Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK2224

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-10-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
AWB 08/44150
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ongewenstverklaring; verblijfsrichtlijn; openbare orde

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vreemdelingenwet 2000 68
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 8.7
Vreemdelingenbesluit 2000 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/452
Ars Aequi RV20090032 met annotatie van H. Oosterom-Staples

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 08/44150

V-nr: 270.705.1254

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

eiser [naam], geboren [datum] in 1980, van Bosnische nationaliteit, wonende te Antwerpen,

gemachtigde: mr. G.G.J. Adang, advocaat te Utrecht,

en:

de staatssecretaris van Justitie,verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Kras, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2006 heeft verweerder eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van Vreemdelingenwet (Vw) 2000, ongewenst verklaard. Eiser heeft hiertegen op 9 november 2006 een bezwaarschrift ingediend dat op 5 december 2006 is ingetrokken.

Eiser heeft op 8 april 2008 een aanvraag ingediend tot opheffing van de ongewenstverklaring. Op 9 juni 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Bij besluit van 15 december 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Op 17 december 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [naam] B, eisers echtgenote.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

De rechtbank gaat in deze procedure uit van de volgende feiten.

Op 19 oktober 2007 is eiser gehuwd met de Nederlandse [naam] B. Zij wonen samen in België. De autoriteiten van België hebben eiser in het bezit gesteld van een verblijfsdocument voor “verblijf als familielid van een burger van de Unie”, afgegeven op 19 september 2008, geldig tot 19 september 2013. Verweerder heeft bij besluit van 9 januari 2009 besloten eisers signalering in het Schengen Informatie Systeem (SIS) op te heffen omdat aan hem door België verblijf is toegestaan.

3. Overwegingen

1. Verweerder heeft zich - kort samengevat - op het volgende standpunt gesteld.

Eisers ongewenstverklaring zal niet worden opgeheven omdat niet is gebleken dat eiser voldoet aan de vereisten van artikel 6.6 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Omdat eiser en zijn echtgenote in België verblijven en geen aanvraag om toelating tot Nederland hebben ingediend, zal niet eerder dan bij terugkeer naar Nederland worden bezien of de ongewenstverklaring van eiser in het licht van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de Verblijfsrichtlijn) dient te worden opgeheven. Eisers beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ) van 31 januari 2006 in de zaak Commissie tegen Spanje (LJN:AV7582), slaagt niet omdat eiser niet de toegang is geweigerd. Eisers omstandigheden verschillen van die in het Jipa-arrest van het HvJ van 10 juli 2008 (LJN:BE9814) omdat het in het arrest niet ging om een derdelander maar om een persoon die inmiddels zelf behoorde tot een lidstaat van de Unie.

2. Eiser heeft hiertegen - kort samengevat en voor zover van belang - het volgende aangevoerd.

Verweerder vereist voor de opheffing van de ongewenstverklaring ten onrechte dat eiser aantoont dat hij tenminste vijf jaar buiten Nederland heeft verbleven. Eiser woont samen met zijn Nederlandse echtgenote in België. Gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn, is deze richtlijn en het daarin neergelegde openbare ordecriterium op eiser van toepassing. Eiser verwijst voor de uitleg daarvan naar het het arrest Boucherau van 28 september 1977 (LJN: BE4391). De stelling van verweerder dat opheffing van de ongewenstverklaring pas mogelijk is als de inreis van eiser aan de orde is ontneemt het nuttig effect aan het circulatierecht aangezien dit uitsluit dat eiser zijn echtgenote al tijdens verblijven van minder dan drie maanden als bedoeld in artikel 5 van de Verblijfsrichtlijn kan vergezellen. Ook is sprake van een belemmering van het inreisrecht als gegarandeerd in artikel 5 van de Verblijfsrichtlijn. De Nederlandse ambassade te Brussel heeft inmiddels geweigerd eisers aanvraag voor een inreisvisum in behandeling te nemen.

