Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3131

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/36341
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het besluit tot verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring is met de enkele publicatie in de Staatscourant niet overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb en A5/3.3. van de Vc bekendgemaakt aangezien er een adres van verzoeker bij verweerder bekend was. Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn in samenhang met artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn gelden er strengere eisen voor een besluit tot verblijfsbeëindiging in het geval het gaat om een burger van de EU die vijf jaar rechtmatig op het grondgebied van een andere lidstaat heeft verbleven. Verblijfsbeëindiging is dan alleen mogelijk in het geval van ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid. Gelet hier op moet, voorlopig oordelend, worden aangenomen dat de nog verdergaande bescherming van artikel 28, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn is bedoeld voor de situatie dat een burger van de EU tien jaar rechtmatig verbleven heeft in een andere lidstaat. Nu verzoeker hieraan niet voldoet, kan hij zich niet met succes op deze bepaling beroepen. Ter beoordeling van de vraag of verzoeker een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde heeft de voorzieningenrechter met toestemming van partijen inlichtingen ingewonnen bij het OM over een niet afgedane strafzaak betreffende een gebeurtenis op 23 september 2009. Uit de inlichtingen blijkt dat het op dit moment onduidelijk is of verzoeker voor deze gebeurtenis vervolgd zal worden. De voorzieningenrechter acht het niet opportuun om vooruitlopend op de uitkomst van de strafzaak reeds nu een prognose te geven ten aanzien van de vraag of verzoeker een actuele bedreiging oplevert voor de openbare orde. De voorzieningenrechter heeft ter beslechting van het geschil een nadere, op de zaak toegesneden belangenafweging gemaakt, waarbij de voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling buiten beschouwing is gelaten. De belangen over en weer afwegend, valt de afweging in verzoekers voordeel uit. Het gezinsleven heeft hierbij een doorslaggevende rol gespeeld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 8.22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/36341

V-nr: *

uitspraak van de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

verzoeker [naam], geboren [datum] in 1958, van Roemeense nationaliteit,

gemachtigde: mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H.A.G. Koppert, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2008 heeft verweerder het verblijfsrecht van verzoeker op grond van de Richtlijn 2004/38/EG (hierna: de Verblijfsrichtlijn) beëindigd en is verzoeker ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat verzoeker na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat verzoeker Nederland uit eigen beweging moet verlaten. Bij bezwaarschrift van 5 oktober 2009 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit bezwaar schort de rechtsgevolgen van het besluit niet op.

Bij brief van 7 oktober 2009 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het primaire besluit op te schorten en de uitzetting van verzoeker te verbieden totdat het besluit onherroepelijk is geworden, althans tot op het bezwaar is beslist.

Op 21 oktober 2009 heeft verzoeker verzocht een spoedvoorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening van

7 oktober 2009 is beslist. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen.

Het onderzoek ter zitting ter zake van het verzoek van 7 oktober 2009 heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2009. Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

Ook waren ter zitting aanwezig [naam] de partner van verzoeker, [naam] de dochter van verzoeker, en twee zoons van [naam] de partner uit een eerdere relatie.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 21 oktober 20009 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat het onderzoek wordt heropend teneinde inlichtingen in te winnen bij het Openbaar Ministerie te Amsterdam over een nog niet afgedane strafzaak. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld op deze inlichtingen te reageren. Verzoeker en verweerder hebben daarvan gebruik gemaakt bij faxberichten van respectievelijk 26 oktober 2009 en 27 oktober 2009. Bij voornoemde faxberichten hebben partijen toestemming verleend om de zaak zonder een nadere behandeling ter zitting af te doen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen ten aanzien van de spoedvoorziening

2.1. Voorafgaand aan de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft de gemachtigde van verzoeker op 21 oktober 2009 om 9.00 uur de voorzieningenrechter telefonisch verzocht om een spoedvoorziening te treffen omdat het voornemen bestond verzoeker die dag om 10.00 uur uit te zetten. Verweerder is in de gelegenheid gesteld telefonisch op dit verzoek te reageren.

