Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3758

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
AWB 08/36043
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de contra-expert voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom hij heeft geconcludeerd dat eiser kan worden herleid tot Zuid-Somalië. In de contra-expertise is met voorbeelden toegelicht waarin de Zuid-Somalische kenmerken van eisers spraak zich bevinden. Aldus biedt de overgelegde contra-expertise, gelet op de uitgebreide motivering, voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van de door BLT verrichte taalanalyse, zodat die taalanalyse niet als een voldoende draagkrachtige onderbouwing van het bestreden besluit kan gelden.

Het weerwoord van BLT geeft, mede gelet op de bij brief van 20 augustus 2009 ingebrachte reactie daarop van de contra-expert, onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij overweegt de rechtbank dat, gelet op de door de Taalstudio gehanteerde criteria en richtlijnen voor wat betreft selectie en werkwijze en in aanmerking genomen de informatie over de opsteller van de contra-expertise zoals die door De Taalstudio en de contra-expert is verstrekt, er geen aanknopingspunten zijn om aan de deskundigheid van de contra-expert te twijfelen en dat de enkele omstandigheid dat deze geen zogenoemde ‘native speaker’ daaraan niet afdoet. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de contra-expert niet ten onrechte heeft opgemerkt dat de taalanalyse van BLT, noch de controleanalyses van BLT en van Sprakab kenbaar in hun analyse hebben betrokken de door de contra-expert genoemde Zuid-Somalische elementen in de spraak van eiser en het feit dat er in Lower Juba een variant van het Noord-Somalisch wordt gesproken. Voor zover BLT daar in het weerwoord alsnog op is ingegaan, moet met de contra-expert worden vastgesteld dat, voor zover daarbij is gesteld dat de zuidelijke invloeden die te verwachten zijn van iemand uit de provincie Jubbada Hoose, talrijker, gevarieerder, veelomvattender en overtuigender zouden moeten zijn dan bij eiser het geval is, dit niet nader is onderbouwd, terwijl de contra-expert voldoende heeft uiteengezet waarom hij meent dat de invloeden die hij heeft aangetroffen zijn conclusie kunnen dragen. Voorts heeft de contra-expert nog opgemerkt dat de woordenlijsten zoals die in de analyses van BLT voorkomen niet onderscheidend zijn, omdat het gaat om woorden die zowel in het Noord-Somalisch voorkomen als in het Noord-Somalisch zoals dat wordt gesproken in Lower Juba.

Onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende motivering van het bestreden besluit.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/15

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/36043

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

geboren op 20 januari 1976,

van Somalische nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes, advocaat te Arnhem,

en

de Staatssecretaris van Justitie

verweerder,

gemachtigde: mr. H.A.W. Oude Lenferink, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2008 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Eiser heeft op 7 oktober 2008 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 1 september 2009, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen. Ter zitting was een tolk aanwezig.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.2. Eiser heeft verklaard dat hij behoort tot de Tumal clan en dat hij woonachtig is in de provincie Jubbada Hoose in de plaats Bilis Gogani.

Van 1996 tot augustus 2006 heeft eiser als herder verplicht bij zijn ontvoerder moeten werken. Zijn ontvoerder, die in 2005 is overleden, heeft hem slecht behandeld. De zoons van de ontvoerder behandelden eiser nog slechter en hebben de man van eisers zus doodgeschoten, omdat deze het voor eiser opnam. Eisers zuster is hierdoor gek geworden en weggelopen, de kinderen achterlatend, waarvoor eiser nu moest zorgen. De bedreigingen door de zoons bleven aanhouden en een buurman heeft tegen eiser heeft gezegd dat hij moest vluchten en dat hij wel voor de kinderen van zijn zus zou zorgen. Eiser is toen gevlucht naar Mogadishu. Daar heeft hij een vrouw leren kennen waar hij mee is getrouwd. Zijn vrouw behoorde tot de Darod en woonde al in Nederland. Zij was op familiebezoek in Mogadishu. Na het huwelijk is ze weer naar Nederland gegaan. De familie van zijn vrouw was het niet eens met het huwelijk omdat eiser een Tumal is. Zij wilden eiser doden en hebben op het huis geschoten van eisers tante, waar hij verbleef. Eiser is toen gevlucht naar Baldad, naar een zwager van zijn tante. Daar heeft eiser een aantal maanden ondergedoken gezeten. Zijn tante heeft toen wat land verkocht, zodat eiser geld had om het land te verlaten. Zijn tante heeft een reisagent geregeld die hem naar Nederland heeft gebracht.

2.3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van voormelde wetsbepalingen en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is.

Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ten behoeve van de vaststelling van zijn reisroute.

Voorts heeft verweerder geoordeeld dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert. Hiertoe heeft verweerder in aanmerking genomen dat in het rapport Taalanalyse van Bureau Land en Taal (BLT) van 28 juni 2007 is geconcludeerd dat eiser eenduidig niet is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Zuid-Somalië en eenduidig is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Noord-Somalië. Een op verzoek van eiser door de Taalstudio op 20 mei 2008 uitgebrachte contra-expertise, waarin is geconcludeerd dat eiser kan worden herleid tot Zuid-Somalië, heeft verweerder niet gebracht tot een andere conclusie. Daartoe heeft verweerder verwezen naar controleanalyses van BLT van

15 oktober 2007 en het Zweedse taalanalysebureau Sprakab van 5 november 2007 en naar het weerwoord op de contra-expertise van BLT van 4 september 2008. Op grond van de uitkomst van deze analyses heeft verweerder het ongeloofwaardig geacht dat eiser uit Zuid-Somalië afkomstig is. Van eisers verklaringen dat hij in dat gebied problemen heeft ondervonden gaat daarom geen positieve overtuigingskracht uit.

Nu het asielrelaas ongeloofwaardig is, komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, aldus verweerder.

2.4. De rechtbank stelt voorop dat het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 aan de vreemdeling is om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de staatssecretaris aannemelijk te maken, en niet aan de staatssecretaris om de verklaringen van de vreemdeling gemotiveerd te weerleggen.

2.5. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ontbreken van documenten ter onderbouwing van de door eiser gevolgde reisroute afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, onder verwijzing naar paragraaf C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), het ontbreken van reisdocumenten aan eiser kunnen toerekenen, nu eiser heeft gesteld deze documenten in Nederland aan zijn reisagent te hebben afgegeven, terwijl gesteld noch gebleken is dat hij daartoe onder dwang is overgegaan. Eisers stelling dat hij wel verifieerbare verklaringen over zijn reisroute heeft afgelegd kan hem niet baten. De rechtbank verwijst naar het beleid van verweerder als verwoord in voornoemde paragraaf van de Vc 2000 en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 april 2008 (LJN BC9690, zaaksnr. 200708959/1, JV 2008, 228).

Dit brengt met zich mee dat verweerder op goede gronden de eis heeft gesteld dat van het relaas voor het overige een positieve overtuigingskracht zal moeten uitgaan.

2.6. Ter beoordeling staat vervolgens of verweerder zijn standpunt dat van het relaas van eiser geen positieve overtuigingskracht uitgaat heeft kunnen baseren op het rapport taalanalyse van BLT van 28 juni 2007, de controleanalyses van BLT van 15 oktober 2007 en Sprakab van 5 november 2007, alsmede het op 4 september 2008 door BLT uitgebrachte weerwoord. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 26 februari 2009 (zaak nr. 200805529/1, LJN: BH5623), komt verweerder, door in het kader van het onderzoek naar de nationaliteit, dan wel naar het land of de plaats van herkomst van de desbetreffende vreemdeling, een taalanalyse te laten uitvoeren, de desbetreffende vreemdeling tegemoet bij de voldoening aan de op hem rustende verplichting om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, in het geval twijfel is gerezen aan de gestelde identiteit en nationaliteit. Wanneer de taalanalyse deze twijfel niet wegneemt, kan de desbetreffende vreemdeling deze door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen.

2.8. Een op verzoek van de vreemdeling verrichte taalanalyse dient, om als contra-expertise te dienen, op zorgvuldige wijze, met de nodige waarborgen omkleed, door een onafhankelijke deskundige te worden verricht. De aldus verkregen onderzoeksresultaten kunnen slechts als tegenbewijs worden aangemerkt, indien controleerbaar is door wie en onder welke omstandigheden het desbetreffende onderzoek heeft plaatsgevonden.

2.9. Op 20 mei 2008 heeft De Taalstudio, op verzoek van eiser, een (Engelstalig) rapport van contra-expertise uitgebracht. Voorts heeft eiser bij brief van 20 augustus 2009 een brief van De Taalstudio van 6 augustus 2009, alsmede een reactie van de contra-expert van 11 mei 2009 op het weerwoord van BLT van 4 september 2008, in de beroepsprocedure ingebracht.

2.10. Voor het oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat eiser niet heeft kunnen reageren op het bij het bestreden besluit meegezonden weerwoord van BLT van 4 september 2008, ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2008

(LJN: BG0576). Het vereiste dat een besluit op zorgvuldige wijze tot stand komt, strekt niet zo ver dat verweerder, die de gelegenheid heeft geboden tot het opstellen van een contra-expertise, eiser ook nog de gelegenheid had moeten bieden te reageren op de bevindingen die BLT aan de contra-expertise heeft verbonden.

