Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3473

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
347002 / KG ZA 09-1192
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het COA heeft in redelijkheid kunnen beslissen om tot gewijzigd beleid ten aanzien van contra-expertise taalanalyse te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/23 met annotatie van mr. F.F. Larsson
Ars Aequi RV20090088 met annotatie van L. Talsma

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 16 november 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 347002 / KG ZA 09-1192 van:

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

Vereniging VluchtelingenWerk Nederland,

2. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

Vereniging Asieladvocaten en -juristen Nederland,

beide gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

advocaat mr. F. Fonville te Haarlem,

tegen:

het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers

dat rechtspersoonlijkheid heeft krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers en waarvan het bestuur kantoorhoudt te Rijswijk,

gedaagde,

advocaat mr. F. Sepmeijer te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de VVN’,‘de VAJN’ en ‘het COA’.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 3 november 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Artikel 2 lid 1 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (verder de Wet COA) bepaalt dat het COA rechtspersoonlijkheid bezit. Voorts bepaalt artikel 3 lid 1 aanhef en sub a van de Wet COA dat het COA belast is met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

1.2. Bij de beoordeling van asielaanvragen maakt de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst (verder de IND) regelmatig gebruik van taalanalyse. Met een taalanalyse wordt – kort gezegd – getracht na te gaan of het taalgebruik van de asielzoeker strookt met zijn opgaven omtrent zijn herkomst. Taalanalyses worden verricht door het Bureau Land en Taal (verder het BLT), onderdeel van de IND.

1.3. Indien een taalanalyse, uitgevoerd door het BLT, de bij de IND gerezen twijfel omtrent de herkomst van de asielzoeker niet wegneemt, kan een asielzoeker in de regel alleen door het laten verrichten van een contra-expertise taalanalyse (verder contra-expertise) alsnog trachten die twijfel weg te nemen. Hiertoe kan hij, indien hij van mening is dat de taalanalyse niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel anderszins onvolkomenheden bevat, de cd, waarop het gesprek ten behoeve van de taalanalyse is opgenomen (verder ook de opname), door een zelf gekozen onafhankelijke deskundige laten beoordelen en zo nodig van commentaar laten voorzien.

1.4. Wordt de asielzoeker geconfronteerd met een voor hem negatief taalanalyse rapport van het BLT, dan dient de asielzoeker binnen twee weken aan te tonen dat er opdracht is gegeven voor een contra-expertise. In paragraaf 4.3 ‘Vragen over de spraak van betrokkene in relatie tot de gestelde herkomst en/of etniciteit’ van de Werkinstructie nummer 2005/23 van de IND staat op pagina 18 onder het kopje ‘Mogelijkheid tot het uit laten voeren van een contra-expertise’, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“Bijzonder bij een taalanalyse-onderzoek is dat betrokkene op basis van dezelfde opname en binnen de termijn van 6 weken een contra-expertise door een onafhankelijke “native speaker” of taaldeskundige kan laten uitvoeren. Dit geldt alleen indien binnen twee weken na verzending van het voornemen (toevoeging voorzieningenrechter: tot afwijzing van de asielaanvraag) schriftelijk is aangetoond dat een contra-expertise is opgestart. Uitstel wordt alleen verleend indien gemachtigde daartoe een verschoonbare reden heeft en, middels een verklaring op schrift, de beslismedewerker in kennis stelt van de datum waarop er wel een afspraak is gepland met de contra-expert”.

1.5. Indien de uitkomst van de contra-expertise verschilt met de uitkomst van de door de BLT uitgevoerde taalanalyse dan geeft dat soms aanleiding tot een weerwoord van het BLT, waarop dan weer een reactie dient te komen van de contra-expert. Uiteindelijk is het aan de IND om een keuze te maken tussen de taalanalyse van het BLT en de contra-expertise.

1.6. Volgens eiseressen zijn er in Nederland, voor zover bekend, twee bedrijven die zich specialiseren in het verzorgen van contra-expertises: ‘De Taalstudio’, gevestigd te Amsterdam en ‘Makano International’ (verder Makano), gevestigd te Stadskanaal.

