Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3813

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
AWB 09-4892
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL4009, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder volgt de UNHCR niet in haar betoog dat elke Iraakse asielzoeker afkomstig uit genoemde vijf provincies in aanmerking moet komen voor een verblijfsvergunning op a- of b-grond van artikel 29 Vw 2000. De UNHCR wordt evenmin gevolgd in haar standpunt dat elke asielzoeker afkomstig uit de provincies Bagdad, Diyala, Kirkuk, Nenewa en Salah Al-Din, in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Hoewel de veiligheidssituatie in Irak in 2008 en 2009 is verbeterd ten opzichte van 2007, is de veiligheidssituatie in met name in de door de UNHCR genoemde provincies slecht en zorgelijk te noemen. Verweerder is echter van mening dat de veiligheidssituatie zoals omschreven in de UNHCR Guidelines en in het ambtsbericht van mei 2009 niet zodanig is dat elke vreemdeling die terugkeert naar deze gebieden reeds een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en daarmee met artikel 15c van de Definitierichtlijn. Volgens verweerder blijkt uit de jurisprudentie van het HvJ EG van 17 februari 2009 en van het EHRM van 17 juli 2008 (NA. tegen het Verenigd Koninkrijk) en 20 januari 2009 (F.H. tegen Zweden, gepubliceerd in JV 2009/74), dat een dergelijke situatie zich slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden zal voordoen. Het moet gaan om “the most extreme cases of general violence”. Hoewel de situatie in Irak in zijn algemeenheid en in de provincie Bagdad in het bijzonder nog steeds als ernstig en zorgelijk moet worden omschreven, is verweerder van mening dat deze niet zo uitzonderlijk en ernstig is dat terugkeer naar dit gebied al een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM met zich brengt. In de visie van verweerder wordt dit standpunt bevestigd door het EHRM in eerder genoemde uitspraak van 20 januari 2009, waarin het EHRM heeft geoordeeld dat hoewel de algehele veiligheidssituatie in Irak nog steeds onveilig en problematisch is, deze niet zo ernstig is dat de betrokken vreemdeling enkel vanwege terugkeer naar zijn land reeds een risico loopt op een behandeling die door artikel 3 van het EVRM verboden wordt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de onderhavige zaak met het vorenstaande afdoende heeft gemotiveerd waarom er noch ten tijde van het bestreden besluit, noch daarna, in Bagdad sprake is (geweest) van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn en in het arrest NA. tegen het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank beschouwt de verwijzing door verweerder naar het algemeen ambtsbericht inzake Irak van 29 mei 2009 en de arresten van het EHRM van 20 januari 2009 in de zaak F.H. tegen Zweden en van 17 juli 2008 in de zaak NA. tegen het Verenigd Koninkrijk als een voldoende gemotiveerde onderbouwing van verweerders standpunt dat zich in de door de UNHCR genoemde vijf provincies in Centraal-Irak geen uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in het arrest van het HvJ EG van 17 februari 2009. Daartoe wordt het volgende overwogen. De rechtbank stelt vast dat de UNHCR zijn conclusie dat zich in bedoelde vijf provincies een uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn, in grote lijnen baseert op dezelfde feiten als verweerder doet, zoals die zijn beschreven in het ambtsbericht van 29 mei 2009. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat op basis van de in dit ambtsbericht beschreven veiligheidssituatie niet de conclusie kan worden getrokken dat er in Centraal-Irak in het algemeen, noch in bedoelde vijf provincies in het bijzonder, sprake is van “the most extreme cases of general violence” dan wel de uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger (asielzoeker) die terugkeert naar dit land of naar bedoelde provincies, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15c van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. De rechtbank hecht voorts belang aan het arrest van het EHRM in de zaak F.H. tegen Zweden van 20 januari 2009 waarnaar verweerder heeft verwezen. In dit arrest heeft het EHRM bij haar beoordeling van de situatie in Irak onder meer rekening gehouden met het UNHCR-rapport Strategy for the Iraq Situation van januari 2007, doch komt zij tot het oordeel dat de situatie in Irak in 2008 is verbeterd en dat, hoewel de algehele veiligheidssituatie in Irak nog steeds onveilig en problematisch is, deze niet zo ernstig is dat de desbetreffende vreemdeling enkel hierdoor bij terugkeer naar zijn land van herkomst het risico loopt van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Nu uit het ambtsbericht van mei 2009 en de UNHCR Guidelines van april 2009 naar voren komt dat de situatie in Irak sedertdien eerder is verbeterd dan verslechterd, kan de gevolgtrekking worden gemaakt dat het EHRM ook thans niet van oordeel zou zijn dat in Irak en Bagdad sprake is van “the most extreme cases of general violence”. De rechtbank is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet kan slagen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/4892

Uitspraak van de meervoudige kamer van 11 november 2009

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1984,

van Iraakse nationaliteit,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. Y.G.F.M. Coenders,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde mr. G.M.H. Hoogvliet.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft op 16 februari 2009 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 8 oktober 2009. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank besloten het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te heropenen en de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer.

