Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK2169

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
2009/15951
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL1657, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van zijn beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat in Bagdad sprake is van een uitzonderlijke situatie. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser verwezen naar de Eligibility guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum seekers van de UNHCR van april 2009.

De rechtbank stelt vast dat in het noorden van Centraal-Irak, Bagdad, West-Irak en enkele delen van Zuid-Irak sprake is van een gewapend conflict. De rechtbank stelt vervolgens vast dat in het algemeen ambtsbericht van mei 2009 wordt geconstateerd dat de veiligheidssituatie in onder meer Bagdad in de verslagperiode van juli 2008 tot en met april 2009 zeer onstabiel was. Er vonden regelmatig ernstige geweldsincidenten plaats, waaronder zware bomaanslagen. Daarnaast werden burgers geconfronteerd met schietpartijen, moordaanslagen, ontvoeringen, bedreigingen en intimidatie. In zoverre komen de bevindingen in het algemeen ambtsbericht overeen met die van de UNHCR in de Eligibility Guidelines. Geconstateerd moet dan ook worden dat het verschil tussen de UNHCR en verweerder, met name zit in de daaraan gegeven waardering. Voor zover de UNHCR de veiligheidsituatie in Bagdad anders beoordeelt dan verweerder, overweegt de rechtbank dat de veiligheidssituatie in Irak zeer complex is en op uiteenlopende wijze gewaardeerd kan worden. De omstandigheid dat de UNHCR de situatie anders waardeert geeft dan ook geen reden om te oordelen dat verweerder op basis van die informatie niet tot de conclusie is kunnen komen dat er zich geen uitzonderlijke situatie voordoet in Bagdad. Niet kan worden gezegd dat genoemd ambtsbericht geen grondslag biedt voor de door verweerder daaraan, anders dan de UNHCR, verbonden conclusie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 09 / 15951

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[naam], eiser,

gemachtigde mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij fax van 1 mei 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 april 2009. Bij dit besluit heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) te verlenen.

1.2. Bij schrijven van 4 juni 2009 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

1.4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op

30 september 2009, alwaar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M.W. Jans. Als tolk is verschenen N. den Heijer.

2. Overwegingen

2.1. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Iraakse nationaliteit, heeft op 24 juli 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

2.2. Ter onderbouwing van voormelde aanvraag heeft eiser aangevoerd dat hij werkte

in het bedrijf van zijn vader. Zijn vader was directeur van het Amerikaanse bedrijf [naam 1]. Op 6 april 2008 werd er ingebroken in het bedrijf. Hierbij werden onder meer contracten tussen het bedrijf en het Ministerie van Olie ontvreemd en werd door de inbrekers een dreigbrief achtergelaten, waarop werd aangegeven dat ze het bedrijf moesten sluiten. Eisers vader heeft daarop het bedrijf gesloten. Vervolgens werden eiser en zijn gezin vanuit een tegenovergelegen woning door hun nieuwe overburen in de gaten gehouden en ook werden zij twee keer telefonisch bedreigd met de dood als zij niet hun woning zouden verlaten. Op 29 april 2008 is de woning van eiser beschoten, waarna hij een dag later zijn land van herkomst heeft verlaten. Eiser vermoedt dat deze bedreigingen uitgingen van het [naam 2] leger of de [naam 3] organisatie.

2.2. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen, op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

2.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting richt het beroep van eiser zich tegen verweerders besluit voor zover verweerder daarbij aan eiser een verblijfsvergunning op – kort gezegd – de a en b grond van artikel 29 van de Vw 2000 heeft onthouden.

2.4. In het onderhavige beroep staat ter beoordeling of het besluit van 9 april 2009 in zoverre de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.5. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000

“1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; (…).”

2.6. Voor zover hier van belang luidt artikel 1 van de Vw 2000:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(..)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967, 76);

l. Verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn;”

2.7. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.8. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

2.9. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. Het ter zake gevoerde beleid is neergelegd in onderdeel C4/3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000).

2.10. Documenten die de reisroute onderbouwen zijn volgens onderdeel C 4/3.6.2 van de Vc 2000 in de eerste plaats de reisdocumenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft tijdens de reis naar Nederland. In de tweede plaats kan de reisroute worden onderbouwd met alle andere documenten en bescheiden op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de vreemdeling heeft gevolgd. Verklaringen die inhouden dat een vreemdeling geen documenten heeft en niets meer weet van de reisroute zijn volgens onderdeel C4/3.6.3

van de Vc 2000 niet geloofwaardig. In het geval dat een vreemdeling geen documenten inzake de reisroute over heeft gelegd maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten wel consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen aflegt, geeft hij blijk van de wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute.

