Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3757

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
AWB 08/41804
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM8112, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2008 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 22 mei 2007 tot afwijzing van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2008 (AWB 08/4981) heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het besluit van 6 februari 2008 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is gemotiveerd of de beschikbaarheid van de medicatie ten behoeve van de behandeling van volwassenen in Ghana met een vergevorderd HIV infectie voldoende is gegarandeerd dan wel niet is gemotiveerd op welke grond thans door verweerder niet langer betekenis wordt toegekend aan de mate waarin de behandeling in Ghana beschikbaar is en de daarmee gepaard gaande garantie van de beschikbaarheid van die behandeling.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, met inachtneming van de de brief van het BMA van 30 oktober 2008 en oplegnota van het BMA, in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd uitgelaten over de vraag “op welke grond door verweerder niet langer betekenis wordt toegekend aan de mate waarin de behandeling in Ghana beschikbaar is en de daarmee gepaard gaande garantie van de beschikbaarheid van die behandeling”. Daarbij is het volgende van belang. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende onderbouwd – en daarom in redelijkheid het standpunt kunnen innemen – dat de conclusie dat sprake was van onvoldoende beschikbare behandelingsmogelijkheden was gebaseerd op informatie van International SOS en niet op cijfers van de UNAIDS en dat laatstbedoelde cijfers dienden ter illustratie van de slechte situatie van het land van herkomst. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de informatie van UNAIDS betreffende het aantal met het HIV-virus besmette patiënten in Ghana dat daadwerkelijk wordt behandeld niet kan worden afgeleid dat deze behandeling niet beschikbaar is. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 17 november 2006 (zaak nr. 200605175/1, JV 2007/18). De omstandigheid dat eiser niet met de conclusie en redenering van het BMA kan instemmen, maakt niet dat verweerder niet aan de opdracht van de rechtbank heeft voldaan. Anders dan eiser meent, zien de cijfers van UNAIDS op de toegankelijkheid van de medische zorg voor mensen die behandeling behoeven vanwege een HIV-besmetting, terwijl het BMA antwoord geeft op de vraag of er therapiemogelijkheden in het land van herkomst voorhanden zijn, waarbij gelet op hetgeen is neergelegd in hoofdstuk B8/3.2 van de Vc 2000 de omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg voor individuele patiënten betreffen niet worden betrokken bij het beantwoorden van de aanvraag inzake medische behandeling of medische noodsituatie. De rechtbank verwijst in dit verband naar vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder een uitspraak van 13 maart 2009 (zaak nr. 200806817/1, JV 2009/183). Gelet op het vorenoverwogene kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank in haar uitspraak van 3 september 2008 om te motiveren dat de beschikbaarheid van de medicatie ten behoeve van de behandeling van volwassenen in Ghana met een vergevorderd HIV-infectie voldoende is gegarandeerd. De rechtbank wijst erop dat die uitspraak een tweetal opdrachten aan verweerder inhoudt dat facultatief is geformuleerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/41804

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

geboren op 2 november 1961,

van Ghanese nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. H. Jager, advocaat te Amsterdam,

en

de Staatssecretaris van Justitie

verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. Vonk, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2006 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ verleend, met ingang van 6 januari 2005 en geldig tot 19 december 2006.

Eiser heeft op 2 november 2006 een aanvraag ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van voormelde verblijfsvergunning. Bij besluit van 22 mei 2007 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 februari 2008 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2008 (AWB 08/4981) heeft de rechtbank, deze nevenzittingsplaats, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van

6 februari 2008 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Eiser heeft op 26 november 2008 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij besluit van 21 januari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het besluit van 14 september 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 oktober 2009, waar de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Eiser is niet in persoon verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft alsnog een inhoudelijke beslissing genomen op het bezwaar van eiser. Niet gebleken is dat eiser nog procesbelang heeft bij een uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. De rechtbank zal het beroep daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Er is aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt ter zake van rechtsbijstand 1 punt toegekend, waarbij een wegingsfactor 0,25 wordt gehanteerd.

