Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3986

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
349968 - KG ZA 09-1392
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad? Strafrecht. Vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling vervangende hechtenis wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat het CJIB in strijd met de Aanwijzing Executie of anderszins onrechtmatig heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 5 november 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 349968 / KG ZA 09-1392 van:

[eiseres]

[woonplaats]

eiseres,

advocaat mr. F.G.D. Pykstra te Zwolle,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. E.G. Fels te Den Haag.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 28 oktober 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij vonnis van 9 november 2007 heeft de politierechter van de rechtbank Roermond eiseres veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is eiseres een aantal schadevergoedingsmaatregelen opgelegd met een beloop van in totaal € 10.042,40, te vervangen door 199 dagen hechtenis. Het openbaar ministerie en eiseres hebben ter zitting afstand gedaan van rechtsmiddelen.

1.2. In de 'aantekening mondeling vonnis' van de uitspraak van 9 november 2007 staat vermeld dat eiseres op dat moment gedetineerd is [adres] en dat zij geen bekende woon- of verblijfplaats heeft in Nederland. Als adres van eiseres staat [adres] te [woonplaats] vermeld.

1.3. De detentie van eiseres in de penitentiaire inrichting te [adres] is op 20 december 2007 geëindigd.

1.4. Eiseres is op 24 augustus 2009 aangehouden. Zij ondergaat sinds 31 augustus 2009 de vervangende hechtenis van de haar opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.

1.5. Bij faxbericht van 7 oktober 2009 heeft eiseres aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: het CJIB) kort gezegd verzocht om een overzicht van de ondernomen acties ter incasso van de schadevergoedingsmaatregelen.

1.6. Het CJIB heeft in reactie hierop bij brief van 18 oktober 2009 eiseres onder meer bericht dat verzending van brieven plaatsvindt via een geautomatiseerd systeem en dat hiervan geen fysieke afschiften kunnen worden verstrekt. In de brief is opgenomen dat op 17 december 2007 een eerste aanschrijving is verzonden naar de penitentiaire inrichting te [adres] en dat deze onbestelbaar retour is gekomen. In de brief staat voorts vermeld dat in januari 2008 een aanschrijving naar het voormelde adres in [woonplaats] is gezonden en dat, nadat deze ook onbestelbaar retour is gezonden, eiseres in het opsporingsregister is opgenomen.

1.7. Gedaagde heeft een overzicht van de gemeentelijke basisadministratie (GBA) overgelegd, waarin staat vermeld dat van eiseres geen GBA-adres bekend is.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiseres vordert - zakelijk weergegeven - gedaagde te bevelen om de vervangende hechtenis onmiddellijk te beëindigen.

2.2. Daartoe voert eiseres - samengevat - het volgende aan.

De 'Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidsstelling' (Staatscourant 23 juni 2008, nr. 118, pagina 12, hierna: de Aanwijzing) is niet gevolgd. Eiseres heeft nooit een aanschrijving of een aanmaning tot betaling van de opgelegde schadevergoeding ontvangen. Het CJIB had de adresgegevens van eiseres moeten controleren. De tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis is in de onderhavige situatie niet gerechtvaardigd, aangezien er geen sprake is van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. Eiseres is gelet op haar draagkracht niet in staat het openstaande bedrag ineens te voldoen, maar zij is wel bereid om € 50,-- per maand te betalen. De tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis dient gelet op het voorgaande te worden opgevat als een oneigenlijk gebruik van een dwangmiddel en is onrechtmatig jegens eiseres.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van onder meer schadevergoedingsmaatregelen.

3.2. Uit artikel 561 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat een vonnis zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. Uit artikel 561 lid 4 Sv volgt verder dat een schadevergoedingsmaatregel in ieder geval binnen twee jaar en drie maanden na de dag waarop het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, moet zijn voldaan. De wijze waarop het CJIB deze maatregelen ten uitvoer legt, is neergelegd in de Aanwijzing. In de Aanwijzing is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan hiervan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen afbetalingsregelingen treft, tenzij een verzoek om een betalingsregeling op grond van bijzondere omstandigheden gehonoreerd kan worden. Het CJIB heeft in deze een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding deze beslissingen in beginsel slechts marginaal kan toetsen.

3.3. Partijen verschillen van mening over de vraag of het CJIB in overeenstemming met de Aanwijzing heeft gehandeld.

3.4. Uit paragraaf 4.1 van de Aanwijzing volgt dat eerst wordt getracht om een zaak te executeren door middel van toezending van een aanschrijving en eventuele aanmaningen en dat, alvorens een zaak doorgaat naar de incassofase, er een adresverificatie plaatsvindt. In paragraaf 10.1 van de Aanwijzing staat vermeld dat veroordeelden van wie geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, na adresverificatie in het opsporingsregister worden opgenomen.

3.5. Eiseres betwist niet de verzending van de brieven door het CJIB, maar wel dat deze door haar zijn ontvangen en stelt dat het CJIB een adresverificatie had moeten uitvoeren. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat het adres van eiseres in Duitsland, waaraan de brieven volgens het geautomatiseerde systeem van het CJIB zijn gezonden, juist is en ook altijd juist is geweest. Daarmee valt niet in te zien op welke grond het CJIB het adres van eiseres in Duitsland nog nader had moeten controleren. De omstandigheid dat eiseres geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland had, bracht mee dat geen verhaal meer mogelijk was, noch in de innings- noch in de incassofase. Daarop is eiseres opgenomen in het opsporingsregister. Eiseres wordt gelet op het voorgaande niet gevolgd in haar stelling dat het CJIB zich onvoldoende heeft gekweten van zijn verplichting om, alvorens tot incasso van de schadevergoedingsmaatregelen over te gaan, te trachten betaling te verkrijgen. Daarbij is verder nog van belang dat eiseres, aan wie de uitspraak bekend was, geen enkele moeite heeft ondernomen om zich voor het CJIB bereikbaar te houden.

3.6. Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat zij niet in staat is het verschuldigde bedrag ineens te voldoen. Dit onvermogen van eiseres kan echter als zodanig geen aanleiding zijn om haar invrijheidstelling te bevelen. Voor zover er bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen al rekening gehouden kan worden met de onvermogendheid van de betrokkene, moet de strafrechter geacht worden hier oog voor te hebben gehad en past ter zake grote terughoudendheid van de civiele rechter. Hieruit volgt niet dat gedaagde niet tot tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis had mogen komen.

3.7. Ten aanzien van de door eiseres aangeboden betalingsregeling van € 50,-- is van belang dat het CJIB heeft aangevoerd dat het als beleid voert dat geen betalingsregeling meer wordt getroffen in geval van registratie in het opsporingsregister. Dit valt binnen de hem toekomende beleidsvrijheid, zodat ook dit niet tot conclusie kan leiden dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis onrechtmatig is.

3.8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van eiseres zal worden afgewezen. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2009.

cb