De zaak is voortgezet op de zitting van de meervoudige kamer van 26 oktober 2009, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of de weigering om eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, in rechte stand kan houden.

2. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Eiser werkte als kapper in zijn woonplaats Bagdad. In september 2007 hoorde eiser dat er twee kappers in de buurt, die net als eiser soenniet waren, zijn vermoord. Eind september 2007 hoorde eiser van de buurman van zijn kapsalon dat er mannen waren langsgekomen die naar hem hadden gevraagd. De kapsalon was toen dicht. De mannen zeiden tegen de buurman dat eiser de deur wel op slot kon doen, maar dat hij niet voor hen kon vluchten. Eiser is daarna niet meer naar de kapsalon teruggeweest. Hij heeft nog twee dagen in zijn woonhuis verbleven, en heeft daarna bij zijn oom in Bagdad ondergedoken gezeten. Op 24 februari 2008 heeft eiser Irak verlaten.

In beroep heeft eiser onder meer gesteld dat de afwijzing van zijn beroep op het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: Definitierichtlijn), niet deugdelijk is gemotiveerd. Eiser heeft deze stelling bij brief van

25 september 2009 nader onderbouwd met een verwijzing naar de UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum-seekers (hierna: UNHCR Guidelines) van 27 april 2009 alsmede het ambtsbericht van 29 mei 2009 van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak. Ook heeft eiser in dit verband gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 14 augustus 2009 (LJN: BJ5727 en JV 2009/384). Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder een beleid van categoriale bescherming voor Irak dient te voeren.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 kan worden verleend in de in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gevallen.

5. De rechtbank stelt voorop dat op basis van de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van 14 februari 2008, 27 juni 2008 en 29 mei 2009 niet kan worden geoordeeld dat de algehele situatie in Irak zodanig is dat iedere vreemdeling die afkomstig is uit dat land en die, zoals eiser, tot de soennitische geloofsgemeenschap behoort, zonder meer als vluchteling is aan te merken. Het enkele feit dat een vreemdeling afkomstig is uit Bagdad vormt evenmin voldoende grond om hem reeds om die reden als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag aan te merken. Anders dan de UNHCR in haar Guidelines van 27 april 2009, is de rechtbank dan ook van oordeel dat ook een vreemdeling die uit Bagdad afkomstig is, aannemelijk dient te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. Dat eiser, zoals door zijn gemachtigde gesteld, slechts met geringe indicaties zijn vrees voor vervolging aannemelijk zou hoeven maken omdat hij tot een risicogroep behoort, wordt niet gevolgd. Immers, uit voormelde ambtsberichten komt niet naar voren dat soennitische kappers, die in een shi’itische wijk werkzaam zijn, tot een risicogroep behoren. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat eiser bij zijn nader gehoor heeft verklaard dat hij vanwege zijn geloofsovertuiging nimmer persoonlijke problemen heeft ondervonden. Verder maakt de enkele omstandigheid dat eiser kapper is (nog) niet dat hij behoort tot een sociale groep als bedoeld in artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank tekent daarbij aan dat ook het behoren tot een bepaalde sociale groep niet op voorhand voldoende is om vluchtelingrechtelijke vervolging aan te nemen. Zelfs indien zou worden aangenomen dat eiser behoort tot een dergelijke sociale groep, zou dat enkele feit immers nog niet aannemelijk maken dat hij behoort tot een groep die voor vervolging heeft te vrezen. Ook in dat geval zou eiser aannemelijk moeten maken dat hij persoonlijk voor vervolging heeft te vrezen wil hij tot die sociale groep als bedoeld in artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag gerekend kunnen worden. De passage in het voornemen waarin verweerder heeft overwogen dat bij de beoordeling van het individueel asielrelaas is meegewogen dat kappers in Centraal-Irak als risicogroep worden beschouwd, maar dat eiser niet heeft weten te concretiseren dat specifiek hij gevaar loopt, dient dan ook in bovenomschreven zin te worden gelezen.

