heeft een lichtkleurige vlek op zijn rechter achterbroekzak.19 De verdachte heeft ter terechtzitting van 5 juni 2009 verklaard over zulke kleren te beschikken en dat deze kleren in de woning aa[straat 1] zijn gevonden. Ook heeft hij verklaard dat hij in zijn achterbroekzak wit papier had zitten. De verklaring van de verdachte dat hij dezelfde kledingcombinatie zelf verkoopt en dat de persoon op de beelden derhalve een ander moet zijn geweest,20 acht de rechtbank niet geloofwaardig en niet aannemelijk. De verdachte heeft er geen redengevende verklaring voor kunnen geven dat hij op deze beelden te zien is.

Aangenomen kan worden dat de verdachte de woning aan de [straat 1] pas heeft verlaten nadat [A] uit de woning is vertrokken. Blijkens de verklaring van [A] bij de rechter-commissaris, heeft hij na zeven uur in de ochtend de woning verlaten.21 Om 08.58 uur heeft de verdachte de Centrale Meldkamer gebeld. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de verdachte gedurende ruim een half uur in de ochtend buiten is geweest.

Vuurwapen, kleding slachtoffer en DNA-onderzoek

Bij aankomst in de woning aan de [straat 1] heeft de politie het lichaam van het slachtoffer op de bank aangetroffen. Op haar lichaam lag een wapen, een zilverkleurig vuurwapen van het merk [merk], deels onder haar linkerhand. De verdachte heeft verklaard dat hijzelf en [A] wisten dat het slachtoffer linkshandig was.22 Opgerold onder het lichaam van het slachtoffer is haar (opgerolde) bovenkleding gevonden, een trui, een hemd en een bh. Het viel de onderzoekers op dat de bh nog gesloten was. Deze kledingstukken zijn op biologische sporen onderzocht. Op de binnenonderrand van de trui, het hemd en de bh zijn biologische contactsporen aangetroffen waaruit een DNA-profiel is verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de avond van 24 april 2008 in het restaurant [restaurant] nog met het slachtoffer zou hebben gefriemeld. Gevraagd naar wat hij daaronder verstond, maakte verdachte ter terechtzitting een omarmende beweging die zeker niet redengevend is voor het aantreffen van genoemde biologische contactsporen. Gelet op de specifieke locatie van deze sporen neemt de rechtbank aan dat deze niet zijn ontstaan als gevolg van intieme aanrakingen tussen geliefden, maar dat deze zijn ontstaan toen verdachte de bovenkleding van het slachtoffer uittrok.

De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat het slachtoffer door haar broer [A] is neergeschoten, aangezien ieder fysiek spoor van zijn betrokkenheid bij haar dood ontbreekt.

Op het vuurwapen is een zwak DNA-profiel van de verdachte aangetroffen. Daarnaast is een DNA-profiel van het slachtoffer aangetroffen, hetgeen te verklaren is doordat dit wapen op haar lichaam lag. Van een derde persoon is geen DNA-profiel op het vuurwapen aangetroffen.23 Uit DNA-onderzoek is gebleken dat ook op de rechtercup van de BH en op de onderrand van het hemd van het slachtoffer een DNA-mengprofiel is aangetroffen van de verdachte en het slachtoffer.24 25

Nadat het slachtoffer is neergeschoten, zijn haar kleren uitgetrokken en onder haar lichaam gelegd. Dat haar kleren na haar dood zijn uitgetrokken, blijkt bovenal uit het feit dat in haar bovenkleding een kogelgat zat. Het is volstrekt onaannemelijk dat het slachtoffer zichzelf neergeschoten zou hebben en zich daarna uitgekleed zou hebben. Vast staat daarmee dat het slachtoffer niet zichzelf neergeschoten kan hebben.

Verdachte wist waar het vuurwapen in de woning van het slachtoffer lag en hij heeft verklaard twee keer eerder met dit wapen te hebben geschoten.26 27 Hij wist derhalve hoe hij met dit wapen moest schieten. Uit onderzoek is gebleken dat de twee hulzen die naast het lichaam van het slachtoffer zijn gevonden, afkomstig zijn uit het vuurwapen dat op het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen. Ook is gebleken dat de kogel uit de salontafel en de kogel uit het slachtoffer waarschijnlijk zijn afgevuurd met voornoemd vuurwapen.28 Vast staat derhalve dat het slachtoffer met het zilverkleurige vuurwapen van het merk [merk] is neergeschoten.