1.7. De Taalstudio behandelt een verzoek om contra-expertise in twee of drie fasen. De Taalstudio definieert haar eerste fase aan de hand van de volgende handelingen die daarin worden verricht:

a. het in kaart brengen van de migratiegeschiedenis van de asielzoeker; het verwerken van gegevens over zijn levensloop en gestelde herkomst; het vergelijken van deze gegevens met gedetailleerde interne en externe bronnen en het inwinnen van specifieke informatie bij onafhankelijke deskundigen;

b. het opstellen van het verwachte taalprofiel van de betrokkene in het licht van de door hem gestelde levensloop;

c. het beoordelen van de argumenten in het taalanalyserapport van het BLT;

d. het beoordelen van de kwalificaties van de analist en de linguïst die de taalanalyse van het BLT hebben uitgevoerd;

e. het bepalen over welke taal of talen het onderzoek moet gaan;

f. het vaststellen wat de vraagstelling van het onderzoek kan zijn;

g. het bepalen welke deskundige de zaak in de tweede fase zou moeten beoordelen;

h. het vaststellen of er aanvullende informatie nodig is voor het onderzoek in de tweede fase;

i. het beoordelen van de interpretatie die in de beschikking op of het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag aan de resultaten van de taalanalyse is toegekend, het opstellen van een dossieranalyse ten behoeve van de asielzoeker, waarin de beoordeling van de taalanalyse wordt gemotiveerd;

j. het opstellen van een plan van aanpak en een dossieranalyse waarin de mogelijkheden van een contra-expertise in het concrete geval worden uiteengezet;

k. het per taal beoordelen van de kwaliteit en de kwantiteit van de spraak die beschikbaar is op de opname van het taalanalyse interview;

l. het vaststellen of een aanvullende stemopname nodig is.

1.8. De Taalstudio sluit de eerste fase af met een rapportage aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of het zinvol is de contra-expertise voort te zetten. In de tweede fase wordt de stemopname door de gekozen contra-expert aan een onderzoek onderworpen, waarna een rapport wordt uitgebracht. Volgens De Taalstudio zijn de kosten in de onder 1.5 genoemde fase (verder de derde fase) sinds 2007 sterk toegenomen.

1.9. De Taalstudio rekent de volgende tarieven, exclusief BTW:

Eerste fase: € 557,–

Tweede fase: € 905,–

Derde fase: € 820,–

1.10. Makano is gespecialiseerd in Afrikaanse talen. Ook Makano onderscheidt een aantal fasen bij de contra-expertise. In de eerste fase wordt bezien of het rapport van BLT mankementen vertoont. Verder wordt in deze fase de stemopname door drie verschillende pre-analisten in Afrika beluisterd. Op basis daarvan wordt een advies aan de opdrachtgever verstrekt. In de eventuele tweede fase wordt de stemopname door een linguïst beoordeeld. Naar aanleiding daarvan wordt een rapport uitgebracht. Makano rekent de volgende tarieven, exclusief BTW, waarbij het exacte bedrag in de derde fase afhankelijk is van het weerwoord van het BLT:

Eerste fase: € 450,–

Tweede fase: € 1.090,– (advies A) of € 1.600,– (advies B)

Derde fase: € 550,– (ten minste dit bedrag)

1.11. Ingevolge artikel 3 lid 2 van de Wet COA kunnen aan het COA taken, als bedoeld in het eerste lid, worden opgedragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen. Artikel 12 van de Wet COA bepaalt dat de Minister van Justitie regels kan stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3 lid 2 van de Wet COA. Krachtens dit artikel 12 is de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (verder de Rva 2005) vastgesteld.

1.12. Artikel 3 lid 1 van de Rva 2005 bepaalt dat het COA zorgdraagt voor de centrale opvang van asielzoekers door erin te voorzien dat hun opvang wordt geboden in een opvangvoorziening. Artikel 9 lid 1 aanhef en onder g van de Rva 2005 bepaalt dat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval betaling van buitengewone kosten omvat.

1.13. Ingevolge artikel 17, eerste lid, Rva 2005 kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g van deze regeling, die hij heeft gemaakt. Onder buitengewone kosten worden ingevolge het tweede lid van die bepaling verstaan noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald. Buitengewone kosten worden ingevolge het derde lid van artikel 17 van de Rva 2005 slechts betaald voor zover vooraf door het COA aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming. De toestemming wordt ingevolge het vierde lid van artikel 17 uitsluitend verleend, voor zover de kosten noodzakelijk zijn en niet op andere wijze in de betaling kan worden voorzien.