6. Voor wat betreft de vraag of eiser in het kader van zijn beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken, wordt het volgende overwogen. De Afdeling heeft bij uitspraak van 12 oktober 2007 (LJN: BB5841 en JV 2007/531) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) over de uitleg van voormelde bepaling. Het HvJ EG heeft die vragen beantwoord in het arrest van 17 februari 2009 inzake Elgafaji tegen Nederland (zaak C-465/07, gepubliceerd in JV 2009/111). Blijkens haar uitspraak van 25 mei 2009 (LJN: BI4791 en JV 2009/291) heeft de Afdeling uit de beantwoording van die vragen afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land, of in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Volgens de Afdeling voorziet artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in de aldus vereiste bescherming, nu deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) worden bestreken en laatstgenoemde bepaling – gezien de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008 inzake NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329), waarin is overwogen dat het EHRM nooit heeft uitgesloten dat het geweld in een bepaald land zodanig ernstige vormen kan aannemen dat een ieder die terug wordt gestuurd naar dat land een reëel risico loopt op een behandeling of bestraffing die door artikel 3 van het EVRM wordt verboden, en welk arrest het HvJ EG expliciet aanhaalt – ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Dat laatstgenoemde bepaling autonoom moet worden uitgelegd, laat volgens de Afdeling onverlet dat uit de in dit arrest door het HvJ EG gegeven uitleg kan worden geconcludeerd dat deze bepaling ziet op een situatie waarop artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, gelet op de uitleg door het EHRM van artikel 3 van het EVRM, eveneens betrekking heeft. Hieruit volgt, zoals door de Afdeling andermaal is bevestigd in haar uitspraak van 25 juni 2009 (LJN: BJ1696 en JV 2009/330), dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet kan worden aangemerkt als een wijziging van recht.

7. De rechtbank is met de Afdeling van oordeel dat met artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen aanvullende bescherming is beoogd bovenop de bescherming die artikel 3 van het EVRM, gelet ook op de door het EHRM gegeven uitleg in voormeld arrest NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, reeds bood. Een beroep op artikel 15, aanhef en onder a tot en met c, van de Definitierichtlijn dient derhalve te worden beschouwd als een beroep op artikel 3 van het EVRM. In beginsel betekent dit dat eiser door middel van hem persoonlijk betreffende omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij een reëel risico loopt op een behandeling die door artikel 3 van het EVRM wordt verboden, tenzij hij aantoont dat hij afkomstig is uit een land dan wel gebied waar ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in voormeld arrest van het HvJ EG van 17 februari 2009 dan wel het arrest NA. tegen het Verenigd Koninkrijk van het EHRM en/of aannemelijk maakt dat hij behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep die systematisch wordt blootgesteld aan een behandeling welke door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. Met betrekking tot de jurisprudentie over kwetsbare minderheidsgroepen verwijst de rechtbank naar het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in de zaak Salah Sheekh tegen Nederland (LJN: AZ5971 en JV 2007/30), paragraaf 67 van het arrest van het EHRM van 20 september 2007 in de zaak Sultani tegen Frankrijk (LJN: BB6272 en JV 2007/462), het arrest van het EHRM van 28 februari 2008 in de zaak Saadi tegen Italië (LJN: BC8132 en JV 2008/131), en paragraaf 116 van eerdergenoemd arrest van het EHRM in de zaak NA. tegen het Verenigd Koninkrijk.

8. Eiser heeft bij brief van 25 september 2009 ter onderbouwing van zijn beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn verwezen naar de UNHCR Guidelines van 27 april 2009 en het ambtsbericht van 29 mei 2009 van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Volgens de gemachtigde van eiser staat in voornoemd ambtsbericht vermeld dat in Bagdad sprake is van een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Bovendien stelt de UNHCR in haar Guidelines, dat asielzoekers afkomstig uit de vijf Iraakse provincies Bagdad, Diyala, Kirkuk, Nineveh en Salah Al-Din, beschouwd dienen te worden als vluchteling volgens het Vluchtelingenverdrag, of subsidiaire bescherming dienen te krijgen omdat zij een risico lopen op ernstige schade in een situatie van een gewapend conflict zoals omschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Eiser doet daarbij een beroep op de Afdelingsuitspraken van 14 augustus 2009 (LJN: BJ5727 en JV 2009/384) en 21 augustus 2009 (LJN: BJ6304 en JV 2009/387) en meent dat verweerder ook in de onderhavige zaak onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de UNHCR Guidelines.