2.11. Verweerder heeft eiser, naar het oordeel van de rechtbank, in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat hij geen documenten heeft overgelegd om zijn reisroute te kunnen vaststellen. Verweerder heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat eiser heeft verklaard dat hij de op zijn reis per vliegtuig van Irak naar Turkije betrekking hebbende vliegtickets in Turkije heeft weggegooid. Verweerder heeft eisers verklaring dat hij de documenten heeft weggegooid omdat hij ze niet meer nodig had en hij op dat moment niet wist welk belang de Nederlandse autoriteiten aan het overleggen van deze documenten hecht bij de beoordeling van zijn relaas, als onvoldoende van de hand mogen wijzen. Van een vreemdeling die elders om bescherming zoekt, mag worden verwacht dat hij weet, althans kan weten, dat hij zijn reisroute zo veel als mogelijk met bescheiden onderbouwt. De door eiser bij zienswijze van 19 maart 2009 overgelegde verklaring van het reisbureau [naam 4] te Bagdad, inhoudende dat aan eiser retourtickets zijn afgegeven voor een vlucht van Bagdad naar Istanbul op 30 april 2009, geeft geen reden om te oordelen dat verweerder in redelijkheid het ontbreken van reisdocumenten niet langer aan eiser heeft mogen tegenwerpen. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat uit genoemde verklaring, geenszins blijkt dat eiser daadwerkelijk deze vlucht heeft gemaakt op de door hem gestelde datum.

2.12. Voorts heeft verweerder eiser, naar het oordeel van de rechtbank, in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat hij ter onderbouwing van zijn asielrelaas niet de na de inbraak in het bedrijf aangetroffen dreigbrief, waarin was neergelegd dat eisers vader zijn bedrijf moest sluiten, heeft overgelegd. De door eiser afgelegde verklaring dat hij deze brief heeft vernietigd omdat hij bang en geschrokken was, maakt niet dat verweerder het ontbreken van de dreigbrief niet heeft mogen tegenwerpen. Eiser wist, althans had kunnen weten, dat hij deze voor de onderbouwing van zijn asielrelaas essentiële brief zorgvuldig moest bewaren. Eisers verwijzing naar de diverse door hem wel overgelegde documenten maakt het vorenstaande niet anders. Het is immers vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat het primair de verantwoordelijkheid van verweerder is om te bepalen of en in hoeverre bij de beslissing op de aanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde, doch niet gestaafde feiten. De beslissing welke documenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag en ter onderbouwing daarvan hadden kunnen en moeten worden overgelegd, maakt deel uit van die beoordeling. Niet kan worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de hierboven omschreven documenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het relaas.

2.13. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser toerekenbaar geen reis- en asieldocumenten heeft overgelegd. Een en ander betekent dat op eiser een hogere bewijslast rust inzake het aannemelijk maken van de door hem gestelde feiten en de daaraan te ontlenen vermoedens hetgeen hem te wachten zou staan bij terugkeer naar zijn land van herkomst en het asielrelaas een positieve overtuigingskracht dient te hebben.

2.14. Uit het besluit, de daarop bij het verweerschrift gegeven toelichting en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder is uitgegaan van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser inzake zijn werkzaamheden voor genoemd bedrijf, het bekeken worden door de nieuwe overburen, de telefonische bedreigingen en de beschieting. Verweerder heeft hieraan echter niet de conclusie verbonden dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat eisers verklaring dat leden van het [naam 2] leger of de [naam 3] organisatie, hier achter zouden zitten, enkel berust op een vermoeden, zonder dat dit standpunt genoegzaam is onderbouwd of geconcretiseerd. Eiser ontleent dit vermoeden onder meer aan de snelle terugkeer van de overburen in het pand nadat zij waren meegenomen door de politie, alhoewel zij in het huis illegaal zouden verblijven. De door eiser genoemde organisaties zouden goede banden hebben met de politie hetgeen de snelle terugkeer zou verklaren. De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat verweerder dit aan de gebeurtenissen te ontlenen vermoeden niet geloofwaardig heeft kunnen achten. Daartoe heeft verweerder mede van belang kunnen achten dat niet is gebleken hoe eiser aan zijn kennis omtrent het illegale verblijf van de overburen is gekomen. Daarnaast heeft verweerder van belang kunnen achten dat blijkens de door eiser afgelegde verklaring zijn moeder toen zij de dreigtelefoontjes aannam, niet wist met wie zij sprak. Voorts heeft verweerder aan zijn besluit ten grondslag kunnen leggen dat er geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging dan wel een onmenselijke behandeling bij gebreke aan voldoende causaal verband tussen de verschillende gebeurtenissen in die zin dat dezelfde actoren achter de verschillende gebeurtenissen zouden zitten.