Uit het vorengaande kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de verdachte de kleding van het slachtoffer heeft uitgetrokken nadat zij is overleden - gezien ook de specifieke plekken op de kleding van het slachtoffer waar zijn DNA is gevonden - en het vuurwapen op haar lichaam onder haar linkerhand heeft gelegd.

Doodsoorzaak

Het slachtoffer is dood op de bank in haar woning aan de [straat 1] aangetroffen. Bij sectie is gebleken dat bij haar sprake was van één inschotopening, een ronde huidperforatie net boven de tepel, links aan de borst door de tepelhof. De schotbaan verliep van voor naar achteren iets middenwaarts en iets naar boven. In de schotbaan lag het hart, dat volledig geperforeerd was. Het schotletsel was bij leven opgelopen en verklaart het intreden van de dood zonder meer op basis van bloedverlies en hartfunctieverlies. Het inschot had geen enkel kenmerk van een schot van zeer nabij.29 Gezien het vorenstaande kan vastgesteld worden dat het slachtoffer is overleden als gevolg van een schotwond door eerdergenoemd wapen.

Lijkvlekken

Het slachtoffer is op haar rug liggend op de bank aangetroffen. Volgens de forensische arts van de GGD Amsterdam komen de lijkvlekken op haar rechterbovenarm, -schouder en rechterzijde hals niet goed overeen met de horizontale positie waarin zij aangetroffen is gefotografeerd. Door het zwaartekrachteffect bevinden lijkvlekken zich normaliter aan de onderzijde van het lichaam. Het is volgens de forensische arts aannemelijk dat deze lijkvlekken zijn ontstaan toen het slachtoffer in een andere positie lag. Aannemelijk is voorts dat de lijkvlekken zijn ontstaan in de één à vier uur na het overlijden en dat de houdingsverandering van het slachtoffer kort voor het aantreffen van haar lijk moet hebben plaatsgevonden.30 Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat het lichaam van het slachtoffer mogelijk vier uren na haar overlijden moet zijn verplaatst, hetgeen onaannemelijk maakt dat zij laat in de nacht of in de vroege ochtend is overleden. Immers dan zou er onvoldoende tijd zijn om de lijkvlekken te doen ontstaan.

Een onbekende derde of vierde als dader

Verdachte heeft een aantal keren de suggestie gedaan dat een tot heden onbekende ander ’s nachts in de woning aan de [straat 1] zou zijn gekomen en aldaar het slachtoffer om het leven zou hebben gebracht. De rechtbank acht deze suggestie op geen enkele wijze aannemelijk. Op grond van verklaringen van verdachte en de broer van het slachtoffer moet worden aangenomen dat slechts twee personen beschikten over een sleutel van de woning; het slachtoffer en verdachte. Een derde zou zich alleen toegang tot de woning kunnen verschaffen door het slot te forceren. Op de toegangsdeur van de woning zijn echter geen braaksporen aangetroffen.31 De hond van het slachtoffer die op z’n minst als zeer waaks, zo niet agressief kan worden gekarakteriseerd, is die nacht geen enkele keer aangeslagen. Geen van de gehoorde buren heeft in die richting iets verklaard. Deze onbekende zou op voorhand over veel ‘daderwetenschap’ moeten hebben beschikt. Hij had niet alleen moeten weten dat er een geladen wapen in de woning aanwezig was, ook had hij moeten weten waar het lag. Gelet op de plaats waar het wapen is aangetroffen, op de borst van het slachtoffer onder haar linkerhand, had deze onbekende moeten weten dat het slachtoffer linkshandig was. Noch op de bovenkleding van het slachtoffer noch op het wapen zijn tot DNA-profielen te herleiden sporen van anderen dan verdachte en het slachtoffer aangetroffen. Gelet op het verslag van de GGD Amsterdam met betrekking tot het aantreffen van lijkvlekken op het lichaam van het slachtoffer, moet haar lichaam een tot vier uur na het tijdstip van overlijden zijn verplaatst. Indien er sprake zou zijn van een onbekende derde als dader zou deze al die tijd in de woning zijn verbleven. Dat lijkt de rechtbank totaal niet aannemelijk.

