Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3136

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
AWB 08/4601
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL8786, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat bij de totstandkoming van de Regeling is betrokken dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen diegenen die zich in het verleden niet aan de vertrekplicht hebben gehouden en diegenen die dat wel hebben gedaan en dat dit onderscheid een expliciete keus is geweest. De rechtbank verwijst hiervoor met name naar het antwoord van de staatssecretaris van justitie op een vraag van de VVD-fractie (TK 2006-2007, 31018, nr. 3). Omdat verweerder bij de totstandkoming van de Regeling het onderscheid tussen beide groepen expliciet onder ogen heeft gezien en er juist voor die vreemdelingen die Nederland niet hebben verlaten problemen waren ontstaan waarvoor een oplossing moest worden gezocht, volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat sprake is van willekeur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 08/4601

V-nr: *

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

eiser [naam], geboren [datum] in 1981, van Ethiopische nationaliteit,

gemachtigde: mr. R.J. Hamerslag, advocaat te Amsterdam,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Op 22 januari 2008 is aan eiser een kopie van de interne minuut verzonden, waarin vervat de beoordeling of eiser in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap Vw (oud) (hierna; de Regeling) zoals gepubliceerd in het Wijzigingsbesluit (WBV) 2007/11. Bij besluit van 7 februari 2008 heeft verweerder het hiertegen op 23 januari 2008 ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

Op 8 februari 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen.

Bij besluit van 6 februari 2009 heeft verweerder het besluit van 7 februari 2008 ingetrokken en het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig T. Oghamichael, als tolk in de Amhaarse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

1. Verweerder stelt zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling. Uit het beleid van WBV 2007/11 volgt dat geen verblijfsvergunning op grond van de Regeling wordt verleend indien de vreemdeling na 1 april 2001 aantoonbaar uit Nederland is vertrokken. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling nu hij op 23 februari 2004 een asielaanvraag in Denemarken heeft ingediend en op 18 september 2004 een asielaanvraag in IJsland heeft ingediend. Door beide landen is een Dublinclaim bij Nederland ingediend, welke claim in beide gevallen is gehonoreerd. Eiser is dan ook na 1 april 2001 aantoonbaar vertrokken uit Nederland.

Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. In één van de door eiser aangehaalde gevallen berust het doen van een aanbod op een ambtelijke misslag, in het andere geval voldoet de vreemdeling, in tegenstelling tot eiser, wel aan de voorwaarden. Hetgeen is aangevoerd in het kader van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft geen aanleiding om af te wijken van het beleid. De regeling vormt op zichzelf al uitzonderingsbeleid en wordt daarom restrictief toegepast. Omstandigheden die zijn betrokken bij de totstandkoming van het beleid, zoals het langdurig verblijf en de onzekere verblijfspositie van vreemdelingen die voor 1 april 2001 een asielaanvraag hebben ingediend, kunnen niet als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb worden beschouwd. De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn dan ook geen reden om af te wijken van het beleid. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is afgezien van het horen van eiser.

2. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. Eiser doet een beroep op artikel 4:84 van de Awb. Eiser verblijft al langer dan 12 jaar in Nederland. Eiser heeft geprobeerd te voldoen aan zijn verplichting om Nederland te verlaten. Aan eiser wordt dan ook ten onrechte tegengeworpen dat hij Nederland heeft verlaten toen hij niet meer in procedure was. De Regeling is opgesteld om langdurige procedures en het daarmee samenhangende langdurig verblijf in Nederland af te ronden. Langdurig verblijf moet dan ook gelden als een reden om af te wijken van het beleid.

Dat verweerder zich in het kader van eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel beroept op een ambtelijke misslag is in strijd met het rechtzekerheids- dan wel het vertrouwensbeginsel.

De Regeling is bedoeld als een ruime regeling. Onderscheid maken tussen mensen die hebben getracht aan de wet te voldoen door Nederland te trachten te verlaten en mensen die dat niet hebben gedaan maakt dat sprake is van willekeur. Verweerder heeft ten onrechte afgezien van het horen van eiser. Op dit moment worden op grote schaal personen, die menen in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning in het kader van het generaal pardon, tijdens de bezwaarfase gehoord.

3. Niet in geschil is dat eiser na 1 april 2001 aantoonbaar (tijdelijk) uit Nederland is vertrokken en dat hij daarom niet voldoet aan de voorwaarden van de Regeling.

4.1. Eiser heeft gesteld dat er ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen mensen die wel hebben geprobeerd te voldoen aan de Wet door Nederland te trachten te verlaten en mensen die dit niet hebben gedaan. Hierdoor is er sprake van een duidelijke willekeur, aldus eiser.