2.2 Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep mede te zijn gericht tegen het inhoudelijke besluit. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

2.3 Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder r, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) houden de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen verband met het ondergaan van medische behandeling.

Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.

2.4 Volgens paragraaf B8/1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) kan de Minister in de gevallen waarin niet wordt voldaan aan de in artikel 3.46 van het Vb 2000 genoemde voorwaarden, ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid. Voor wat betreft een medische noodsituatie is dit in beleidsregels nader uitgewerkt.

Volgens paragraaf B8/3.1 van de Vc 2000 wordt onder medische noodsituatie verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn – binnen een termijn van drie maanden – zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijk schade.

Volgens paragraaf B8/3.2 van de Vc 2000 dient de vreemdeling, om in aanmerking te komen voor verlening van zodanige vergunning, zich in Nederland te bevinden en dient:

a. stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie te doen ontstaan;

b. de medische behandeling van de desbetreffende medische klachten niet in het land van herkomst of ander land waarheen de vreemdeling zich kan verwijderen te kunnen plaatsvinden; en

c. de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar te zullen duren.

Paragraaf B8/4.1 van de Vc 2000 vermeldt dat het niet de bedoeling is dat niet-medisch gekwalificeerde ambtenaren van de IND zich een eigenstandig medisch oordeel vormen. Om die reden kan, als de vreemdeling zich in het kader van een toelatingsprocedure beroept op medische gronden, de medisch adviseur van het BMA van de IND worden ingeschakeld.

Volgens paragraaf B8/4.4 van de Vc 2000 worden omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland betreffen, niet betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘vanwege medische noodsituatie’. Hierbij zijn onderstaande uitgangspunten van toepassing:

– aan de omstandigheid dat de kwaliteit van de gezondheidszorg hier te lande gunstig afsteekt bij die van het land waarheen de betrokken vreemdeling kan reizen, komt geen betekenis toe;

– hetzelfde geldt voor de omstandigheden dat de behandelmogelijkheden aldaar door financiële omstandigheden worden beïnvloed. Immers, de vreemdeling zal in deze niet verschillen van vele van zijn landgenoten. Bovendien kunnen medische behandelingen van vreemdelingen die niet zelf hun behandeling betalen, aanzienlijke kosten met zich meebrengen voor de algemene middelen;

– de enkele omstandigheid dat betrokkene mogelijk voor het kunnen ondergaan van de medische behandeling aanzienlijke geografische afstanden moet afleggen dan wel zijn woonplaats mogelijk binnen het land van herkomst dient te verplaatsen, vormt geen grond om verblijf toe te staan. Eventuele gevolgen van het staken van een medische behandeling kunnen niet leiden tot verblijfsaanvaarding, aangezien de vreemdeling het staken van een medische behandeling kan voorkomen door zich elders in het land van herkomst te vestigen;

– asielgerelateerde redenen, die voor de vreemdeling de medische zorg niet toegankelijk zouden kunnen maken, kunnen bij de beoordeling van een reguliere verblijfsaanvraag geen rol spelen;

– dat voor een bepaalde medische behandeling lange wachttijden gelden, kan evenmin leiden tot de conclusie dat om medische redenen verblijf dient te worden toegestaan. De vreemdeling zal in deze immers niet verschillen van vele van zijn landgenoten; en

– aan de omstandigheid dat een vreemdeling teneinde terug te kunnen reizen naar het herkomstland, medische begeleiding nodig heeft tijdens de reis dan wel een medische overdracht aan behandelaars in het herkomstland, komt geen doorslaggevende betekenis toe. Het is aan de vreemdeling om de noodzakelijke begeleiding/overdracht te realiseren. De IOM kan vreemdelingen hierin ondersteunen (zie A4/5). In geval van een uitzetting faciliteert de Minister de medische begeleiding/overdracht. Indien het onmogelijk is de medische begeleiding/overdracht te realiseren, is sprake van de situatie bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000.