1.14. Overeenkomstig de toelichting op artikel 17 Rva 2005 (Stc 3 februari 2005, nr 24/ pag. 17) maakt een asielzoeker aanspraak op vergoeding van buitengewone kosten ingeval het gaat om kosten waarvan in redelijkheid geoordeeld kan worden dat zij noodzakelijk zijn. Het COA zal deze kosten in alle redelijkheid als buitengewoon moeten kunnen aanmerken.

1.15. Het COA heeft met betrekking tot de vraag of er sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van artikel 17 Rva 2005 beleid ontwikkeld. Dit beleid is recentelijk gewijzigd en neergelegd in de Handleiding Vergoeding Buitengewone Kosten op grond van artikel 17 Rva 2005, versie 1 maart 2009 (verder ook de Handleiding).

1.16. Bij brief van 7 juli 2009 heeft het COA op pagina 6 onder het kopje ‘Het afhankelijk stellen van de vergoeding van het bieden van de mogelijkheid door de IND’ voor zover relevant, het volgende aan eiseressen geschreven:

“Het COA is van mening dat deze afhankelijkstelling niet bij de contra-expertises taalanalyse voorkomt. Immers, in het geval van een taalanalyse wordt de asielzoeker altijd de mogelijkheid tot het laten verrichten van een contra-expertise geboden. Overigens erkent het COA dat indien in een voorkomend geval de mogelijkheid tot het laten verrichten van contra-expertise niet wordt geboden, het de asielzoeker vrij staat een contra-expertise te laten uitvoeren. Het COA sluit niet uit dat de kosten verbonden aan een dergelijke contra-expertise als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt”.

1.17. In reactie op voormelde brief hebben eiseressen bij brief van 16 juli 2009, voor zover relevant, het volgende aan het COA geschreven:

“Cliënten verwelkomen Uw standpunt dat als in een voorkomend geval de mogelijkheid tot het laten verrichten van een contra-expertise niet wordt geboden, U alsnog niet uitsluit dat de daaraan verbonden kosten als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt. Cliënten verzoeken U de handleiding hieraan aan te passen om misverstanden bij beslissingsmedewerkers te voorkomen”.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiseressen vorderen – zakelijk weergegeven –:

I. het COA te verbieden om indien het COA besluit toestemming te verlenen voor het maken van kosten ten behoeve van een door De Taalstudio te verzorgen contra-expertise, de kosten van de voorbereidende werkzaamheden zoals deze door De Taalstudio in het kader van de door haar gedefinieerde eerste fase worden verricht, daarvan uit te sluiten;

het COA te bevelen om:

II. indien het besluit toestemming te verlenen voor het maken van kosten ten behoeve van een door De Taalstudio te verzorgen contra-expertise, de eerste en tweede fase die De Taalstudio onderscheidt, volledig te vergoeden volgens het thans door De Taalstudio gehanteerde standaardtarief;

III. indien het besluit toestemming te verlenen voor het maken van kosten ten behoeve van een door De Taalstudio te verzorgen contra-expertise met betrekking tot de derde fase zoals gedefinieerd door De Taalstudio, de kosten daarvan volgens het thans door De Taalstudio gehanteerde standaardtarief volledig te vergoeden;

IV. de toestemming voor het maken van kosten ten behoeve van een contra-expertise niet afhankelijk te stellen van de vraag of de IND de betrokken asielzoeker de mogelijkheid biedt van een contra-expertise;

V. aan voormelde toestemming voor het maken van kosten ten behoeve van een contra-expertise niet de voorwaarde te verbinden dat de naam van de contra-expert volledig wordt vermeld in het rapport van de contra-expert;

VI. voortaan binnen een week na ontvangst van een volledige aanvraag van toestemming voor het maken van de kosten ten behoeve van een contra-expertise (verder dekkingsverzoek) daarop te beslissen;

VII. de Handleiding conform het dictum van dit vonnis aan te passen;

althans een beslissing te nemen in goede justitie te bepalen.

2.2. Daartoe voeren eiseressen het volgende aan.

Het COA betaalde tot voor kort volledig de kosten van een contra-expertise. Recentelijk heeft het COA de vergoeding van deze kosten beperkt. Op pagina 8 tot en met 11 van de Handleiding zijn een aantal criteria opgenomen die de vergoeding van een contra-expertise aanscherpen. Eiseressen zijn het met de volgende criteria niet eens:

- vergoeding vindt slechts plaats als door de IND de mogelijkheid wordt geboden voor een contra-expertise;

- een anonieme expert wordt niet meer vergoed;

- de kosten van de eerste fase bij De Taalstudio worden niet meer vergoed;

- een contra-expertise wordt vergoed tot een maximum van € 800,–;

- een eventueel noodzakelijke derde fase wordt vergoed tot een maximum van € 300,–.