Verdachte als dader

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de navolgende omstandigheden wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het verdachte is die [X] in de nacht van 24 op 25 april 2008 met een schot van een vuurwapen om het leven heeft gebracht.

Vooropgesteld zij dat er geen getuigen zijn die hebben waargenomen dat verdachte [X] om het leven heeft gebracht en daarover een belastende verklaring hebben afgelegd. Bewijsmiddelen die verdachte rechtstreeks aanwijzen als dader bevinden zich niet in het dossier. Verdachte heeft vanaf het moment van zijn aanhouding ten stelligste ontkend zijn vriendin om het leven te hebben gebracht. De rechtbank zal derhalve moeten beoordelen of de niet als rechtreeks aan te duiden bewijsmiddelen feiten en omstandigheden inhouden die, in onderlinge samenhang bezien, verdachte buiten redelijke twijfel aanwijzen als dader in deze zaak.

Verdachte was op de avond van 24 april 2008 in de woning van het slachtoffer [X]. In die woning bevond zich ook de broer van het slachtoffer, [A]. Laatstgenoemde was bij thuiskomst onder invloed van veel alcohol gelijk gaan slapen en heeft later, over wat zich die avond/nacht in de woning aan de [straat 1] heeft afgespeeld, geen enkele verklaring kunnen afleggen. Bij gebrek aan enig fysiek spoor in de woning of op het slachtoffer en het wapen dat in de richting van deze broer als verdachte wijst, dient hij als verdachte te worden uitgesloten.

Rond 23.00 uur bevinden verdachte en het slachtoffer zich in haar woning en hebben zij ruzie. Verdachtes zuster, [C], verklaart daarover, als ook de onderbuurman [B] en verdachte zelf. Verdachte is degene die het slachtoffer als laatste in leven heeft gezien.

Verdachte wist dat het wapen waarmee het slachtoffer om het leven is gebracht in de woning aanwezig was. Hij wist waar het lag en hij heeft naar eigen zeggen op z’n minst bij twee gelegenheden met dat wapen geschoten. Hij was dus ook op de hoogte van de werking van het wapen.

Uit technisch onderzoek is vast komen te staan dat de in het lichaam van het slachtoffer aangetroffen kogel en de kogel in de salontafel met dit wapen zijn afgevuurd.

Het slachtoffer en verdachte zijn de donoren van het DNA materieel dat op dit wapen is aangetroffen.

Verdachte heeft na het overlijden van het slachtoffer lichamelijk contact met haar gehad. Immers: na overlijden is de bovenkleding van het slachtoffer uitgetrokken en onder het lichaam geduwd. De op de bh van het slachtoffer aangetroffen sporen (bloed op de rechter cup) en contactsporen op de binnen onderrand van de bh en op de onderrand van het hemd en de trui bevatten DNA-mengprofielen waarvan verdachte en het slachtoffer de donoren zijn. De plaats waar deze sporen zijn aangetroffen zijn niet te vereniging met de daarvoor door de verdachte gegeven verklaring (zijn gefriemel met het slachtoffer). Op de kleding van het slachtoffer zijn naast de tot DNA-profielen herleidbare contactsporen van het slachtoffer en verdachte geen tot andere personen herleidbare biologische contactsporen aangetroffen.

De onderbuurman, [B], heeft verklaard dat hij kort na de twee stampen het geschuif van meubels hoorde en het hysterisch gehuil van een persoon die de woning verliet. [B] verklaart dat hij op de ochtend van de 25e april tegen 09.00 uur hetzelfde gehuil van dezelfde persoon hoort. Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij ’s morgens het alarmnummer belde, huilde. Op grond van deze verklaring neemt de rechtbank aan dat deze getuige ’s avonds op de 24e en ’s morgens op de 25e één en dezelfde persoon heeft gehoord. Deze verklaring, in samenhang met verdachtes verklaring over de toestand waarin hij verkeerde toen hij op de 25e de politie belde, laat geen ruimte voor speculatie over met betrekking tot de identiteit van de huilende persoon: verdachte.