Het vóórkomen van onderbrekingen in de medicijnverstrekkingen vanwege logistieke problemen in het land van herkomst of bestendig verblijf, is geen aangelegenheid die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreft, maar de aanwezigheid van de medische zorg. Wel is het de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om de mogelijke gevolgen van een onderbreking in de medicijnverstrekking zo veel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen, door een voorraad medicijnen aan te houden. Indien uit het advies van het BMA blijkt dat in het land van herkomst dan wel het land waarheen de betrokken vreemdeling kan reizen onderbrekingen voorkomen, wordt van geval tot geval een afweging gemaakt, waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling en de duur en regelmaat van de onderbrekingen worden betrokken. Als de onderbrekingen blijkens het advies van het BMA een maand of langer duren, vormen deze onderbrekingen grond om te komen tot de conclusie dat de behandeling in feite niet (voldoende continu) aanwezig is, aldus het in paragraaf B8/4.4 van de Vc 2000 neergelegde beleid.

2.5 De rechtbank heeft in voormelde uitspraak van 3 september 2008, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“(…..) Verweerder heeft zich in zijn besluit tot verlening van de inmiddels verlopen verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ aan eiser gebaseerd op het BMA-advies van 25 juli 2005.

In deze nota wordt het navolgende geconcludeerd: “uitgaande van de beschikbare informatie met betrekking tot de therapiemogelijkheden in Ghana, concludeer ik dat de beschikbaarheid van behandeling onvoldoende gegarandeerd is. Slechts op beperkte schaal zijn in Accra via een aantal private instellingen antiretrovirale middelen beschikbaar”. Echter ook binnen deze beperkte beschikbaarheid bij deze private instellingen in Accra is de toevoer van de medicatie en de termijnen die hiermee zijn gemoeid sterk wisselend in de tijd. Verder blijkt uit de algemene informatie van UNAIDS dat van de volwassenen in Ghana met een vergevorderde HIV-infectie, die antiretrovirale therapie nodig hebben, slechts 1,8% deze therapie ook daadwerkelijk ontvangt”

Bij brief van 4 oktober 2007 heeft verweerder het BMA verzocht de volgende vraag van verweerder te beantwoorden: “Uit een publicatie van UNAIDS uit 2006 (www.unaids.org) valt mijns inziens te herleiden dat het percentage mensen met hiv/aids in Ghana dat daadwerkelijk therapie ontvangt nu 7% is (en dus 93% niet). Kan, mede op basis van het percentage van 7%, thans wel geconcludeerd worden dat de beschikbaarheid van de behandeling van de vreemdeling in Ghana voldoende is gegarandeerd? Zo ja, zou u vorenstaande nader willen motiveren”

Zoals reeds hiervoor in rechtsoverweging 2.4 is weergegeven heeft het BMA in het aanvullend advies van 10 december 2007 vermeld dat deze vraag niet door haar is te beantwoorden en dat zij slechts in algemene zin kan concluderen dat de aan betrokkene voorgeschreven medicatie in Ghana beschikbaar is (of besteld kan worden).

Naar het oordeel van de rechtbank is het BMA-advies van 10 december 2007 in zoverre niet inzichtelijk. Immers, het BMA was in haar advies van 25 juli 2005 in staat te oordelen dat de beschikbaarheid van de behandeling onvoldoende was gegarandeerd en heeft in dit oordeel betrokken de omstandigheid dat blijkens algemene informatie van UNAIDS van de volwassenen in Ghana met een vergevorderde HIV infectie, die antiretrovirale therapie nodig hebben, slechts 1,8% deze therapie ook daadwerkelijk ontvangt. In het advies van

10 december 2007 heeft het BMA evenmin vermeld waarom bovengemelde vraag van verweerder thans niet langer is te beantwoorden. De rechtbank volgt eiser dan ook in zijn betoog dat verweerder zich niet op laatstgemeld advies heeft mogen baseren.