2.2. De voorzieningenrechter heeft besloten de gevraagde spoedvoorziening toe te wijzen en verweerder te verbieden verzoeker uit te zetten zolang niet op het verzoek om een voorlopige voorziening van 7 oktober 2009 is beslist. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag.

2.3. De uitzetting van verzoeker is in strijd met artikel 8.24 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Dit artikel bepaalt dat de uitzetting van een EU-onderdaan, ten aanzien van wie het rechtmatig verblijf om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid is geweigerd of beëindigd, indien de vreemdeling de voorzieningenrechter heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, achterwege blijft tot op dat verzoek is beslist, tenzij het besluit: (a) met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen; (b) reeds door de rechtbank of de voorzieningenrechter is beoordeeld; of (c) gebaseerd is op dwingende redenen van openbare veiligheid. Verweerder heeft op 19 oktober 2009 tijdens de behandeling van het beroep van verzoeker tegen de inbewaringstelling ook aan verzoeker meegedeeld dat hij conform artikel 8.24 van het Vb niet zou worden uitgezet zolang nog niet beslist is op het verzoek om een voorlopige voorziening van 7 oktober 2009. Daarnaast vermeldt het besluit van 30 maart 2008 dat een verzoek om een voorlopige voorziening in het algemeen het vertrek opschort.

Gelet op het voorgaande is het dan ook onrechtmatig om verzoeker uit te zetten zolang niet op het verzoek om een voorlopige voorziening van 7 oktober 2009 is beslist.

3. Overwegingen ten aanzien van de voorlopige voorziening

3.1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Tussen partijen is niet in geschil en ook de voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de dreigende uitzetting van verzoeker er sprake is van een spoedeisend belang.

3.3. De voorzieningenrechter ziet zich thans gesteld voor de vraag of het verzoek om een voorlopige voorziening, gelet op de betrokken belangen, voor toewijzing in aanmerking komt. In het kader van deze belangenafweging speelt een rol of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft (de voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling).

Feiten en omstandigheden die tussen partijen niet in geschil zijn

3.4. Verzoeker heeft de Roemeense nationaliteit. Op 6 januari 1988 heeft verzoeker asiel aangevraagd in Nederland. Deze aanvraag is op 9 maart 1988 afgewezen. Verzoeker verblijft sinds zijn asielaanvraag in Nederland. Sinds 1989 woont hij samen met zijn Nederlandse partner. Op 19 november 1990 hebben verzoeker en zijn partner een dochter gekregen.

3.5. Verzoeker is bij besluit van 17 oktober 1997 ongewenst verklaard op grond van artikel 21 van de (oude) Vreemdelingenwet. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat verzoeker bij vonnis van de Meervoudige strafkamer te Amsterdam van 9 december 1996 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaren en 3 maanden ter zake van bedreiging, mishandeling, wapenbezit en het medeplegen van zware mishandeling.

3.6. Verzoeker is gedurende zijn verblijf in Nederland enkele keren uitgezet naar Roemenië, voor het laatst op 5 juli 1999. Verzoeker is telkens op korte termijn naar Nederland teruggekeerd.

3.7. Roemenië is sinds 1 januari 2007 lid van de Europese Unie. Verzoeker is met ingang van die datum burger van de Unie en heeft daarmee vanaf 1 januari 2007 rechtmatig verblijf in Nederland. De ongewenstverklaring van 17 oktober 1997 is op 1 januari 2007 van rechtswege komen te vervallen.

3.8. Op 4 oktober 2007 heeft de korpschef van politieregio Amsterdam-Amstelland aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt om hem ongewenst vreemdeling te verklaren. Verzoeker is diezelfde dag over dit voornemen gehoord. Ook is de partner van verzoeker in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren. Bij brief van 17 oktober 2007 heeft zij daarvan gebruik gemaakt.