3. Artikel 3, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn bepaalt dat deze richtlijn van toepassing is ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, onder punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

4. Artikel 27, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn bepaalt dat onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, kunnen beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.

Ingevolge het tweede lid moeten de om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen.

Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.

5. Artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000 bepaalt dat de artikelen 8.7 tot en met 8.25 van het Vb 2000 van toepassing zijn op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een lidstaat en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Artikel 8.7, tweede lid, van het Vb 2000 bepaalt - voor zover van belang - dat die artikelen eveneens van toepassing zijn op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft de echtgenoot.

6. Artikel 8.8, eerste lid, van het Vb 2000 bepaalt - voor zover van belang, dat aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.7, die in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, de toegang tot Nederland slechts kan worden geweigerd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, dan wel volksgezondheid:

a. indien de vreemdeling op grond van zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt;

b. (…);

c. indien hij om redenen van de openbare orde of openbare veiligheid uit Nederland is verwijderd en sinds de verwijdering nog geen redelijke termijn is verstreken.

7. Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Vw 2000 - voor zover van belang - kan de Minister op aanvraag van de vreemdeling besluiten tot opheffing van de ongewenstverklaring.

8. Ingevolge artikel 6.6, eerste lid, van het Vb 2000 - voor zover van belang - wordt de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in ieder geval ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging ter zake van misdrijf is onderworpen en ongewenst verklaard is naar aanleiding van andere misdrijven dan geweldsdelicten of opiumdelicten en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven.

10. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen rechten kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn omdat eiser en zijn echtgenote in België verblijven en geen aanvraag om toelating tot Nederland hebben ingediend.

10.1 In dat kader dient in de eerste plaats beoordeeld te worden of artikel 8.7 van het Vb 2000, zoals die bepaling door verweerder wordt uitgelegd, een juiste implementatie van de Verblijfsrichtlijn bevat.

10.2 De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 april 2008 (LJN: BD0949) en van 7 juli 2009 (LJN: BJ2237). Voorop staat dat naar vaste rechtspraak van het HvJ de personele werkingssfeer van de EG-rechtelijke bepalingen inzake materiële en procedurele waarborgen rond verwijdering en toegangsweigering om redenen van openbare orde ruim moet worden uitgelegd.

Het is verder vaste rechtspraak van het HvJ dat de uitzondering van openbare orde een afwijking vormt van het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van personen die strikt moet worden opgevat, en waarvan de reikwijdte niet eenzijdig door de lidstaten kan worden bepaald. Deze restrictieve uitleg van het begrip openbare orde beschermt tevens het recht op gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, ingeval dat samenvalt met het recht op vrij verkeer van personen.

10.3 Naar het oordeel van de rechtbank is het begunstigdenbegrip van artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn ruimer dan hetgeen is bepaald in artikel 8.7 van het Vb 2000. Artikel 8.7 van het Vb 2000 beperkt de werkingssfeer van de Verblijfsrichtlijn, anders dan artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn, tot vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (…) en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank brengt artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn, anders dan artikel 8.7 van het Vb 2000, niet met zich dat in een situatie als hier aan de orde, waarin een burger van de Unie woont in een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit bezit, de Verblijfsrichtlijn toepassing ontbeert. Nu nationale bepalingen conform de Verblijfsrichtlijn uitgelegd dienen te worden is de rechtbank dan ook van oordeel dat het standpunt van verweerder dat eiser niet valt onder het bereik van artikel 8.7 van het Vb 2000 en dus geen rechten kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn omdat hij en zijn echtgenote in België wonen, niet als juist kan worden aanvaard.

10.4 Voor dit oordeel vindt de rechtbank in de eerste plaats steun in de omstandigheid dat verweerders uitleg van artikel 8.7 van het Vb 2000 meebrengt dat een unieburger en haar

derdelandse echtgenoot die zich naar een andere lidstaat dan Nederland hebben begeven, in Nederland ongewenst verklaard zou kunnen worden zonder toepassing van het restrictieve EG-rechtelijke openbare ordecriterium. Deze consequentie strookt noch met de tekst van artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn noch met het uitgangspunt van een ruime uitleg die aan de bepalingen over de personele werkingssfeer moet worden gegeven voor zover het de exceptie van de openbare orde betreft.