9. Verweerder heeft bij brief van 5 oktober 2009 gereageerd op het vorenstaande. Verweerder wenst te benadrukken dat de UNHCR wordt aangemerkt als gezaghebbende bron en dat om die reden de informatie zoals opgenomen in de Guidelines van 27 april 2009 uitvoerig is bestudeerd door verweerder. Verweerder volgt de UNHCR echter niet in haar betoog dat elke Iraakse asielzoeker afkomstig uit bovengenoemde vijf provincies in aanmerking moet komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. De UNHCR wordt evenmin gevolgd in haar standpunt dat elke asielzoeker afkomstig uit de provincies Bagdad, Diyala, Kirkuk, Nenewa en Salah Al-Din, in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Hoewel de veiligheidssituatie in Irak in 2008 en 2009 is verbeterd ten opzichte van 2007, is de veiligheidssituatie in met name in de door de UNHCR genoemde provincies slecht en zorgelijk te noemen. Verweerder is echter van mening dat de veiligheidssituatie zoals omschreven in de UNHCR Guidelines en in het ambtsbericht van mei 2009 niet zodanig is dat elke vreemdeling die terugkeert naar deze gebieden reeds een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en daarmee met artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Volgens verweerder blijkt uit de jurisprudentie van het HvJ EG van 17 februari 2009 en van het EHRM van 17 juli 2008 (NA. tegen het Verenigd Koninkrijk) en 20 januari 2009 (F.H. tegen Zweden, gepubliceerd in JV 2009/74), dat een dergelijke situatie zich slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden zal voordoen. Het moet gaan om “the most extreme cases of general violence”. Hoewel de situatie in Irak in zijn algemeenheid en in de provincie Bagdad in het bijzonder nog steeds als ernstig en zorgelijk moet worden omschreven, is verweerder van mening dat deze niet zo uitzonderlijk en ernstig is dat terugkeer naar dit gebied al een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM met zich brengt. In de visie van verweerder wordt dit standpunt bevestigd door het EHRM in eerder genoemde uitspraak van 20 januari 2009, waarin het EHRM heeft geoordeeld dat hoewel de algehele veiligheidssituatie in Irak nog steeds onveilig en problematisch is, deze niet zo ernstig is dat de betrokken vreemdeling enkel vanwege terugkeer naar zijn land reeds een risico loopt op een behandeling die door artikel 3 van het EVRM verboden wordt. Volgens verweerder heeft de UNHCR onvoldoende onderkend dat er sprake moet zijn van een uitzonderlijke situatie en dat deze situatie zich in genoemde provincies in Irak niet voordoet. Hierbij is van belang dat er een reëel en voorzienbaar risico moet zijn op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De enkele mogelijkheid daarvan is hierbij onvoldoende.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de onderhavige zaak met het vorenstaande afdoende heeft gemotiveerd waarom er noch ten tijde van het bestreden besluit, noch daarna, in Bagdad sprake is (geweest) van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en in het arrest NA. tegen het Verenigd Koninkrijk. De Afdelingsuitspraken van 14 en 21 augustus 2009, waarnaar de gemachtigde van eiser heeft verwezen, doen daaraan niet af. Niet alleen omdat verweerder in deze zaak uitgebreider is ingegaan op het standpunt van de UNHCR en dit ter zitting nog eens nader heeft toegelicht, maar ook omdat de rechtbank de Afdelingsuitspraken zo leest dat verweerder zich in die zaken in de desbetreffende besluiten louter op het standpunt had gesteld dat zich in Centraal-Irak geen uitzonderlijke situatie voordeed als bedoeld in het arrest van het HvJ EG van 17 februari 2009, terwijl de uit de provincie Ninewa en Kirkuk afkomstige vreemdelingen hierop, onder verwijzing naar de UNHCR Guidelines, een gemotiveerd beroep hadden gedaan. Om die reden was er met betrekking tot die besluiten sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank begrijpt voorts uit voormelde Afdelingsuitspraken dat verweerder eerst in zijn in hoger beroep naar voren gebrachte grief naar het algemeen ambtsbericht inzake Irak van 29 mei 2009 en de arresten van het EHRM van 20 januari 2009 in de zaak F.H. tegen Zweden en van 17 juli 2008 in de zaak NA. tegen het Verenigd Koninkrijk heeft verwezen, maar dat de Afdeling dit niet in haar beoordeling heeft meegenomen. De rechtbank beschouwt een dergelijke verwijzing, indien tijdig naar voren gebracht, wel als een voldoende gemotiveerde onderbouwing van verweerders standpunt dat zich in de door de UNHCR genoemde vijf provincies in Centraal-Irak geen uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in het arrest van het HvJ EG van 17 februari 2009. Daartoe wordt het volgende overwogen.