Het vorenoverwogene brengt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is gemotiveerd of de beschikbaarheid van de medicatie ten behoeve van de behandeling van volwassenen in Ghana met een vergevorderd HIV infectie voldoende is gegarandeerd dan wel niet is gemotiveerd op welke grond thans door verweerder niet langer betekenis wordt toegekend aan de mate waarin de behandeling in Ghana beschikbaar is en de daarmee gepaard gaande garantie van de beschikbaarheid van die behandeling.”

2.6 Eiser heeft betoogd dat verweerder bij het thans bestreden besluit niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank, zoals hiervoor is uiteengezet. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.6.1 In het bestreden besluit is het volgende vermeld:

“Gelet op voornoemde uitspraak van de rechtbank is bij nota van 14 oktober 2008 aan het BMA het volgende aangegeven:

Bij de nota van 10 december 2007 heeft u tevens de aanvullende vraag “Kan, mede op basis van het percentage van 7%, thans wel geconcludeerd worden dat de beschikbaarheid van de behandeling van de vreemdeling voldoende in Ghana is gewaarborgd?; Zo ja, zou u vorenstaande nader willen motiveren” als volgt beantwoord.

“U vraagt mij aan te geven of, hoewel uit een publicatie van UNAIDS blijkt dat het percentage mensen in Ghana met hiv/aids dat daadwerkelijk therapie ontvangt 7% is, toch de beschikbaarheid van behandeling voldoende gegarandeerd is. Deze vraag is niet door mij te beantwoorden. Ik kan niet garanderen dat betrokkene ook daadwerkelijk de benodigde therapie zal ontvangen. Ook uit het antwoord van de vertrouwensarts blijkt dat niet alle hiv-geïnfecteerden in Ghana ook daadwerkelijk behandeld worden. Alhoewel kijkend naar de cijfers van de vertrouwensarts het aantal mensen dat therapie ontvangt een stuk hoger ligt dan 7% blijkt eveneens uit het bericht dat een groot aantal hiv-geïnfecteerden geen medicatie krijgt. Ik kan dus geen garantie geven ten aanzien van de feitelijke toegankelijkheid maar alleen in algemene zin concluderen dat de aan betrokkene voorgeschreven medicatie in Ghana beschikbaar is (of besteld kan worden).

In uw advies van 25 juli 2005 was u in staat te beoordelen dat de beschikbaarheid van de behandeling onvoldoende was gegarandeerd en u heeft in dit oordeel betrokken de omstandigheid dat blijkens algemene informatie van UNAIDS van de volwassenen in Ghana met een vergevorderd HIV infectie, die antiretrovirale therapie nodig hebben slechts 1,8% deze therapie ook daadwerkelijk ontvangt. In uw advies van 10 december 2007 is niet vermeld waarom de bovenvermelde vraag niet langer te beantwoorden is.

Gelet op het vorenstaande is het BMA verzocht antwoord te geven op de volgende vragen:

1. Hoe verhoudt de informatie van UNAIDS zich tot de informatie in het BMA-advies?;

2.Wat is de verklaring voor het feit dat BMA in bepaalde oudere adviezen, in tegenstelling tot in recente adviezen, UNAIDS gegevens heeft genoemd in de motivering van de conclusie met betrekking tot de beoordeling van behandelmogelijkheden in het land van herkomst?”

Het BMA heeft bij nota van 30 oktober 2008, de inhoud waarvan hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, voornoemde vragen beantwoord. Volgens het BMA is informatie van UNAIDS in het advies van 2005 betreffende betrokkene en het advies van 10 december 2007 wel genoemd en uitgelegd.