Verdachte heeft voor een aantal feiten en omstandigheden geen redengevende verklaring kunnen geven:

- Het verdwijnen van de kleding die hij droeg op de avond van de 24e april 2008.

Hoewel hij naar eigen zeggen die kleding naast zijn bed had gelegd, was deze op de ochtend van de 25e verdwenen;

- De door een buurvrouw in de trapportiek van de woning aangetroffen tot verdachte herleidbare schoen;

- Het telecommunicatie verkeer tussen verdachte en zijn broer in de nacht van het overlijden van het slachtoffer;

- De aanwezigheid van de telefoon van zijn moeder in de [straat 1] terwijl die telefoon op grond van de resultaten van technisch onderzoek die nacht te plaatsen is in de [straat 3];

- De ondanks zijn beperkingen door en namens hem met zijn broer [D] gevoerde telefoongesprekken uit het huis van bewaring.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 24 april 2008 te 's-Gravenhage opzettelik [X] van het leven heeft

beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen een kogel in de borst

van die [X] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder impliciet subsidiair ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren een te hoge straf betreft voor de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zijn vriendin om het leven gebracht met één kogelschot in haar hart. Het slachtoffer, een jonge vrouw van achtentwintig jaar, is door het handelen van de verdachte vroegtijdig van haar leven beroofd. Niet alleen heeft de verdachte haar haar leven en toekomst ontnomen, ook heeft hij haar naasten immens veel verdriet aangedaan door het slachtoffer abrupt en op gewelddadige wijze van hen af te nemen. Dit soort geweld houdt uiteindelijk de grofste ontkenning van de persoon van de ander in. Dit soort geweld schokt ook de samenleving.

Vast is komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 juni 2009, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor onder meer geweldsdelicten.

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte acht geslagen op het Pro Justitia rapport naar aanleiding van het psychologisch onderzoek betreffende de verdachte d.d. 5 oktober 2009, opgesteld en ondertekend door drs. M.H. de Groot, klinisch psycholoog. Uit dit rapport komt naar voren dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige impulscontrole en problemen met zijn agressieregulatie. Voorts zijn er blijkens dit rapport geen duidelijke aanwijzingen om iets anders dan normale toerekeningsvatbaarheid bij de verdachte te veronderstellen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat voorts rekening gehouden met het volgende. De verdachte heeft vanaf het begin van het onderzoek geen openheid van zaken gegeven en heeft geweigerd aan onderzoeken van het Pieter Baan Centrum en van de Reclassering Nederland mee te werken. Deze proceshouding van de verdachte heeft het onderzoek belemmerd en een snelle waarheidsvinding in de weg gestaan. Een snelle waarheidsvinding is met name bij een strafzaak waarbij iemand het leven is ontnomen in het bijzonder voor de nabestaanden van het slachtoffer van wezenlijk belang. Deze omstandigheden in ogenschouw genomen en al het voorgaande afwegende, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaan een lagere straf aan de verdachte op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

7. De inbeslaggenomen goederen

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1., 2. en 3. genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag opgeheven dient te worden en de inbeslaggenomen voorwerpen teruggegeven dienen te worden aan de rechthebbende.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1., 2. en 3. genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezen verklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36b, 36c, 36d en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

DOODSLAG;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1., 2. en 3. genummerde voorwerpen, te weten:

1. zilverkleurig vuurwapen merk [merk] no 104, 105

2. kogels (2) + hulzen (2), SVO 405 # 1, 612, 102, 109

3. munitie, SVO no 106, 410, 410 # 1.