11. De rechtbank stelt vast dat de UNHCR zijn conclusie dat zich in bedoelde vijf provincies een uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, in grote lijnen baseert op dezelfde feiten als verweerder doet, zoals die zijn beschreven in het ambtsbericht van 29 mei 2009. Ofschoon het vanuit de taakopvatting van de UNHCR wellicht begrijpelijk is dat zij een dergelijke conclusie trekt, is het niettemin aan het bestuur en de rechter om die feiten juridisch te kwalificeren. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat op basis van de in dit ambtsbericht beschreven veiligheidssituatie niet de conclusie kan worden getrokken dat er in Centraal-Irak in het algemeen, noch in bedoelde vijf provincies in het bijzonder, sprake is van “the most extreme cases of general violence” dan wel de uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger (asielzoeker) die terugkeert naar dit land of naar bedoelde provincies, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Weliswaar komt uit het ambtsbericht van mei 2009 naar voren dat regelmatig sprake is van geweldsincidenten waarbij (burger)slachtoffers zijn te betreuren, maar kan uit diezelfde informatie niet worden afgeleid dat het aantal willekeurige slachtoffers, afgezet tegen het inwoneraantal van Centraal-Irak dan wel Bagdad, zodanig is dat van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest van het HvJ EG van 17 februari 2009 en in de Afdelingsuitspraak van 25 mei 2009 sprake zou zijn. Uit het ambtsbericht van mei 2009 komt immers naar voren dat in Irak naar schatting 28,2 miljoen mensen wonen en dat er in 2007 ruim 16.000 en in 2008 meer dan 5.700 burgerslachtoffers in dat land vielen te betreuren. Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat alle slachtoffers zijn gevallen in Bagdad, waar naar schatting een kleine zes miljoen mensen wonen, kan niet worden gezegd dat sprake is van bedoelde uitzonderlijke situatie. De rechtbank beseft, evenals de gemachtigde van verweerder ter zitting, dat zakelijke statistieken geen recht doen aan het individuele leed dat is en wordt toegebracht, maar zij ontkomt er niet aan deze cijfers tegen elkaar af te zetten ter beantwoording van de vraag of de mate van geweld in Irak, dan wel in de provincies Bagdad, Dyala, Kirkuk, Ninewa of Salah Al-Din, in een afgebakende periode zodanig groot is dat iedere burger enkel door zijn aanwezigheid aldaar reeds een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en dus eveneens op een behandeling die door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. Aan de gemachtigde van eiser kan worden toegegeven dat bij genoemde cijfers geen rekening is gehouden met het aantal mensen dat gewond is geraakt bij aanslagen, doch daar staat tegenover dat bij het aantal burgerslachtoffers weer geen onderscheid is gemaakt tussen mensen die dodelijk slachtoffer zijn geworden vanwege willekeurig geweld en van gericht geweld.

12. De rechtbank hecht voorts belang aan het arrest van het EHRM in de zaak F.H. tegen Zweden van 20 januari 2009 waarnaar verweerder heeft verwezen. In dit arrest heeft het EHRM bij haar beoordeling van de situatie in Irak onder meer rekening gehouden met het UNHCR-rapport Strategy for the Iraq Situation van januari 2007, doch komt zij tot het oordeel dat de situatie in Irak in 2008 is verbeterd en dat, hoewel de algehele veiligheidssituatie in Irak nog steeds onveilig en problematisch is, deze niet zo ernstig is dat de desbetreffende vreemdeling enkel hierdoor bij terugkeer naar zijn land van herkomst het risico loopt van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank verwijst hierbij naar de paragrafen 90 tot en met 93 van dit arrest. Nu uit het ambtsbericht van mei 2009 en de UNHCR Guidelines van april 2009 naar voren komt dat de situatie in Irak sedertdien eerder is verbeterd dan verslechterd, kan de gevolgtrekking worden gemaakt dat het EHRM ook thans niet van oordeel zou zijn dat in Irak en Bagdad sprake is van “the most extreme cases of general violence”. De rechtbank is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet kan slagen.

13. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat niet is gebleken dat eiser tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort die systematisch wordt blootgesteld aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Dat eiser mogelijk een beroep uitoefent dat een aantal andere burgers in zijn land van herkomst niet welgevallig is, maakt zulks niet anders. Daarbij dient te worden opgemerkt dat uit eerder genoemde ambtsberichten over Irak niet naar voren komt dat eiser werkzaam is in een risicoberoep, hetgeen wordt bevestigd in verweerders beleid zoals neergelegd in WBV 2008/28 van 10 november 2008. Voor zover niettemin zou moeten worden aangenomen dat eiser behoort tot een beroepsgroep met een verhoogd risico, blijft ook dan gelden dat eiser aannemelijk dient te maken dat er in zijn geval sprake is van hem betreffende specifieke individuele kenmerken (‘special distinguishing features’), waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden (zie het arrest van het EHRM van 30 oktober 1991 in de zaak Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk, gepubliceerd in RV 1991, 19).

14. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser met hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken dat hij voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin heeft te vrezen dan wel een reëel risico loopt op een behandeling die door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. Met betrekking tot eisers individuele asielrelaas heeft verweerder het volgende overwogen.

15. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000.

16. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn reisroute te kunnen vaststellen en dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan de vaststelling van de reisroute. Volgens verweerder is het niet aannemelijk dat eiser geen enkel indicatief bewijs van de reis kan overleggen, noch in staat is om gedetailleerde coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven.

Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat eiser een eigen verantwoordelijkheid heeft om zijn documenten zorgvuldig te bewaren. Het verscheuren van zijn paspoort en vliegticket dient voor eisers rekening en risico te komen. Verweerder acht de reden waarom eiser zijn paspoort heeft verscheurd, namelijk om te voorkomen dat de reisagent het voor illegale doeleinden zou gebruiken, niet verschoonbaar, aangezien eiser op dat moment in Turkije was, waar hij de bescherming van de UNHCR had kunnen inroepen.

Verweerder heeft voorts gesteld dat, nu enig reisdocument of indicatief bewijs van de reisroute ontbreekt, het aan eiser is om door middel van verklaringen aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op de door hem gestelde wijze heeft gereisd. Eiser heeft gesteld dat hij per vliegtuig van Irak naar Turkije is gevlogen, maar hij kent het vluchtnummer niet en weet ook zijn stoel- of rijnummer niet meer. Ook weet eiser niet in welke wijk de flat in Istanbul gelegen was, waar hij, na zijn vliegreis, vijf dagen heeft verbleven. Ook weet eiser niet waar in Turkije hij op de vrachtwagen is gestapt die hem naar Nederland heeft vervoerd. Eiser weet evenmin aan te geven waar hij in Nederland uit de vrachtwagen is gestapt. Volgens verweerder had in redelijkheid verwacht mogen worden dat eiser dergelijke eenvoudige informatie had kunnen verschaffen. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten die zijn reisverhaal onderbouwen, hem niet is toe te rekenen.

17. Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het hiervoor aangegeven standpunt heeft kunnen stellen. Eisers stelling dat hij in Turkije, ondanks de aanwezigheid van de UNHCR, niet op bescherming had kunnen rekenen, maakt dat niet anders. Immers, niet is gebleken dat eiser zijn paspoort onder dwang aan de reisagent moest afgeven. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser een eigen verantwoordelijkheid heeft om zijn documenten zorgvuldig te bewaren en merkt daarbij op dat eiser daar kennelijk ook toe in staat was, nu eiser wel andere documenten heeft kunnen meenemen. Verder kan niet worden geoordeeld dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aan eiser is toe te rekenen dat hij zijn vliegticket heeft verscheurd, omdat hij het niet meer nodig had.

18. Het feit dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ontbreken van (reis)documenten aan eiser is toe te rekenen, is evenwel op zichzelf nog geen grond voor het niet inwilligen van de aanvraag. De afwijzingsgronden genoemd in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 zijn immers omstandigheden die mede worden betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag en zullen moeten worden bezien in de context van het totale feitencomplex. Wel is het zo dat het toerekenbaar ontbreken van documenten op voorhand de geloofwaardigheid van het asielrelaas aantast en dat van een asielzoeker een grotere inspanning mag worden verwacht om de noodzaak van bescherming aannemelijk te maken. Van zijn asielrelaas moet dan met andere woorden positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig te worden geacht. Dit betekent dat in het asielrelaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen voorkomen. Uit de Afdelingsuitspraak van 11 februari 2005 (LJN: AS8539 en JV 2005/152) volgt dat zowel van de feiten als van de aan de feiten ontleende vermoedens positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Daarbij dient, gelet op de Afdelingsuitspraak van 21 juli 2009 (LJN: BJ3621 en JV 2009/378), wel onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de vermoedens van de vreemdeling die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens zijn asielrelaas hebben plaatsgevonden en anderzijds de door de vreemdeling aan die gebeurtenissen ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar zijn land te wachten staat. Bij de toetsing door de rechter van het standpunt van verweerder omtrent het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, is voor een terughoudende toets geen plaats. De rechtbank maakt hieruit op dat voor wat betreft laatstgenoemde vermoedens niet geldt dat daar positieve overtuigingskracht van uit moet gaan. Zij maken immers geen deel uit van het relaas.

19. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrees die eiser aan de feiten ontleent, namelijk dat hij vanwege zijn werk als kapper zal worden vermoord door hem onbekende personen, niet reëel wordt geacht. Daartoe is redengevend dat eiser zijn vrees enkel baseert op hetgeen hij van derden – die niet zijn te beschouwen als objectieve bron – heeft gehoord. Eiser is nimmer persoonlijk bedreigd en heeft zelf ook geen problemen ondervonden. Hij heeft alleen gehoord dat voor hem onbekende personen naar hem gevraagd zouden hebben. Verder zou een verdachte vrachtwagen door de straat van zijn kapsalon zijn gereden. Deze informatie acht verweerder volstrekt onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van een gerichte aandacht voor eiser. Aan de vrees wordt volgens verweerder eveneens ernstig afbreuk gedaan door het feit dat eiser nog twee dagen veilig thuis heeft verbleven. Ook in de vijf maanden dat eiser bij zijn oom heeft verbleven, is hem niets overkomen. De omstandigheid dat eisers vermoedens stroken met hetgeen uit het ambtsbericht van juni 2008 en WBV 2008/38 bekend is, is op zichzelf onvoldoende. Van eiser mag worden verwacht dat hij de vermoedens die hij ontleent aan de door hem gestelde feiten zodanig concretiseert dat verweerder in staat is te beoordelen in hoeverre van de gegrondheid van die vermoedens moet worden uitgegaan. Ook eisers vrees voor shi’ieten vanwege het behoren tot de soennitische stroming, acht verweerder niet geconcretiseerd. Verweerder verwijst daarbij naar het nader gehoor waarin eiser meerdere malen heeft aangegeven dat hij geen problemen heeft gehad met zijn soennitische achtergrond. In het vrije relaas heeft eiser enkel gesproken over zijn problemen als kapper. Volgens verweerder is er dan ook geen samenhang tussen eisers soennitische achtergrond en het feit dat hij kapper was.

20. Verweerder heeft op grond van het vorenstaande het standpunt ingenomen dat de op feiten gebaseerde vrees van eiser om te worden vermoord vanwege het uitoefenen van het kappersvak dan wel het behoren tot een soennitische stroming van het moslimgeloof, realiteitszin ontbeert en derhalve niet positief overtuigend wordt geacht. Daarom heeft verweerder het relaas van eiser als ongeloofwaardig aangemerkt.

21. Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het voorgaande - in onderlinge samenhang bezien - voldoende steekhoudende argumenten heeft aangedragen om het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig te achten. Immers, niet kan worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid de vermoedens van eiser, die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens diens asielrelaas hebben plaatsgevonden, niet plausibel en dientengevolge ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Nu eiser om die reden evenmin kan worden gevolgd in zijn vermoeden over wat hem bij terugkeer in Irak te wachten staat, heeft verweerder op goede gronden aan eiser geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend vanwege de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 genoemde toelatingsgronden.

22. Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat verweerders beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak niet is gebaseerd op zorgvuldig onderzoek naar de relevante feiten en onvoldoende is gemotiveerd, overweegt de rechtbank als volgt.

23. Ingevolge artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) zijn de indicatoren die in ieder geval zullen worden betrokken in de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000:

a. de aard van het geweld in het land van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van het geweld;

b. de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst indien en voor zover deze een graadmeter vormen voor de positie van de internationale gemeenschap ten aanzien van de situatie in het land van herkomst, en

c. het beleid in andere landen van de Europese Unie (hierna: de EU).

24. Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of een asielzoeker voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 in aanmerking komt, worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Daarbij komt verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat het besluit niet strookt met wettelijke voorschriften, dan wel verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

25. Het is de taak van de rechter de beoordeling door verweerder van de algehele situatie in het land van herkomst, die tot stand pleegt te komen in overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan die maatstaven te toetsen, niet om een eigen oordeel omtrent de algehele veiligheidssituatie aldaar in de plaats van dat van verweerder te stellen. De rechter dient het desbetreffende oordeel van verweerder in beginsel te respecteren.

26. Bij brief van 12 september 2008 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft verweerder de Tweede Kamer geïnformeerd over de beleidsontwikkeling op het gebied van het landgebonden asielbeleid inzake Irak. Verweerder wijst in deze brief op de omstandigheid dat de minister van Buitenlandse Zaken op 27 juni 2008 een nieuw algemeen ambtsbericht over Irak heeft uitgebracht. In dit algemeen ambtsbericht wordt de huidige situatie in Irak beschreven. Zowel op grond van dit ambtsbericht, waaruit volgt dat de veiligheidssituatie in Irak aan het verbeteren is, als op grond van het beleid van omringende landen (het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Zweden), heeft verweerder het besluit genomen om het op 2 april 2007 ingestelde beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak, te beëindigen. De Tweede Kamer heeft op 9 oktober 2008 ingestemd met de voorgestelde beleidswijziging. Bij WBV 2008/28 van 10 november 2008 is het beleid gewijzigd. Het beleid is op 22 november 2008 in werking getreden.