4.2 De rechtbank overweegt dat bij de totstandkoming van de Regeling is betrokken dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen diegenen die zich in het verleden niet aan de vertrekplicht hebben gehouden en diegenen die dat wel hebben gedaan en dat dit onderscheid een expliciete keus is geweest. De rechtbank verwijst hiervoor met name naar het antwoord van de staatssecretaris van justitie op een vraag van de VVD-fractie of de regering zich bewust is van de rechtsongelijkheid die ontstaat nu op grond van deze duidelijkheid in de vorm van de afwijzing van een aanvraag, personen Nederland hebben verlaten terwijl anderen die evenmin recht op toelating hadden, maar Nederland niet verlieten, nu wél een verblijfsvergunning krijgen (TK 2006-2007, 31018, nr. 3). De staatsecretaris heeft hierop het volgende geantwoord: “Het kabinet heeft gemeend dat de argumenten, zoals eerder beschreven, die pleiten vóór de regeling zwaar wegen. Dit zal mogelijk een beeld van ongelijkheid oproepen. Van daadwerkelijke rechtsongelijkheid is naar mijn mening geen sprake omdat de situatie zich niet voordoet dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Ik meen dat de regeling en de wijze waarop deze is vormgegeven in voldoende mate recht doet aan de situatie”.

4.3. De rechtbank stelt vast dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Regeling in de Tweede Kamer blijkt dat de zwaarwegende argumenten die vóór de regeling pleitten, zoals ook blijkt uit het standpunt van verweerder zoals weergegeven in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 10 november 2008

(LJN: BG5060), met name waren gelegen in de omstandigheid dat er in de loop van de afgelopen jaren als gevolg van de lange duur van de procedures van vreemdelingen die een asielaanvraag hadden ingediend onder de Vreemdelingenwet (oud) diverse problemen waren ontstaan die samenhingen met de (nood)opvang en het verblijf van die vreemdelingen. De druk, zowel in het parlement, als daarbuiten, om in ieder geval met betrekking tot de problemen van die groep tot een regeling te komen was groot.

4.4. Omdat verweerder bij de totstandkoming van de Regeling het onderscheid tussen beide groepen expliciet onder ogen heeft gezien en er juist voor die vreemdelingen die Nederland niet hebben verlaten problemen waren ontstaan waarvoor een oplossing moest worden gezocht, volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat sprake is van willekeur.

5. De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat één van de door eiser aangehaalde zaken geen gelijk geval als dat van eiser betreft. In de desbetreffende zaak was een gezinslid van de vreemdeling, en niet de betrokken vreemdeling zelf, middels een Dublinclaim teruggekeerd naar Nederland.

In de andere zaak heeft verweerder medegedeeld dat sprake was van een ambtelijke misslag. Ingevolge vaste jurisprudentie van de AbRS (o.a. de uitspraak van 9 juli 2007, LJN: BD6768) strekt een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zover, dat verweerder gehouden zou zijn foutieve beslissingen ten aanzien van andere vreemdelingen te continueren. Verweerder was op grond van een enkele zaak dan ook niet gehouden eiser een aanbod op grond van de Regeling te doen.

6. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals verweerder ook heeft betoogd, is de situatie waarin een vreemdeling langdurig in Nederland verblijft betrokken bij de vaststelling van het beleid, zoals neergelegd in de Regeling. De door eiser aangevoerde omstandigheid dat hij al langer dan 12 jaar in Nederland verblijft, heeft verweerder dan ook terecht niet als bijzonder in de zin van artikel 4:84 van de Awb aangemerkt en verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van dat wetsartikel van zijn beleid af te wijken.

7. Over de beroepsgrond van eiser hij niet op zijn bezwaarschrift is gehoord, overweegt de rechtbank het volgende. De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat wordt beheerst door hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen betrokkene in eerste instantie heeft aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing.

De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eiser in eerste instantie heeft aangevoerd en hetgeen in de minuut daaromtrent is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eiser kon worden afgezien. De gestelde omstandigheid dat verweerder in andere zaken waarin het generaal pardon speelt veelvuldig aan het horen is maakt dit oordeel niet anders. Eiser heeft dit standpunt allereerst niet onderbouwd en bovendien is niet duidelijk wat er in die zaken in de minuut en in het daartegen gerichte bezwaar is vermeld. De beroepsgrond faalt derhalve.

8. Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

9. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/4601,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzitter, in tegenwoordigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2009.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc..: AZ/MvK

Coll.: WdJ

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.