Volgens eiseressen zijn voormelde wijzigingen in de Handleiding kennelijk onredelijk en in strijd met de artikelen 9 lid 1 juncto 17 Rva 2005. Het COA maakt inbreuk op het recht op opvang van asielzoekers waarmee het COA is belast en handelt in strijd met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt. Dit onrechtmatig handelen kan het COA worden toegerekend. Door eiseressen, hun leden en door personen voor wier belangen eiseressen blijkens hun statuten mede opkomen, wordt schade geleden. Asielzoekers lijden schade bestaande uit het onmogelijk worden van het doen uitvoeren van een contra-expertise. Dit betekent een onherroepelijk verlies van hun asielzaak en een gedwongen terugkeer naar een land waar zij mogelijk risico’s lopen als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 15c van de Definitierichtlijn.

Voorts geldt dat een asielzoeker binnen twee weken dient aan te tonen dat er opdracht is gegeven voor een contra-expertise indien hij wordt geconfronteerd met een voor hem negatief taalanalyse rapport van het BLT. Het COA beslist echter nimmer binnen voornoemde twee weken op een dekkingsverzoek, zodat er eigenlijk nimmer recht op vergoeding van de kosten van een contra-expertise bestaat. Advocaten lopen door, in afwachting van het dekkingsbesluit, een opdracht voor een contra-expertise te verlenen – om te voorkomen dat de asielzaak wordt verloren – persoonlijk een aanzienlijk incassorisico voor de kosten van de contra-expertise. Door beleidswijziging van het COA vertrouwen de advocaten er niet meer op dat de voorgeschoten kosten uiteindelijk wel door het COA zullen worden betaald. Een naar omstandigheden redelijke termijn van besluitvorming kan eraan bijdragen dat een noodzakelijke opdracht voor een contra-expertise ook daadwerkelijk wordt verstrekt en dat een asielzaak niet onnodig wordt verloren.

2.3. Het COA voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Het COA heeft als primair verweer aangevoerd dat eiseressen niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Dit verweer faalt. Het volgende wordt vooropgesteld. De VAJN heeft in de inleidende dagvaarding gesteld dat zij volgens haar statuten ten doel heeft het verlenen en bevorderen van adequate rechtshulp door in het vreemdelingenrecht gespecialiseerde advocaten en juristen aan asielzoekers en andere vreemdelingen aan te bieden en alles wat daar verder mee samenhangt en dat ook daadwerkelijk doet. De VVN heeft in de inleidende dagvaarding gesteld dat zij volgens haar statuten ten doel heeft het zich inzetten voor de bescherming en de behartiging van de belangen van asielzoekers en voorts al hetgeen hiermee rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn en dat ook daadwerkelijk doet. Voorts hebben eiseressen gesteld dat niet slechts sprake is van een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a lid van het Burgerlijk Wetboek, maar dat de VAJN bovendien een eigen belang bij dit kort geding heeft omdat zij in haar belangen is geschaad doordat haar leden niet wensen te worden opgezadeld met een aanzienlijk incasso-risico.

3.2. Eiseressen kunnen niet naar de bestuursrechter (artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht, verder Awb) en de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt ook niet anders. Eiseressen kunnen hun bezwaren tegen de Handleiding slechts aan de bestuursrechter ter beoordeling voorleggen in een beroepsprocedure die is gericht tegen een besluit dat ingevolge de Rva 2005 is genomen, derhalve een besluit, genomen ten aanzien van een individuele asielzoeker. De verenigingen kunnen in een dergelijke beroepsprocedure slechts op de voet van artikel 1:2 lid 3 Awb als belanghebbende worden aangemerkt indien het gaat om een aan hun statutaire doelstelling ontleend collectief belang dat door het besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast; daarbij moet het gaan om behartiging van boven-individuele belangen. De omstandigheid dat individuele asielzoekers de mogelijkheid hebben bij de bestuursrechter de Handleiding en daarmee de Rva 2005 aan te vechten op dezelfde gronden als de verenigingen in dit kort geding hebben aangevoerd, kan niet afdoen aan de bevoegdheid van de verenigingen om de civiele rechter te adiëren indien de toegang tot de bestuursrechter en daarmee voor hen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang dus niet openstaat (HR 3 september 2004, NJ 2006, 28). De verwijzing van het COA naar HR 17 oktober 2008 (NJ 2009, 91) gaat niet op nu het daar om een individuele asielzoeker ging.