3.9. In het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister van 29 januari 2008 staat, voor zover van belang, vermeld dat verzoeker:

- op 23 oktober 1998 door de Meervoudige strafkamer te Amsterdam is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor poging tot afpersing, overtreding van de Opiumwet en wapenbezit;

- op 2 oktober 2001 door de Meervoudige strafkamer te Amsterdam is veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf voor afpersing en poging tot afpersing;

- op 10 juli 2003 door de Meervoudige strafkamer te Amsterdam is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voor het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven, overtreding van de Opiumwet, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling;

- op 14 november 2006 door de Meervoudige strafkamer te Amsterdam is veroordeeld tot 28 maanden gevangenisstraf voor poging tot afpersing, heling, als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven, bezit van een vals reisdocument, overtreding van de Opiumwet en wapenbezit.

3.10. Verzoeker verblijft sinds begin oktober 2009 in vreemdelingenbewaring.

Standpunten van partijen

3.11. Aan het bestreden besluit is - kort samengevat - het volgende ten grondslag gelegd.

Het verblijfsrecht van verzoeker wordt beëindigd op grond van de Verblijfsrichtlijn. Verzoeker is op 23 oktober 1998, 2 oktober 2001, 10 juli 2003 en 14 november 2006 veroordeeld voor het plegen van misdrijven. Verwezen wordt naar het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister van 29 januari 2008. Gezien de aard van de door verzoeker gepleegde misdrijven is een fundamenteel belang van de (Nederlandse) samenleving aangetast. Het persoonlijke gedrag van verzoeker vormt een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde. Er zijn geen zwaarwegende redenen om niet tot het besluit te komen om het verblijf van verzoeker om redenen van openbare orde op het grondgebied van Nederland te beëindigen. Verzoeker wordt voorts op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw ongewenst verklaard omdat hij bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd. De verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring leveren geen schending op van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.12. Verzoeker heeft in bezwaar en ter onderbouwing van zijn verzoek om een voorlopige voorziening - samengevat - het volgende aangevoerd. Het besluit van 30 maart 2008 is met de enkele publicatie in de Staatscourant niet op de juiste wijze bekendgemaakt. Verzoeker heeft op 25 september 2009 tijdens een strafrechtelijke voorgeleiding voor het eerst kennis genomen van het besluit. Het bezwaar is tijdig gemaakt en dus ontvankelijk. De onjuiste bekendmaking heeft tot gevolg dat het besluit niet in werking is getreden. De gevraagde voorziening moet reeds daarom worden toegewezen. Het besluit tot verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring is bovendien onrechtmatig en ondeugdelijk gemotiveerd. Het besluit is uitsluitend gebaseerd op strafrechtelijke veroordelingen. Dat is niet toegestaan. Verzoeker vormt geen gevaar voor de openbare orde. Na zijn invrijheidsstelling op 23 oktober 2007 is verzoeker niet meer met de politie in aanraking geweest, tot voor zeer kort, toen hij op 25 september 2009 is aangehouden op verdenking van bedreiging en mishandeling. Hiervoor zal hij echter niet worden vervolgd en veroordeeld. Verzoeker is na enkele dagen voorlopige hechtenis in vrijheid gesteld. Verzoeker vormt dan ook geen actuele bedreiging voor de openbare orde. Verzoeker verblijft sinds 1988 in Nederland en heeft hier een gezin. Hij heeft geen banden meer met Roemenië. Uit de beschikking blijkt niet in welke mate rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker bij de beoordeling of er zwaarwegende redenen zijn om van verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring af te zien. Het besluit is voorts in strijd met artikel 8 van het EVRM.

3.13. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat hij thans primair het standpunt inneemt dat de gevraagde voorziening dient te worden afgewezen omdat het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk is wegens het te laat indienen ervan. Subsidiair meent verweerder dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen. Eventuele kleine gebreken in de motivering kunnen in bezwaar worden hersteld. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker ook op dit moment nog een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt. Het recente politie- en justitiecontact van verzoeker is hierbij van belang.

Beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar

3.14. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 3:41, tweede lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van het besluit, indien zij niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, op een andere geschikte wijze.

3.15. In artikel 67, tweede lid, van de Vw is bepaald dat indien de bekendmaking van de beschikking, waarbij de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, geschiedt door toezending, van de beschikking mededeling wordt gedaan in de Staatscourant.

3.16. Volgens paragraaf A5/3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wordt het origineel van de beschikking tot ongewenstverklaring aan de vreemdeling in persoon uitgereikt door de vreemdelingenpolitie of de KMar.

Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze – met de brochure – per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens publicatie van de beschikking in de Staatscourant plaats (zie artikel 67, tweede lid, van de Vw).

Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, wordt de beschikking – met de brochure – aan de in Nederland kantoor houdende gemachtigde gezonden, zo die er is en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant. Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Staatscourant.

3.17. Vast staat dat verzoeker tijdens het gehoor van 4 oktober 2007 (het gehoor van voornemen tot ongewenstverklaring) heeft verklaard dat hij een vaste woon- en verblijfplaats heeft [adres] te Amsterdam, waar hij samen met zijn gezin woont. Dit adres wordt in het bestreden besluit ook genoemd. Vast staat voorts dat het besluit van 30 maart 2008 niet in persoon aan verzoeker is uitgereikt noch per post aan hem is gezonden. Het besluit is enkel bekendgemaakt door publicatie in de Staatscourant op 8 mei 2008.

3.18. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat in de praktijk voor de bekendmaking van een bestreden besluit gekeken wordt of de vreemdeling een adres in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) heeft. Indien er geen GBA-adres is, wordt het besluit bekendgemaakt door middel van publicatie in de Staatscourant. Verzoeker had geen GBA-adres zodat het bestreden besluit bekend is gemaakt door publicatie in de Staatscourant. Volgens verweerder is aan de verklaring van verzoeker tijdens het gehoor van 4 oktober 2007, dat hij een vaste woon- en verblijfplaats heeft bij zijn partner, geen waarde gehecht, omdat gedurende de paar maanden gelegen tussen dit gehoor en het bestreden besluit de relatie kan zijn verbroken en verzoeker van verblijfplaats kan zijn veranderd.

3.19. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het besluit van 30 maart 2008 met de enkele publicatie in de Staatscourant niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Er was een adres van verzoeker bij verweerder bekend. Gesteld noch gebleken is dat verweerder ermee bekend was dat verzoeker niet langer op het laatst bekende adres woonde. Verweerder had dan ook overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb en paragraaf A5/3.3. van de Vc het besluit in persoon moeten uitreiken dan wel, indien dat niet mogelijk was, het besluit bij aangetekende brief aan het laatst bekende adres moeten toezenden. Indien verweerder twijfels had of verzoeker nog steeds op het opgegeven adres bij zijn partner woonde, had het op zijn weg gelegen dit te onderzoeken. Dit heeft verweerder niet gedaan.

3.20. Nu het bestreden besluit met de enkele publicatie in de Staatscourant niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is de bezwaartermijn niet op de dag na publicatie in de Staatscourant aangevangen. De bezwaartermijn is aangevangen op het moment dat verzoeker en zijn gemachtigde met de inhoud van het besluit van 30 maart 2008 bekend zijn geworden. Dat was tijdens de strafrechtelijke voorgeleiding op 25 september 2009. Dit betekent dat het bezwaar van 5 oktober 2009 binnen de bezwaartermijn van vier weken en dus tijdig is gemaakt. Het bezwaar is dan ook ontvankelijk.

Beoordeling van de inhoud van het besluit

3.21. Verzoeker heeft allereerst betoogd dat de verzochte voorziening reeds voor toewijzing in aanmerking komt omdat het besluit van 30 maart 2008 bij gebreke van een juiste bekendmaking niet in werking is getreden en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit dus nog niet zijn ingetreden. Aan een inhoudelijke beoordeling van het besluit komt de voorzieningenrechter volgens verzoeker dan ook niet toe.

3.22. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van verzoeker niet. De onjuiste bekendmaking van het besluit van 30 maart 2008 staat niet aan de inwerkingtreding van het besluit in de weg omdat verzoeker en zijn gemachtigde op 25 september 2009 alsnog op de hoogte zijn geraakt van de inhoud van het besluit en een afschrift van het besluit hebben ontvangen. De onjuiste bekendmaking leidt er in dit geval slechts toe dat de bezwaartermijn niet reeds de dag na de onjuiste bekendmaking is aangevangen.