In het advies van 2005 bleek ook reeds de informatie van International SOS dat – naast een slechte algemene situatie zoals de UNAIDS die schetste – ook de behandelmogelijkheden qua medisch technische beschikbaarheid niet als voldoende beoordeeld kon worden, ook niet in de toenmalige relevante privaatrechtelijke instellingen te Accra. Deze negatieve conclusie stond toen dus los van de cijfers van de UNAIDS. Met andere woorden: zonder de informatie van de UNAIDS zou ook dezelfde negatieve conclusie zijn getrokken. De cijfers afkomstig van UNAIDS werden wel genoemd in het advies ter nadere illustratie. Het was dus niet zo dat de conclusie onvoldoende beschikbare behandelingsmogelijkheden gebaseerd was op cijfers van de UNAIDS; deze was ook reeds gebaseerd op informatie van International SOS. Deze indruk is wellicht wel gewekt in een aantal oudere adviezen waarin gemeld werd dat mede op basis van UNAIDS gegevens de conclusie werd getrokken dat er onvoldoende beschikbare behandelmogelijkheden waren; hiermee werd echter bedoeld dat de behandelmogelijkheden toen in medisch-technische zin onvoldoende waren op basis van informatie van International SOS en deze situatie bestond daarbij mede in het licht van een slechte algemene situatie in het land van herkomst.

(…….)

Met betrekking tot de opdracht van de voornoemde rechtbank dat gemotiveerd dient te worden “op welke grond thans door verweerder niet langer betekenis wordt toegekend aan de mate waarin de behandeling in Ghana beschikbaar is en de daarmee gepaard gaande garantie van de beschikbaarheid van die behandeling” wordt derhalve verwezen naar hetgeen in het BMA-advies van 30 oktober 2008 geantwoord is.”

2.6.2 In de als bijlage bij het BMA-advies van 30 oktober 2008 gevoegde oplegnota toelichting op UNAIDS Rapport in relatie tot BMA adviezen is, voor zover relevant, het volgende opgemerkt:

“De beoordeling die aan BMA gevraagd wordt is of er op enige plek in een land voldoende medische behandelmogelijkheden (zoals verschillende antiretrovirale middelen) beschikbaar cq aanwezig zijn voor specifieke medische klachten (die een vreemdeling heeft) en zo ja op welke wijze. BMA zoekt dit in het algemeen uit via vertrouwensartsen die werkzaam zijn in de betreffende landen of via International SOS.

De epidemiologische cijfers (….) van het UNAIDS rapport betreffen (…) een geheel ander soort informatie; het beschrijft niet specifieke medische behandelmogelijkheden voor specifieke klachten in een bepaalde kliniek in een bepaalde stad zoals bij International SOS of de vertrouwensartsen het geval is. Het beschrijft de stand van de HIV bestrijding met antiretrovirale behandeling in het gehele land. Deze informatie is (……) niet vergelijkbaar met de informatie van International SOS of de vertrouwensarts en betreft dus een geheel andere beoordeling dan die aan BMA wordt gevraagd.

Uit de cijfers van het UNAIDS rapport blijkt ook niet dat de behandeling in de in het advies genoemde specifieke instellingen (op basis van informatie van International SOS of vertrouwensartsen), niet aanwezig zou zijn in medisch technische zin.

(…..)

Met de kennis van de cijfers van het UNAIDS rapport is het niet aan de BMA arts om te beoordelen (…..) of (…..) de behandeling voor betrokkene daadwerkelijk toegankelijk is. Hierbij spelen, zoals bekend, immers niet-medische factoren een rol.

(…..)”