2.11. In het rapport van de contra-expert van De Taalstudio is geconcludeerd dat eiser kan worden herleid tot Zuid-Somalië. Hij spreekt een noordelijke variant van het Somalisch zoals dat wordt gesproken in de regio Lower Juba. De contra-expert acht het “highly certain” dat eiser is gesocialiseerd in een spraakgemeenschap in Zuid-Somalië. Volgens de contra-expert spreekt eiser Noord-Somalisch, maar zijn er twee redenen waarom dat in dit geval niet tot de conclusie leidt dat eiser van oorsprong uit Noord-Somalië komt. Ten eerste stelt eiser dat hij Tumaal is die onder de Daarood Ogaadeen in de Lower Juba regio (Jubbada Hoose) woont, waarvan bekend is dat ze Noord-Somalisch spreken. Ten tweede laat de spraak van eiser tekenen zien van wat door de contra-expert wordt aangeduid als ‘Benadirization’, wat volgens de contra-expert bevestigt dat eiser uit Zuid Somalië komt. Ter onderbouwing bevat het rapport van contra-expertise een beschrijving van de taal zoals gebruikt door eiser, waarbij voorbeelden van de door eiser gebruikte woorden zijn opgenomen. Voorts is volgens de contra-expert eisers beschrijving van het herkomstgebied goed.

2.12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de contra-expert voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom hij heeft geconcludeerd dat eiser kan worden herleid tot Zuid-Somalië. In de contra-expertise is met voorbeelden toegelicht waarin de Zuid-Somalische kenmerken van eisers spraak zich bevinden. Aldus biedt de overgelegde contra-expertise, gelet op de uitgebreide motivering, voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van de door BLT verrichte taalanalyse, zodat die taalanalyse niet als een voldoende draagkrachtige onderbouwing van het besluit van 9 september 2008 kan gelden.

Het weerwoord van BLT van 4 september 2008 geeft, mede gelet op de bij brief van 20 augustus 2009 ingebrachte reactie daarop van de contra-expert, onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij overweegt de rechtbank dat, gelet op de door de Taalstudio gehanteerde criteria en richtlijnen voor wat betreft selectie en werkwijze en in aanmerking genomen de informatie over de opsteller van de contra-expertise zoals die door De Taalstudio en de contra-expert is verstrekt in de onder 2.9 opgenomen gedingstukken, er geen aanknopingspunten zijn om aan de deskundigheid van de contra-expert te twijfelen en dat de enkele omstandigheid dat deze geen zogenoemde ‘native speaker’ daaraan niet afdoet. Daarbij wordt verwezen naar uitspraken van de Afdeling van 8 juli 2005 (LJN: AT9868,

JV 2005, 426) en 20 september 2007 (LJN: BB5253, zaaknr. 200703094/1). Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de contra-expert niet ten onrechte heeft opgemerkt dat de taalanalyse van BLT van 28 juni 2007, noch de controleanalyses van BLT van 15 oktober 2007 en van Sprakab van 5 november 2007 kenbaar in hun analyse hebben betrokken de door de contra-expert genoemde Zuid-Somalische elementen in de spraak van eiser en het feit dat er in Lower Juba een variant van het Noord-Somalisch wordt gesproken. Voor zover BLT daar in het weerwoord van 4 september 2008 alsnog op is ingegaan, moet met de contra-expert worden vastgesteld dat, voor zover daarbij is gesteld dat de zuidelijke invloeden die te verwachten zijn van iemand uit de provincie Jubbada Hoose, talrijker, gevarieerder, veelomvattender en overtuigender zouden moeten zijn dan bij eiser het geval is, dit niet nader is onderbouwd, terwijl de contra-expert voldoende heeft uiteengezet waarom hij meent dat de invloeden die hij heeft aangetroffen zijn conclusie kunnen dragen. Voorts heeft de contra-expert nog opgemerkt dat de woordenlijsten zoals die in de analyses van BLT voorkomen niet onderscheidend zijn, omdat het gaat om woorden die zowel in het Noord-Somalisch voorkomen als in het Noord-Somalisch zoals dat wordt gesproken in Lower Juba.

2.13. De conclusie luidt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond.

2.14. Nu het beroep gegrond is, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op eisers asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-- ter zake van verleende rechtsbijstand, welk laatste bedrag dient te worden betaald aan de griffier van de rechtbank door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van Arrondissement 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J.P. Lambooij. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2009.