3.3. De Rva 2005 strekt ter uitvoering van artikel 12 van de Wet COA. Het COA is een zelfstandig bestuursorgaan. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het COA een grote mate van beleidsvrijheid heeft. In dat verband wordt een vast beleid gehanteerd dat is neergelegd in de Handleiding Vergoeding Buitengewone Kosten op grond van artikel 17 Rva 2005. Het COA heeft zijn beleid aangescherpt. Ter beoordeling is de vraag is of het COA, binnen de kaders van de relevante regelgeving, in redelijkheid tot het gewijzigde beleid heeft kunnen komen.

de kosten van de eerste fase worden niet meer vergoed

3.4. In de Handleiding (op pagina 10) staat vermeld dat een contra-expertise pas als zodanig kan worden aangemerkt als een deskundige naar de IND-opname heeft geluisterd en daar een rapport over heeft opgesteld. Verder staat in de Handleiding vermeld dat bij de eerste fase van De Taalstudio dit niet het geval is, zodat de kosten daarvan geen noodzakelijke kosten in de zin van artikel 17 van de Rva 2005 zijn.

3.5. Eiseressen hebben gesteld dat de eerste fase van De Taalstudio een eerste analyse inhoudt van het onderzoek dat door het BLT is uitgevoerd. Daarnaast wordt beoordeeld welke specifieke deskundigheid noodzakelijk is voor een contra-expertise en welke vraagstelling aan de contra-expert kan worden voorgelegd. Deze fase van ‘preselectie’ wordt afgesloten met een rapportage aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of het zinvol is de contra-expertise voort te zetten. De werkzaamheden zijn volgens de directeur van De Taalstudi[directeur], inhoudelijk en leiden niet tot een standaardreactie. Volgens eiseressen kan de tweede fase niet worden verricht als niet eerst de eerste fase is doorlopen hetgeen wordt onderschreven door het overgelegde rapport van dr. [X] van de Universiteit van Utrecht. Voorts wordt het vermelde onder 1.7 sub g door het COA wel als noodzakelijke kosten aangemerkt. De eerste fase van De Taalstudio is een onderzoekskader dat in de loop van het bestaan van De Taalstudio is ontwikkeld en grotendeels wordt gedragen door de ‘Guidelines for the Use of Language Analysis in Relation to Questions of National Origin in Refugee Cases, June 2004’ (verder de Guidelines), van de ‘Language and National Origin Group’, aldus eiseressen. Het COA heeft de stellingen van eiseressen gemotiveerd weersproken.

3.6. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De vermelde werkzaamheden onder 1.7 zijn veelal voorbereidende handelingen en dossiervorming. Dit geldt ook voor het bepalen welke deskundige de zaak in de tweede fase zou moeten beoordelen (sub g onder 1.7). Voorts zijn de door eiseressen overgelegde Guidelines niet onafhankelijk nu uit de ondertekening van dit stuk blijkt dat de directeur van De Taalstudio ([directeur]) deel uitmaakt van de ‘Language and National Origin Group’. Daarnaast lukt het Makano kennelijk wel om in de eerste fase voor slechts € 450,– de stemopname door maar liefst drie verschillende pre-analisten in Afrika te laten beluisteren, daar waar De Taalstudio in haar eerste fase niet verder komt dan de kwaliteit en de kwantiteit van de spraak op de opname te beoordelen (sub k onder 1.7). Ook uit het rapport van dr. [X] volgt niet dat de kosten die De Taalstudio voor de eerste fase in rekening brengt redelijkerwijs noodzakelijke kosten zijn. Op grond van voorgaande heeft het COA dan ook in redelijkheid kunnen beslissen om tot gewijzigd beleid te komen. De vordering vermeld onder 2.1.I. zal worden afgewezen. De vordering onder 2.1.II voor zover die betrekking heeft op vergoeding van de kosten in de eerste fase zal eveneens worden afgewezen.

een contra-expertise wordt vergoed tot een maximum van € 800,–;

3.7. In de Handleiding (op pagina 10) staat vermeld dat de tweede fase de daadwerkelijke contra-expertise behelst. De kosten van deze fase worden vergoed tot een maximum van € 800,–. De Handleiding licht dit bedrag als volgt toe. Een redelijke vergoeding voor een gekwalificeerd taalkundig expert varieert van € 75 tot maximaal € 100.– per uur. Een redelijke inschatting van de tijd die een contra-expertise kost is gemiddeld 4-6 uur. Een redelijk (ruim genomen) maximum totaalbedrag, rekening houdend met overheadkosten (inclusief preselectie) en een bepaalde winstmarge voor een eventuele tussenpersoon is € 800,–.