2.6.3 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling), waaronder uitspraken van 2 november 2005 (zaak nr. 200505188/1, JV 2005/473) en 21 augustus 2006 (zaak nrs. 200602417/1 en 200602418/1, JV 2006/377), is het aan de afwijzing ten grondslag liggende BMA-advies een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag verweerder bij zijn besluitvorming in beginsel van dat advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.6.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, met inachtneming van de hiervoor in 2.6.1 weergegeven brief van het BMA van 30 oktober 2008 en voormelde in 2.6.2 geciteerde oplegnota van het BMA, in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd uitgelaten over de vraag “op welke grond door verweerder niet langer betekenis wordt toegekend aan de mate waarin de behandeling in Ghana beschikbaar is en de daarmee gepaard gaande garantie van de beschikbaarheid van die behandeling”. Daarbij is het volgende van belang. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende onderbouwd – en daarom in redelijkheid het standpunt kunnen innemen – dat de conclusie dat sprake was van onvoldoende beschikbare behandelingsmogelijkheden was gebaseerd op informatie van International SOS en niet op cijfers van de UNAIDS en dat laatstbedoelde cijfers dienden ter illustratie van de slechte situatie van het land van herkomst. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de informatie van UNAIDS betreffende het aantal met het HIV-virus besmette patiënten in Ghana dat daadwerkelijk wordt behandeld niet kan worden afgeleid dat deze behandeling niet beschikbaar is. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 17 november 2006 (zaak nr. 200605175/1, JV 2007/18). De omstandigheid dat eiser niet met de conclusie en redenering van het BMA kan instemmen, maakt niet dat verweerder niet aan de opdracht van de rechtbank heeft voldaan. Anders dan eiser meent, zien de cijfers van UNAIDS op de toegankelijkheid van de medische zorg voor mensen die behandeling behoeven vanwege een HIV-besmetting, terwijl het BMA antwoord geeft op de vraag of er therapiemogelijkheden in het land van herkomst voorhanden zijn, waarbij gelet op hetgeen is neergelegd in hoofdstuk B8/3.2 van de Vc 2000 de omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg voor individuele patiënten betreffen niet worden betrokken bij het beantwoorden van de aanvraag inzake medische behandeling of medische noodsituatie. De rechtbank verwijst in dit verband naar vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder een uitspraak van 13 maart 2009 (zaak nr. 200806817/1, JV 2009/183). Gelet op het vorenoverwogene kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank in haar uitspraak van 3 september 2008 om te motiveren dat de beschikbaarheid van de medicatie ten behoeve van de behandeling van volwassenen in Ghana met een vergevorderd HIV-infectie voldoende is gegarandeerd. De rechtbank wijst erop dat die uitspraak een tweetal opdrachten aan verweerder inhoudt dat facultatief is geformuleerd.

2.7 Eiser heeft voorts betoogd dat het advies van het BMA van 16 december 2008 onduidelijk en onvolledig is, nu met de in dat advies gestelde voorwaarde dat continuering van de medicatie nodig is en een schriftelijke overdracht van gegevens gewenst is, de voortzetting van de behandeling van eiser, bestaande uit medicatie en bloedcontroles, niet is gegarandeerd. Eiser acht het onduidelijk waarom het BMA geen reisvoorwaarden heeft opgelegd. Verweerder heeft zich er, volgens eiser, ten onrechte niet van vergewist of voldaan kan worden aan de door het BMA noodzakelijk geachte voorwaarde dat de medicatie wordt gecontinueerd. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.7.1 Verweerder heeft bij het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten en daarbij verwezen naar een aanvullend advies van het BMA van 16 december 2008. Daarover is in het bestreden het navolgende vermeld:

“Volgens het laatstgenoemde medische advies is betrokkene hiv-geïnfecteerd en heeft in dit kader in het verleden een tuberculose infectie doorgemaakt. Betrokkene gebruikt medicatie en staat onder controle bij een internist waarbij ook regelmatig controles van het bloed worden verricht. Bij de laatste drie controles lijkt er sprake te zijn van enig virus in het bloed maar de immuniteit is nog goed. De huidige medicatie wordt derhalve gecontinueerd. Uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, want bij staken van de behandeling zal naar verwachting de afweer snel dalen met kans op levensbedreigende infecties. Volgens de medisch adviseur zijn er behandelingsmogelijkheden van een hiv-infectie in Ghana. Hiertoe wordt gesteld dat de voorgeschreven medicatie beschikbaar is en eveneens is controle van het bloed mogelijk waaronder van het aantal CD-4 cellen, de viral load en uit het meest recente bericht van de vertrouwensarts blijkt eveneens dat resistentiebepalingen mogelijk zijn.