10.5 De rechtbank constateert verder dat het standpunt van verweerder meebrengt dat eiser om zijn inreisrecht in Nederland te effectueren eerst met zijn echtgenote naar de Nederlandse grens moet reizen. Daar zal hem de toegang worden geweigerd op grond van artikel 8.8, eerste lid, onder c, van het Vb 2000. Vervolgens zal eiser om opheffing van zijn ongewenstverklaring moeten vragen. In die procedure zal worden onderzocht of eiser een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde zoals bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Deze procedure zal eiser buiten de landsgrenzen dienen af te wachten.

10.6 De rechtbank overweegt dat uit het beginsel van effectieve werking volgt dat de bepalingen van het gemeenschapsrecht dienen te worden toegepast op een wijze die bijdraagt aan de effectiviteit van het systeem, en zo dienen te worden uitgelegd dat de daarin gewaarborgde rechten niet theoretisch of illusoir, maar praktisch en effectief zijn. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van 20 september 1990 van het HvJ in de zaak Sevince (NJ 1992, 75). Daaruit volgt onder meer dat een rechthebbende zich op de voor hem minst bezwarende wijze moet kunnen beroepen op de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde rechten. In de door verweerder voorgeschreven werkwijze waarbij eiser zich dient te melden aan de Nederlandse grens zodat beoordeeld kan worden of eisers ongewenstverklaring dient te worden opgeheven, wordt de voorgeschreven effectiviteit volgens de rechtbank niet gerealiseerd.

10.7 Ten derde vindt de rechtbank voor haar oordeel bevestiging in de rechtspraak van het HvJ en met name in het hiervoor vermelde arrest van 31 januari 2006 in de zaak Commissie tegen Spanje. Daarin is geoordeeld dat een overeenkomstsluitende staat bij een onderdaan van een derde staat die is gehuwd met een onderdaan van een lidstaat pas mag overgaan tot signalering in het SIS nadat de lidstaat heeft vastgesteld dat de aanwezigheid van deze persoon een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast in de zin van de richtlijn. Om die reden dient de opneming in het SIS te worden gestaafd door inlichtingen aan de hand waarvan de lidstaat die het SIS raadpleegt kan vaststellen of de aanwezigheid van betrokkene in de Schengenruimte een werkelijke en genoegzame bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (zie rechtsoverweging 52 en 53).

10.8 Hieruit volgt dat verweerder op grond van artikel 8.7. van het Vb 2000, in samenhang met artikel 8.8, eerste lid, onder a, van het Vb 2000, uitgelegd conform artikel 3 en artikel 27 van de Verblijfsrichtlijn, dient te onderzoeken of de ongewenstverklaring van eiser de toets aan het EG-rechtelijke openbare ordecriterium kan doorstaan. Die toets mag niet worden uitgesteld tot het moment waarop eiser zich daadwerkelijk naar de Nederlandse grens begeeft.

11. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien. Verweerder heeft zich immers nog niet uitgelaten over de vraag of eiser op grond van zijn persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Verweerder zal zich in het nieuwe besluit eveneens moeten uitlaten over de vraag of de proceskosten in bezwaar worden vergoed.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1) en € 60,40 als reiskosten van eiser op basis van openbaar vervoer tweede klasse van Antwerpen naar Amsterdam.

13. Op grond van artikel 8:74 van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt.

4. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,- (zeshonderdvierenveertig euro, te betalen aan de griffier;

- veroordeelt verweerder in de reiskosten van eiser, begroot op € 60,40 te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 145,-- (honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen - van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken

op 2 oktober 2009.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: EW

Coll.: MP

D: C

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

.