3.8. Eiseressen hebben aangevoerd dat de markt voor dit bedrag, behoudens een incidenteel geval, geen contra-expertise biedt; in ieder geval geen contra-expertise die voldoet aan de hoge eisen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder ABRvS) en de IND daaraan stellen. Eiseressen verwijzen naar produktie 8 en 9 die zij bij hun dagvaarding hebben overgelegd. Hieruit blijkt verantwoording van werkzaamheden, tijdsbesteding en tarieven van alle fasen van de Taalstudio. De omvang van de werkzaamheden en het tarief zijn volgens eiseressen redelijk en daarom is sprake van noodzakelijke kosten. Het COA heeft echter geen onderzoek gedaan naar de omvang van deze werkzaamheden en de daarbij behorende tijdsbesteding. Het COA heeft niets tegen het redelijke tarief van de Taalstudio ingebracht, aldus eiseressen.

3.9. Het COA stelt zich hiertegenover op het standpunt dat voor de hoogte van de tarieven in de tweede (en de derde fase) met name is uitgegaan van de bij het BLT bekende gegevens van de bureaus Sprakab en Verified uit Zweden en Lingua uit Zwitserland, waar tarieven van € 75,– tot maximaal € 100,– in rekening worden gebracht. De tijdsinschatting is mede gebaseerd op ervaring van het BLT. De ervaring leert dat in de regel een tijdsbestek van 4-6 uur meer dan redelijk is om een contra-expertise op te stellen. Een bedrag van € 800,– dient daarom in alle redelijkheid te volstaan, aldus het COA.

3.10. De voorzieningenrechter overweegt met betrekking tot deze tweede fase als volgt. In deze fase luistert een deskundige die beschikt over de benodigde talenkennis naar de IND opname en stelt daarover een rapport op. Het COA heeft de voorzieningenrechter overtuigd dat het op een zorgvuldige wijze heeft beoordeeld welke vergoeding en meer in het bijzonder welk tijdsbeslag in redelijkheid noodzakelijk moet worden geacht. Een maximumvergoeding van € 800,– voor de tweede fase is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke vergoeding. Voorts heeft het COA, naar aanleiding van het betoog van eiseressen dat er in Nederland slechts twee bedrijven zijn die zich in contra-expertises specialiseren, voldoende aannemelijk gemaakt dat er naast De Taalstudio en Makano andere aanbieders zijn voor het vinden van een geschikte contra-expert. De vordering onder 2.1.II voor zover die betrekking heeft op vergoeding van de kosten in de tweede fase zal dus worden afgewezen.

een eventueel noodzakelijke derde fase wordt vergoed tot een maximum van € 300,–

3.11. In de Handleiding (op pagina 10) staat vermeld dat in sommige dossiers sprake is van een derde fase en dat de kosten van deze fase worden vergoed tot een maximumbedrag van € 300,–.

3.12. Ook hier verwijzen eiseressen naar produktie 8 en 9 die zij bij hun dagvaarding hebben overgelegd (zie onder 3.8). Daarnaast zijn volgens eiseressen de kosten in deze fase sinds 2007 sterk toegenomen in verband met de toenemende lengte van het weerwoord van het BLT. Er worden regelmatig geheel nieuwe taalanalyse rapporten ingebracht waardoor het voor De Taalstudio niet altijd mogelijk is kostendekkend te werken, aldus eiseressen. Het COA is van mening dat in deze fase al het voorwerk reeds is gedaan en dat de argumentatie van de contra-expert al is gegeven. De contra-expert hoeft zijn rapport naar aanleiding van de reactie van het BLT slechts te verdedigen, aldus het COA. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.10 heeft het COA de voorzieningenrechter ook op dit punt ervan overtuigd dat met (maximaal) drie uur moet kunnen worden volstaan. Ook is het redelijk om dergelijke vergoedingen aan een maximum te onderwerpen. De vordering onder 2.1.III zal dan ook worden afgewezen.

een anonieme expert wordt niet meer vergoed

3.13. In de Handleiding (op pagina 9 en 10) staat vermeld dat controleerbaar moet zijn door wie en onder welke omstandigheden het onderzoek heeft plaatsgevonden; een anonieme contra-expert wordt doorgaans niet geaccepteerd. Verder staat in de Handleiding vermeld dat het COA deze kosten niet vergoed, omdat deze kosten niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 17 van de Rva 2005. Dit criterium is afgeleid uit de jurisprudentie van de ABRvS (afdelingsjurisprudentie).