Dit vonnis is gewezen door

mrs H.J. de Graaff, voorzitter,

J.J.P. Bosman en M.M. Meijers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coskun, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2009.

mr. Meijers is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van de bundels ambtsedige processen-verbaal, met bijlagen, hoofdnummer PL1509/2008/001654 in de zaak TGO 08-040 en hoofdnummer PL1509/2008/1654 in de zaak BRR 08120 “Betty”, van regiopolitie Haaglanden, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal terechtzitting van 5 juni 2009, p. 12, verklaring van verdachte.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [A], BRR08120 BETTY, verdachten- en methodiekendossier [A] (....en ...), blz. 23 e.v.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [A], BRR08120 BETTY, verdachten- en methodiekendossier [A] (.... en ......), blz. 29 e.v.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] 25-04-2008 (1e), BRR08120 BETTY, verdachtendossier [verdachte] (.....), blz. 205 e.v.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [B], BRR08120 BETTY, algemeen dossier, O/OPV/Bijlage G, blz. 23 e.v.

7 Proces-verbaal van bevindingen, BRR08120 BETTY, ambtshandelingendossier (AH), O/OPV/Bijlage AH, blz. 43 e.v.

8 Proces-verbaal uitwerking 3e videoverhoor, BRR08120 BETTY, verdachtendossier [verdachte] (......), blz. 55 e.v.

9 Proces-verbaal uitwerking 4e videoverhoor, BRR08120 BETTY, verdachtendossier [verdachte] (......), blz. 78 e.v.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [C], BRR08120 BETTY, algemeen dossier, 03/OPV/Bijlage G, blz. 230 e.v.

11 Proces verbaal terechtzitting van 5 juni 2009, pagina 12, verklaring van verdachte.

12 Proces-verbaal verhoor getuige [D] door de rechter-commissaris op 17 augustus 2009, punt 6 en punt 13.

13 Proces-verbaal verhoor getuige [D] door de rechter-commissaris op 17 augustus 2009, punt 13.

14 Proces-verbaal verhoor getuige [D] door de rechter-commissaris op 17 augustus 2009, punt 614 en 15.

15 Proces-verbaal terechtzitting van 5 juni 2009, pagina 10, verklaring van de deskundige van der Starre.

16 O/OPV/D/1-2.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [E], BRR08120 BETTY, algemeen dossier, O/OPV/Bijlage G, blz. 157 e.v.

18 BRR08120 BETTY, forensisch dossier (FO), O/OPV/FO, Bijlage OO, blz. 359 e.v.

19 Proces-verbaal van bevindingen videobeelden [straat 6], BRR08120 BETTY, ambtshandelingendossier (AH), 02/OPV/Bijlage AH, blz. 109 e.v.

20 Proces-verbaal terechtzitting van 5 juni 2009, blz. 18

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [A] bij de rechter-commissaris d.d. 17 augustus 2009.

22 Proces-verbaal uitwerking 4e videoverhoor, BRR08120 BETTY, verdachtendossier [verdachte] (......), blz. 78 e.v.

23 Deskundigenrapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 oktober 2008 van ir. H.J.T. Janssen, BRR08120 BETTY, forensisch dossier (FO), blz. 371 e.v.

24 Deskundigenrapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 1 augustus 2008 van ir. H.J.T. Janssen, BRR08120 BETTY, forensisch dossier (FO), blz. 310 e.v.

25 Verklaring getuige-deskundige H.J.T. Janssen ter terechtzitting van 5 juni 2009, blz. 4 e.v.

26 Proces-verbaal van studioverhoor verdachte [verdachte] (2e verhoor), BRR08120 BETTY, verdachtendossier [verdachte] (.......), blz. 242 e.v.

27 Proces-verbaal terechtzitting van 5 juni 2009, blz. 16

28 Deskundigenrapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 4 juli 2008 van ing. M.E. Bestebreurtje, BRR08120 BETTY, forensisch dossier (FO), blz. 291 e.v.

29 Deskundigenrapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 september 2008 van F.R.W. van de Goot, arts en patholoog, BRR08120 BETTY, forensisch dossier (FO), blz. 348 e.v.

30 Brief forensisch arts mr. dr. C. Das van GGD Amsterdam d.d. 21 november 2008, BRR08120 BETTY, forensisch dossier (FO), blz. 399 e.v.

31 Map forensisch onderzoek, pagina 20.