(………)

Overwogen wordt dat in het medisch advies van 16 december 2008 voorts is geoordeeld dat betrokkene kan reizen. De medisch adviseur heeft geen aanwijzingen dat enige medische voorziening voor, tijdens of direct na de reis noodzakelijk is. Betrokkene dient echter wel de medicatie te continueren en een schriftelijke overdracht van gegevens is gewenst.

(………)

Overwogen wordt dat weliswaar bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan maar deze behoeft niet [te] ontstaan, omdat behandeling van betrokkene in zijn land van herkomst mogelijk is.”

2.7.2 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in Ghana behandelingsmogelijkheden van een hiv-infectie aanwezig zijn. Blijkens het advies is de voorgeschreven medicatie beschikbaar en is eveneens controle van het bloed mogelijk waaronder van het aantal CD-4 cellen, de viral load. Uit het meest recente bericht van de vertrouwensarts blijkt eveneens dat resistentiebepalingen mogelijk zijn. Daarnaast heeft het BMA geoordeeld dat eiser kan reizen en dat geen aanwijzingen aanwezig zijn dat enige medische voorziening voor, tijdens of direct na de reis noodzakelijk is. Gelet hierop acht de rechtbank geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een medische noodsituatie in de zin van het door verweerder gevoerde beleid. Dat het BMA in het advies heeft benadrukt dat eiser de medicatie wel dient te continueren, en dat een voortzetting van de medische behandeling van eiser niet is gegarandeerd, betreft de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg, die, zoals hiervoor in 2.6.4 is overwogen, niet wordt betrokken bij beantwoording van de vraag of sprake is van een medische noodsituatie. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat verweerder zich er ten onrechte niet van heeft vergewist of voldaan kan worden aan de door het BMA noodzakelijk geachte voorwaarde dat de medicatie wordt gecontinueerd. De enkele omstandigheid dat het BMA in het advies geen reisvoorwaarden heeft opgelegd, maakt het advies ook niet onvolledig of onjuist. Eiser heeft nagelaten om concrete aanknopingspunten aan te voeren voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van het BMA-advies, voor zover het reizen van eiser naar het land van herkomst verantwoord wordt geacht. De rechtbank verwerpt daarom eisers betoog.

2.8 Eiser heeft aangevoerd dat het besluit in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

2.8.1 Volgens vaste jurisprudentie (bij voorbeeld het arrest van 27 mei 2008 in zaak nr. 26565/05, JV 2008/266) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan volgens die jurisprudentie slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.

2.8.2 De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft aangetoond dat hij lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Weliswaar zal, indien de behandeling wordt stopgezet, naar verwachting de afweer van eiser snel dalen met kans op levensbedreigende infecties, maar dat betekent, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2009 (JV 2009/299) niet dat, zolang dat niet gebeurt, de ziekte zich thans in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium bevindt. Aangezien eiser voorts geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan hetgeen in het BMA-advies is opgenomen over de behandelmogelijkheden in Ghana en, zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 13 februari 2009 in zaak nr. 200804797/1, JV 2009/153), uit de jurisprudentie van het EHRM niet is af te leiden dat bij de beoordeling van de medische toestand van een uit te zetten persoon speculaties over mogelijke toekomstige belemmeringen in de toegang tot de noodzakelijke zorg moeten worden betrokken, faalt het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM.

2.9 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag van eiser in redelijkheid kunnen afwijzen.

2.10 Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, is ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat in zoverre geen aanleiding

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 80,50, te betalen aan de griffier van de rechtbank door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van Arrondissement 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak vermelde registratienummer;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.H.T. Rademaker. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2009.