3.14. Eiseressen hebben gesteld dat uit de afdelingsjurisprudentie niet eenduidig is af te leiden dat de contra-expert niet anoniem mag zijn. Volgens jurisprudentie van de Rechtbank ’s-Gravenhage kan ook een anonieme contra-expert als deskundige worden aangemerkt mits deze bekend is bij en onder controle staat van een voldoende onafhankelijk en deskundig bureau, zoals De Taalstudio. De voorwaarde van niet-anonimiteit is willekeurig en doet afbreuk aan de onafhankelijkheid van de contra-expert, aldus eiseressen.

3.15. De voorzieningenrechter is het met het COA eens dat controleerbaar moet zijn door wie en onder welke omstandigheden het onderzoek heeft plaatsgevonden. Identiteit en hoedanigheid van de contra-expert dienen dan ook bekend te zijn. Bovendien heeft het COA in dit kort geding een recente uitspraak (21 oktober 2009) van de sector bestuursrecht van deze rechtbank overgelegd waarin is geoordeeld dat de te maken kosten voor een contra-expertise verricht door een anonieme expert niet noodzakelijk zijn als bedoeld in artikel 17 van de Rva 2005. De onafhankelijkheid en de deskundigheid van een anonieme expert kon in deze bestuursrechtprocedure niet worden vastgesteld. Er is hier dan ook geen sprake van willekeur. Uit voorgaande volgt dat de vordering onder 2.1.V eveneens zal worden afgewezen.

3.16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het COA in redelijkheid heeft kunnen beslissen om tot gewijzigd beleid te komen. De vorderingen onder 2.1.I tot en met 2.1.III, onder 2.1.V en VII zullen dus worden afgewezen. De vorderingen onder 2.1.IV en 2.1.VI. zullen wegens onvoldoende belang worden afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de twee laatstgenoemde vorderingen als volgt.

Vergoeding vindt slechts plaats als door de IND de mogelijkheid wordt geboden voor een contra-expertise

3.17. In de Handleiding (op pagina 9) staat vermeld dat indien de mogelijkheid van een contra-expertise niet door de IND wordt geboden, het COA zal concluderen dat de kosten verbonden aan een dergelijke contra-expertise niet noodzakelijk zijn en niet worden vergoed op grond van artikel 17 van de Rva 2005. Eiseressen hebben aangevoerd dat het COA op pagina 6 van de brief van 7 juli 2009 (zie onder 1.16) niet uitsluit dat de kosten verbonden aan een contra-expertise als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt. Eiseressen hebben deze mededeling in hun brief van 16 juli 2009 verwelkomd en het COA gevraagd de Handleiding op dit punt aan te passen (zie onder 1.17). Nu het COA terzake dit onderwerp in dit kort geding geen ander standpunt heeft ingenomen, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de mededeling in zijn brief van 7 juli 2009 nog steeds zijn huidige standpunt is. Het COA pleegt zijn mededeling na te komen, zodat de voorzieningenrechter er van uitgaat dat het COA zich aan voormelde mededeling zal houden. De noodzaak om de Handleiding op dit punt aan te passen is onvoldoende onderbouwd. De vordering onder 2.1.IV zal derhalve wegens onvoldoende belang worden afgewezen.

Beslistermijn op een dekkingsverzoek

3.18. De vordering onder 2.1.VI. zal eveneens wegens onvoldoende belang worden afgewezen nu het COA ter zitting heeft toegezegd de beslistermijn op een dekkingsverzoek tot twee weken te hebben teruggebracht. Een termijn van twee weken in plaats van de in de dagvaarding gevorderde week is een redelijke termijn. Ook hier geldt dat het COA zijn toezegging pleegt na te komen, zodat de voorzieningenrechter er van uitgaat dat het COA zich aan zijn toezegging zal houden.

3.19. Eiseressen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiseressen in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht;

- verklaart de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2009.

mb