Relevante regelgeving

3.23. Ingevolge artikel 27, eerste lid van de Verblijfsrichtlijn kunnen de lidstaten (..) de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen in overeenstemming moeten zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd moeten zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.

3.24. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn kan een gastland geen besluit tot verwijdering van het grondgebied nemen ten aanzien van burgers van de Unie of familieleden, ongeacht hun nationaliteit, die een duurzaam verblijfsrecht op zijn grondgebied hebben verworven, behalve om ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid.

3.25. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn heeft iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbeleven, aldaar een duurzaam verblijfsrecht.

3.26. Ingevolge artikel 28, derde lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn kan behalve om dwingende redenen van openbare veiligheid zoals door de lidstaten gedefinieerd, ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, geen besluit tot verwijdering worden genomen, indien zij de laatste tien jaar in het gastland hebben verbleven.

3.27. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de vreemdeling door Onze Minister ongewenst worden verklaard, indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

3.28. Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vb kan Onze Minister het rechtmatig verblijf van een EU burger ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat tenzij dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, het rechtmatig verblijf niet wordt beëindigd, indien de vreemdeling in de voorafgaande tien jaar in Nederland heeft gewoond.

Rechtsgrondslag van het besluit

3.29. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 8.22, eerste lid van het Vb. Verzoeker heeft in de onderhavige procedure aangevoerd dat hij al sinds 1988 in Nederland verblijft. Deze stelling van verzoeker en de feiten zoals blijkend uit het asieldossier werpen de vraag op of het besluit tot verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring niet in strijd is met artikel 8.22, derde lid, van het Vb. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder artikel 8.22, derde lid, van het Vb dan ook bij de besluitvorming moeten betrekken. Aangezien de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb gehouden is de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen, heeft de voorzieningenrechter de toepasselijkheid van artikel 8.22, derde lid, van het Vb ter zitting aan de orde gesteld.

3.30. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat een beroep van verzoeker op artikel 8.22, derde lid, van het Vb niet kan slagen. Dit artikel vormt de implementatie van artikel 28, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn. Uit artikel 28, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn in samenhang bezien met artikel 28, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn volgt dat de bescherming van artikel 28, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn en dus ook artikel 8.22, derde lid, van het Vb ziet op de situatie dat een EU-burger tien jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Verzoeker heeft niet tien jaar rechtmatig in Nederland verbleven zodat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8.22, derde lid, van het Vb, aldus verweerder.

3.31. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat verweerder in dit standpunt kan worden gevolgd. Redengevend voor dit voorlopige oordeel is het volgende.

Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn in samenhang met artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn gelden er strengere eisen voor een besluit tot verblijfsbeëindiging in het geval het gaat om een burger van de EU die vijf jaar rechtmatig op het grondgebied van een andere lidstaat heeft verbleven. Verblijfsbeëindiging is dan alleen mogelijk in het geval van ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid. Gelet hierop moet, voorlopig oordelend, worden aangenomen dat de nog verdergaande bescherming van artikel 28, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn, en dus ook artikel 8.22, derde lid, van het Vb, is bedoeld voor de situatie dat een burger van de EU tien jaar rechtmatig verbleven heeft in een andere lidstaat. Verzoeker heeft pas sinds 1 januari 2007 rechtmatig verblijf in Nederland zodat vooralsnog moet worden aangenomen dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8.22, derde lid, van het Vb.

Actuele bedreiging van de openbare orde

3.32. Beoordeeld dient thans te worden of het betoog van verzoeker dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, als bedoeld in artikel 8.22, eerste lid, van het Vb, een redelijke kans van slagen heeft.

3.33. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat gezien de aard van de door verzoeker gepleegde misdrijven een fundamenteel belang van de (Nederlandse) samenleving is aangetast. Het persoonlijk gedrag van verzoeker vormt een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde. De impact van de vergrijpen heeft en vormt een ernstige bedreiging voor verschillende fundamentele belangen van de samenleving. Er sprake van een actuele bedreiging van de openbare orde omdat sprake is van recidive en de laatste veroordeling recentelijk heeft plaatsgevonden en er geen verbetering van het gedrag van verzoeker is opgetreden, aldus verweerder.

3.34. De voorzieningenrechter overweegt dat, anders dan verzoeker meent, verweerder het besluit tot verblijfsbeëindiging gezien voorgaande overwegingen niet uitsluitend heeft gebaseerd op de strafrechtelijke veroordelingen. Verweerder heeft het besluit gebaseerd op het persoonlijke gedrag van verzoeker waarbij verweerder de strafrechtelijke veroordelingen heeft betrokken.

3.35. De voorzieningenrechter dient ex nunc te beoordelen of het persoonlijk gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

3.36. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat sprake is van een actuele bedreiging gelet op de hoeveelheid misdrijven die verzoeker heeft gepleegd, de korte tussenpozen tussen de gepleegde misdrijven, de aard en de ernst van gepleegde misdrijven en het feit dat verzoeker in september 2009 opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen en niet valt in te zien waarom hij hiervoor niet vervolgd zal worden.

3.37. Verzoeker heeft ter zitting gesteld dat hij zijn leven heeft gebeterd sinds zijn invrijheidsstelling op 23 oktober 2007. Voor het feit waarvoor hij eind september 2009 met justitie in aanraking is gekomen, zal hij niet vervolgd gaan worden. Verzoeker heeft geen aandeel gehad in de strafbare feiten die toen zijn gepleegd. Van een actuele bedreiging voor de openbare orde is volgens verzoeker dan ook geen sprake.

3.38. De voorzieningenrechter heeft met instemming van partijen op grond van artikel 8:45 van de Awb op 22 oktober 2009 inlichtingen ingewonnen bij het Openbaar Ministerie te Amsterdam over het strafbare feit waarvoor verzoeker eind september 2009 is aangehouden. De voorzieningenrechter heeft de volgende inlichtingen verkregen:

“Verzoeker [naam] is op 25 september 2009 aangehouden in verband met een bedreiging en mishandeling van een eigenaar van een pizzeria op 23 september 2009. De aangever heeft een pistool tegen zijn oogkas aangedrukt gekregen en hij heeft een kopstoot gekregen. Verzoeker [naam] en een nog niet aangehouden medeverdachte waren bij deze mishandeling en bedreiging aanwezig.

Verzoeker [naam] heeft tijdens de verhoren - kort samengevat - het volgende verklaard. Op verzoek van zijn vriend [voornaam] M is hij meegegaan naar een pizzeria in Amsterdam.

M wilde met de eigenaar van de pizzeria spreken omdat zijn zus en dochter door de broer van de eigenaar werden bedreigd. Die bedreigingen gingen gepaard met het ingooien van ramen en het schrijven van doodsbedreigingen op de voordeur. Verzoeker [naam] Dragomir wilde M tegenhouden, maar was naar eigen zeggen niet sterk genoeg om te weerhouden. In plaats daarvan is verzoeker [naam] daarom maar met M meegegaan naar de pizzeria, in de hoop dat hij door zijn aanwezigheid de boel kon sussen. Dat is uiteindelijk niet gelukt: in de pizzeria is over en weer geschreeuwd, getrokken en geduwd. Verzoeker [naam] verklaart in eerste instantie dat hij geen wapen heeft gezien. Op de vraag of zijn vriend een wapen had, wil hij echter geen antwoord geven. De pizzeria eigenaar wijst M aan als degene die het pistool tegen zijn hoofd heeft gehouden en die de bedreigingen heeft geuit. M is ook degene die volgens hem de kopstoot heeft uitgedeeld. Hij verklaart voorts dat verzoeker [naam] heeft geprobeerd om M af te remmen en dat hij heeft geprobeerd het wapen van M af te pakken. Een getuige, een werknemer van de pizzeria, verklaart echter dat het verzoeker [naam] was die de kopstoot heeft uitgedeeld. De politie is nog op zoek naar medeverdachte M. Verder wordt er nog sporenonderzoek gedaan naar het wapen dat nabij de pizzeria is aangetroffen. Verzoeker [naam] is op 25 september 2009 in verzekering gesteld en aansluitend in bewaring gesteld. Op 5 oktober 2009 heeft de zaaksofficier van justitie besloten de voorlopige hechtenis niet langer te laten voortduren omdat er op dat moment onvoldoende ernstige bezwaren tegen verzoeker [naam] waren. Het onderzoek is echter nog niet afgerond, zodat een definitieve vervolgingsbeslissing nog niet kan worden genomen.”

3.39. De voorzieningenrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk op deze inlichtingen te reageren. Verzoeker en verweerder hebben bij faxberichten van respectievelijk 26 oktober 2009 en 27 oktober 2009 hun standpunten zoals ter zitting verwoord, gehandhaafd.

3.40. De voorzieningenrechter overweegt dat de uitkomst van de strafzaak betreffende de gebeurtenis op 23 september 2009 zowel op zichzelf bezien als ook in samenhang met de strafrechtelijke veroordelingen uit het verleden van belang is voor de beoordeling of het persoonlijk gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

Uit de inlichtingen van het Openbaar Ministerie blijkt dat het op dit moment onduidelijk is of verzoeker vervolgd zal worden voor de gebeurtenis op 23 september 2009. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eerst nadat dit duidelijk is geworden een gedegen oordeel kan worden gegeven ten aanzien van de vraag of het gedrag van verzoeker een actuele bedreiging oplevert voor de openbare orde als hierboven bedoeld. De voorzieningenrechter acht het niet opportuun om vooruitlopend op de uitkomst van de strafzaak reeds nu een prognose te geven ten aanzien van deze vraag.

3.41. Nu op dit moment geen goed oordeel kan worden gegeven over de kans van slagen van het kernaspect van het bezwaar, zal de voorzieningenrechter ter beslechting van het onderhavige geschil een nadere, op de zaak toegesneden belangenafweging maken, waarbij de voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling buiten beschouwing wordt gelaten.

3.42. Het belang van verweerder bij uitzetting is gelegen in de actuele, werkelijke en ernstige bedreiging die verzoeker volgens verweerder vormt voor de openbare orde. Dit betreft het punt van geschil waarover de voorzieningenrechter het niet opportuun acht op dit moment te oordelen.

3.43. Het belang van verzoeker bij toewijzing van de gevraagde voorziening is dat hij sinds 1988 in Nederland verblijft, in Nederland een gezin heeft, geen banden meer heeft met Roemenië en graag hier te lande de uitkomst van het geding wil afwachten.

3.44. De voorzieningenrechter betrekt bij de belangenafweging dat de toewijzing van het verzoek niet zeer ingrijpend is. Toewijzing van het verzoek komt in feite slechts neer op het bevriezen van de status quo bij wijze van ordemaatregel. Afwijzing van het verzoek betekent dat verzoeker wordt uitgezet wat voor verzoeker en zijn gezinsleden zeer ingrijpende gevolgen heeft. Op de zitting bij de voorzieningenrechter hebben de gezinsleden van verzoeker duidelijk doen blijken van een hecht gezinsleven.

3.45. Onder voornoemde omstandigheden kent de voorzieningenrechter aan het belang van verzoeker doorslaggevende betekenis toe. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal dan ook worden toegewezen.

3.46. De voorzieningenrechter komt gezien het voorgaande niet toe aan de voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling van het standpunt van verweerder dat er geen zwaarwegende redenen zijn om niet tot verblijfsbeëindiging over te gaan en dat het besluit geen schending oplevert van artikel 8 van het EVRM. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat het bestreden besluit met betrekking tot genoemde onderdelen een aantal kleine motiveringsgebreken bevat maar dat deze in bezwaar zullen worden hersteld.

3.47. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.092,50 als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op de inlichtingen van het Openbaar Ministerie, wegingsfactor 1, waarde per punt: € 437,-- ).

4. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;

- veroordeelt verweerder in de hierboven bedoelde proceskosten, begroot op € 1.092,50 (zegge: duizend tweeënnegentig euro en vijftig eurocent), te betalen door verweerder aan verzoeker;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het griffierecht ad € 150,-- (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Oude Hengel, rechterlijk ambtenaar in opleiding, en

W. de Jong-Koops, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2009.

De griffier,

De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Conc.: COH

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.