27. Eiser stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de situatie in Irak sinds de openbaarmaking van het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van 27 juni 2008 is verslechterd. In dit verband heeft eiser verwezen naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 1 oktober 2008 en een brief van Amnesty International van 6 oktober 2008. Eiser heeft voorts gewezen op het feit dat Griekenland ook geen Irakezen uitzet. Volgens eiser is het een vaste gedragslijn dat verweerder het antwoord op de vraag of Duitsland categoriale bescherming biedt van doorslaggevend, althans van essentieel belang acht voor het Nederlandse beleid. Eiser meent dat sprake is van willekeur en strijd met het vertrouwensbeginsel door nu ineens geen, althans een ondergeschikt belang toe te kennen aan het Duitse beleid. Daarnaast stelt eiser dat het besluit tot beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid ten onrechte is gebaseerd op een onzekere toekomstige gebeurtenis, te weten het vermoeden dat de situatie in de toekomst beter zal zijn.

28. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat niet is gesteld of gebleken dat uit genoemde brieven van VluchtelingenWerk en Amnesty International volgt dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht van juni 2008, dat dient te worden aangemerkt als een deskundigenbericht. Uit de brieven volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer dat Amnesty International en VluchtelingenWerk van oordeel zijn dat dient te worden getwijfeld aan de conclusie van verweerder dat de situatie in Irak aan het verbeteren is, maar veeleer dat deze verbetering volgens hen niet duurzaam is en dat de situatie niet zodanig is dat mensen weer veilig kunnen terugkeren.

29. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder het beleid van omringende landen bij zijn besluit om het beleid van categoriale bescherming te beëindigen kan betrekken. Uit het debat met de Tweede Kamer van oktober 2008 blijkt dat niet het beleid in één ander land van doorslaggevend of van essentieel belang is, maar dat gekeken wordt naar het beleid van de ons omringende landen die op Nederland lijken qua instroom en qua karakter van bescherming (TK 2008-2009, 19637, nr. 1233). Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat sprake is van willekeur en strijd met het vertrouwensbeginsel. Dat Griekenland geen Irakezen uitzet heeft verweerder dan ook niet tot een ander oordeel hoeven leiden.

30. De rechtbank stelt verder vast dat voornoemde brief van VluchtelingenWerk Nederland van 1 oktober 2008 aan de Tweede Kamer is gericht en dat de Tweede Kamer desondanks op 9 oktober 2008 heeft ingestemd met de voorgestelde beleidswijziging. De brief van Amnesty International van 6 oktober 2008 is gericht aan de Staatssecretaris van Justitie (verweerder). Deze brief is, gelet op het verslag van het overleg met de Tweede Kamer op 9 oktober 2008 (TK 2008-2009, 19637, nr. 1233), in de Tweede Kamer ter sprake gekomen. Gelet op het voorgaande kan worden aangenomen dat verweerder op de hoogte is van de inhoud van voornoemde brieven, maar hierin geen aanleiding heeft gezien om af te zien van de voorgenomen beleidswijziging.

31. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er derhalve geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen het beleid van categoriale bescherming ten aanzien van Irak te beëindigen. Verweerder baseert zijn besluit op het ambtsbericht van juni 2008. Hoewel volgens verweerder de conclusie kan worden getrokken dat uit dit ambtsbericht volgt dat de veiligheidssituatie in Irak zorgwekkend is, heeft verweerder bij zijn besluit van belang geacht, en naar het oordeel van de rechtbank mogen achten, de omstandigheid dat de situatie in Irak aan het verbeteren is. Het standpunt van eiser dat de afschaffing van het beleid is gebaseerd op een onzekere toekomstige gebeurtenis, kan niet worden gevolgd. De afschaffing van het beleid is immers gebaseerd op de feitelijke beschrijving van de situatie in Irak zoals weergegeven in het ambtsbericht van juni 2008 in de verslagperiode. Daar de verbetering van de situatie duurzaam zou moeten zijn voordat wordt besloten het beleid van categoriale bescherming te beëindigen, vindt overigens geen steun in wet- of regelgeving. Wat daar ook van zij, uit het meest recente, door eiser ingeroepen ambtsbericht van mei 2009 komt (ook) naar voren dat de veiligheidssituatie in Irak in 2008 en begin 2009 aanzienlijk is verbeterd. Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen. De rechtbank ziet zich in haar oordeel gesteund door de Afdelingsuitspraak van 27 juli 2009 (200902294/1/V2), waarin de beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak door de Afdeling is geaccordeerd.

32. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

33. Het beroep is derhalve ongegrond.

34. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding.

35. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. H. Benek als voorzitter en mr. J. van Berchum en mr. J. van der Kraats als leden in tegenwoordigheid van mr. A.A.M.J. Smulders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: