Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3011

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
AWB 08/5790 en 08/8452
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM4182, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AWB 08/5790 BESLU

Monumentenvergunning voor het restaureren en wijzigen van de indeling van het woon-winkelpand naar horecagelegenheid met bovenwoning.

Bij het verlenen van een monumentenvergunning dienen de belangen van de aanvrager te worden afgewogen tegen de belangen van het beschermde monument. De belangen van een aangrenzend eveneens beschermd monument noch de belangen van de eigenaar spelen daarbij een rol.

Mede gelet op de adviezen van de ARK en de RACM heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de restauratie van het beschermde monument de monumentale waarden nauwelijks aantasten.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat er sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het beschermde monument.

Geen sprake van belangenverstrengeling of vooringenomenheid als gevolg van het feit dat de broer van de architect van vergunninghouder de historische bouwnotitie heeft opgesteld. Vergunningverlening is op zorgvuldige wijze geschied. Beroep ongegrond.

AWB 08/8452 BESLU

Monumentenvergunning voor het wijzigen (maken van een toiletruimte voor een horecagelegenheid) van het rijksmonument Apothekersdijk 37 te Leiden. Aanvraag ingetrokken en vergunning wordt ingetrokken. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/5790 BESLU en 08/8452 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. R.H. Dormeier

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder.

Derde partij: [B], wonende te [plaats], vergunninghouder.

IPROCESVERLOOP

08/5790

Bij besluit van 23 juni 2008 heeft verweerder aan vergunninghouder onder voorwaarden een monumentenvergunning verleend voor het restaureren en wijzigen van de indeling van het woon-winkelpand naar horecagelegenheid met bovenwoning van het in het Rijksregister van beschermde monumenten opgenomen pand [a-straat 1] te [plaats]. Bij voornoemd besluit is voor een aantal onderdelen van de aanvraag de vergunning geweigerd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 1 augustus 2008, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

08/8452

Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft verweerder aan vergunninghouder een monumentenvergunning verleend voor het wijzigen (maken van een toiletruimte voor een horecagelegenheid) van het rijksmonument [a-straat 1] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 november 2008, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

08/5790 en 08/8452

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

De vergunninghouder heeft zijn zienswijze op de beroepen gegeven.

De beroepen zijn op 19 mei 2009 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.H. Dormeier, advocaat te Leiden.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [C] en ing. [D].

Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door ir. [E].

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek is voortgezet op de zitting van de meervoudige kamer van 9 juli 2009.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.H. Dormeier, advocaat te Leiden.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [C] en ing. [D].

Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door ir. [E].

II OVERWEGINGEN

08/8452

Op de zitting van 9 juli 2009 is komen vast te staan dat vergunninghouder zijn aanvraag heeft ingetrokken en dat verweerder bij formeel besluit de verleende monumentenvergunning zal intrekken. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat verweerder niet aan eiser tegemoet gekomen is.

08/5790

Op 20 december 2007 heeft vergunninghouder een monumentenvergunning aangevraagd voor het pand gelegen aan de [a-straat 1]. De aanvraag voor een bouwvergunning is opgeschort tot over de monumentenvergunning is beslist. Het bouwplan betreft de restauratie en verbouw van het pand tot restaurant (kelder, begane grond en opkamer) en woonhuis (verdiepingen).

Eiser is eigenaar en bewoner van het pand gelegen aan de [a-straat 2] te [plaats], dat grenst aan het pand van vergunninghouder. Voorafgaande aan het in beroep bestreden besluit heeft eiser zienswijzen ingediend die verweerder bij zijn beoordeling van de aanvraag van vergunninghouder in zijn besluit heeft betrokken.

Verweerder heeft de aanvraag voor een monumentenvergunning voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK). De ARK heeft de aanvraag om een monumentenvergunning op 8 februari 2008 aangehouden. In hoofdlijnen werd positief geadviseerd, zij het dat de ARK een ander voorstel had voor de resterende muurdammen van de kelder inclusief het raam naar de nieuwe keuken. Ook heeft de ARK gevraagd om een kleine aanpassing van het dakraam, opdat er minimale schade aan de daksporen wordt berokkend. De ARK heeft bij de beoordeling van de aanvraag kennisgenomen van de plananalyse van bureau Monumenten & Archeologie van 23 januari 2008. Op 29 februari 2008 heeft de ARK aangegeven dat vergunninghouder het plan heeft aangepast in overeenstemming met haar advies. De ARK heeft vervolgens een positief advies uitgebracht.

Het hoofd van de regioafdeling West van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) heeft bij brief van 12 februari 2008 deels een positief en deels een negatief advies uitgebracht.

Op grond van deze adviezen en een zelfstandige beoordeling van het plan heeft verweerder een monumentenvergunning geweigerd ten aanzien van het verwijderen van de verflaag van de gevel door middel van de wervelmethode en het toepassen van dubbel glas in de pui.

Er is vergunning overeenkomstig de tekeningen verleend onder de volgende - verkort weergegeven - voorwaarden:

- dat de definitieve methode voor het verwijderen van de verflaag ter goedkeuring aan het college wordt voorgelegd;

- dat het eventueel overschilderen van de bestaande verflaag mag worden uitgevoerd nadat uit onafhankelijk onderzoek is gebleken dat de bestaande verflaag en overschildering daarvan geen schade van de gevel tot gevolg heeft;

- dat de nieuw te plaatsen dakvensters niet groter mogen zijn dan 78 x 98 cm;

- dat het isoleren met een dun pakket aan de buitenzijde van het dak geen aansluitingsproblemen veroorzaakt ter plaatse van de aansluitingen van goten, gevels en dakkapel;

- dat de ontbrekende pannen (na controle) worden aangevuld met pannen van hetzelfde type en kleur als de bestaande.

Eiser heeft - zakelijk en verkort weergegeven - de volgende beroepsgronden ingebracht tegen de monumentenwetvergunning.

1. De monumentenwetvergunning had niet los van de monumentenwetvergunning in de zaak 08/8452 mogen worden behandeld en verleend. Ze hebben betrekking op twee onderliggende bouwplannen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Doordat in het bouwplan dat ten grondslag ligt aan de monumentenvergunning in deze procedure wordt geanticipeerd op het volgende bouwplan, is niet duidelijk waarvoor de monumentenwetvergunning wordt verleend. De monumentenvergunning dient om die reden te worden vernietigd.

2. De onduidelijkheden betreffen met name de doorbraak van een deel van de noordelijke gevel van de opkamer naar het plaatsje, althans de opvulling daarvan met kalkzandsteen. Er zijn verschillende, van elkaar afwijkende bouwtekeningen. Op deze bouwtekeningen zijn de ramen van eiser bovendien fout ingetekend. De nagekomen gewijzigde bouwtekening kan niet meer worden meegenomen. Vergunninghouder dient een nieuwe aanvraag in te dienen.

3. Door ernstige tekortkomingen in de documenten, zoals de bouwhistorische notitie, die aan het besluit en het advies van de ARK ten grondslag liggen, is het besluit onjuist. De opsteller van de bouwhistorische notitie is een broer van de architect van vergunninghouder. Er is daarom sprake van belangenverstrengeling.

4. De verbinding van de opkamerruimte met de ruimte tussen de bergvloer en de daarboven aan te brengen hogere overkapping van het plaatsje is in strijd met de eigendomssituatie ter plaatse en tast de belangen van eiser aan, als rechtmatige gebruiker van het terras op de overkapping boven het plaatsje.

5. Het gebruik van de ruimte tussen de (voormalige) bergvloer en de verhoogde overkapping als restaurant zal tot geluidsoverlast leiden.

6. Ook het dichtbouwen van de vide is in strijd met de eigendomssituatie, althans met de belangen van eiser. Het dichtbouwen van de vide vraagt om inbalking in de oostelijke gevel, die van eiser is. De bergvloer dient te steunen in een eigen bouwmuur van vergunninghouder.

7. Het is niet toelaatbaar dat dampen van het restaurant worden uitgeblazen in de ruimte boven de overkapping of dat afblaasapparatuur wordt bevestigd aan belendende gevels.

8. Het plan van vergunninghouder om in de kelder twee toiletten te bouwen is in strijd met de eigendomssituatie. Een van de toiletten is ingebouwd op grond die in eigendom is van eiser.

9. De geplande verbouwing zal de monumentale waarde van het pand aantasten en eisers belangen als eigenaar van het buurpand schaden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de plananalyse blijkt dat de grootste aantasting van de monumentale waarden van het pand worden veroorzaakt door het maken van een zelfstandige toegang voor de woning op de verdiepingen. De wijzigingen die een te grote aantasting tot gevolg zouden hebben zijn geweigerd in het besluit. De overige wijzigingen hebben nauwelijks gevolgen voor het monument, omdat de structuur en de monumentale waarden er niet of nauwelijks door worden aangetast. De wijzigingen zijn vanuit het oogpunt van het gebruik van het monument in relatie tot de mate van aantasting van het monument acceptabel. De beroepsgronden hebben voor een deel geen betrekking op het bestreden besluit of zijn van privaatrechtelijke aard. Volgens verweerder zijn geen gronden aangevoerd waaruit blijkt dat de wijziging van het monument een zodanige ruimtelijke uitstraling heeft dat hierdoor de belangen van eiser, als eigenaar van het buurpand, worden aangetast.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de monumentenvergunning in deze procedure los kan worden beoordeeld van de monumentenvergunning in de zaak 08/8452. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de onderliggende bouwplannen niet onlosmakelijk met elkaar verbonden. De realisering van het bouwplan, dat aan de monumentenvergunning in deze procedure ten grondslag ligt, is niet afhankelijk van de realisering van het bouwplan in de zaak 08/8452. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt (beroepsgrond onder 1) dat de monumentenvergunning moet worden vernietigd.

Voorts heeft vergunninghouder, in verband met de intrekking van de monumentenvergunning in 08/8452, bij brief van 15 juni 2009 een gewijzigde bouwtekening BT-2, van 10 juni 2009 'Bestektekening: nieuwe situatie' overgelegd. Deze tekening is ter zitting besproken. In deze tekening wordt de bestaande situatie in de noordelijke gevel van de opkamer naar het plaatsje gehandhaafd. Er wordt niet doorgebroken of een opening gemaakt naar buiten. Aan de binnenzijde wordt een voorzetwand geplaatst.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat voor deze wijziging geen nieuwe vergunningprocedure hoeft worden doorlopen, omdat de bestaande situatie niet wordt gewijzigd en de plaatsing van de voorzetwand geen gevolgen heeft voor de monumentale waarde van het pand. Eiser kan niet gevolgd worden in zijn standpunt (beroepsgrond 2) dat vergunninghouder een nieuwe aanvraag had moeten indienen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de grieven van eiser, voorzover zij in deze procedure naar voren zijn gebracht, maar uitsluitend betrekking hebben op het bouwplan en de monumentenvergunning in de zaak 08/8452, bij gebrek aan belang niet ter toetsing aan de rechtbank voorgelegd kunnen worden. Kort gezegd moet voorbij worden gegaan aan de beroepsgronden van eiser die zien op de verhoging van de overkapping boven het plaatsje (grief 4).

Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet gebleken van belangenverstrengeling of vooringenomenheid als gevolg van het feit dat de broer van de architect van vergunninghouder de historische bouwnotitie heeft opgesteld. De rechtbank kan zich verenigen met het antwoord van verweerder in zijn brief van 25 juni 2009 op de vragen van deze rechtbank omtrent mogelijke belangenverstrengeling. Gelet op hetgeen verweerder heeft aangevoerd over de totstandkoming van de bouwnotitie en de betekenis daarvan bij de besluitvorming door verweerder, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vergunningverlening op zorgvuldige wijze is geschied. De beroepsgrond van eiser (grief 3) slaagt dan ook niet.

Voor de overige beroepsgronden geldt het volgende.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een verleende vergunning:

a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken, of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

De rechtbank stelt voorop dat in de afweging of een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 voor een beschermd monument zal worden verleend, de belangen van een aangrenzend eveneens beschermd monument noch de belangen van de eigenaar daarvan een rol kunnen spelen. De Monumentenwet 1988 laat bij de beoordeling van een aanvraag om een monumentenvergunning geen ruimte voor het meewegen van belangen van een belendend monument. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Monumentenwet 1988 blijkt dat bij het verlenen van een vergunning op grond van artikel 11 in het concrete geval de belangen van de aanvrager dienen te worden afgewogen tegen de belangen van het beschermde monument (Kamerstukken II 1986/87, 19 881, nr. 3, p. 20). Het belang van een belendend monument valt daar niet onder. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 oktober 2007 (LJN: BB5236).

Hieruit volgt dat de beroepsgronden van eiser dat zijn belangen worden aangetast door het dichtbouwen van de vide en het realiseren van de toiletten in de kelder niet in deze procedure aan de orde kunnen komen. Hetzelfde geldt voor de beroepsgronden die betrekking hebben op geluidsoverlast en afzuigapparatuur.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de verleende monumentenvergunning niet in stand kan blijven. Gelet ook op de adviezen van de ARK en de RACM heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de restauratie van het beschermde monument de monumentale waarden nauwelijks aantasten.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat er sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het beschermde monument.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

IIIBESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juni 2008 niet-ontvankelijk;

verklaar het beroep tegen het besluit van 2 oktober 2008 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. I.A.M. Kroft, mr. M.A. Dirks en mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.F. Aalst.

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.