2.15. Eiser heeft onder meer nog aangevoerd dat het niet van belang is door welke organisatie hij werd bedreigd, nu uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken betreffende Irak van mei 2009 blijkt dat personeel werkzaam voor buitenlandse organisaties doelwit van geweld zijn, waarbij niet valt aan te geven wie daarvoor verantwoordelijk is. Echter naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat eiser in de bijzondere negatieve aandacht staat van een bepaalde groepering. Voor zover eiser meent hiermee aan te geven dat hij reeds op grond van het behoren tot een bepaalde risicogroep een geslaagd beroep op vluchtelingschap kan doen, wordt die stelling van de hand gewezen. Het behoren tot een bepaalde risicogroep betekent enkel dat reeds op grond van geringe indicaties geconstateerd kan worden dat er sprake is van een gegrond beroep op vluchtelingschap dan wel een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Het individualiseringsvereiste wordt daarmee echter niet opzij gezet. Voor zover eiser heeft gesteld dat er wel een verband moet zitten tussen de verschillende gebeurtenissen, nu het iets te veel incidenten op een korte tijd zijn om nog van toevalligheden te kunnen spreken en de incidenten eerst een aanvang hebben genomen nadat bekend was geworden dat eiser voor een Amerikaans bedrijf werkte, heeft verweerder kunnen stellen dat hieruit nog altijd niet volgt dat de gebeurtenissen met elkaar in verband stonden. Daarbij heeft verweerder waarde kunnen hechten aan de omstandigheid dat uit de door eiser afgelegde verklaringen niet blijkt dat er bij de telefonische bedreigingen op enigerlei wijze is gerefereerd aan de inbraak of dat de bedreigingen daarmee anderszins verband houden. Hetzelfde geldt voor de beschieting. Voor zover eiser ter zitting heeft gesteld dat hij in het nader gehoor (p. 8 en 9) wel verklaringen heeft afgelegd hoe hij aan de wetenschap is gekomen dat er sprake was van illegale bewoning door de overburen, overweegt de rechtbank dat zij hiervoor op de door eiser aangewezen pagina’s van het rapport van nader gehoor, maar ook elders in dat gehoor, geen aanknopingspunten heeft aangetroffen.

2.16. Het voorgaande in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit in redelijkheid heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser geen positieve overtuigingskracht heeft.

2.17. Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft besloten dat eiser op grond van zijn individuele relaas geen verdragsvluchteling is en dat niet aannemelijk is geworden dat eiser bij gedwongen terugkeer zal worden onderworpen aan een in verschillende verdragen neergelegde verboden behandeling. Verweerder heeft hem derhalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a en b, van de Vw 2000 kunnen weigeren.

2.18. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Definitierichtlijn), overweegt de rechtbank vervolgens als volgt.

2.19. Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn wordt in die richtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

2.20. Volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.21. Volgens artikel 18 van de Definitierichtlijn verlenen lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

2.22. In de uitspraak van 25 mei 2009 (LJN: BI4791) heeft de Afdeling geoordeeld dat uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 in zaak C 465/07 (JV 2009/111), gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, kan worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet volgens de Afdeling in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden worden bestreken en laatstgenoemde bepaling gezien de daaraan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008, nr. 25904, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk; JV 2008/329 ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

2.23. De rechtbank ziet geen aanleiding om de Afdeling niet te volgen in haar oordeel en overweegt in dit kader voorts als volgt.

2.24. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat in Bagdad sprake is van een uitzonderlijke situatie in vorenbedoelde zin. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in zijn aanvullend beroepschrift verwezen naar de Eligibility guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum seekers van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: UNHCR) van april 2009, in welke Guidelines voor zover van belang het volgende is vermeld:

”In those countries in which such asylum-seekers are not recognized under the 1951 Convention because of the way the Convention criteria are interpreted, international protection should be afforded through the application of an extended refugee definition, where this is available, or otherwise through a complementary form of protection. In such cases, UNHCR considers that asylum-seekers originating from the five Central Governorates who are found not eligible for refugee status should be considered to be at risk of serious harm in the situation of armed conflict which is ongoing in Iraq and should, therefore, be accorded a form of complementary protection.”

Verder is in de voetnoot bij deze alinea vermeld:

”In the European Union, where the term “subsidiary protection” is used, UNHCR considers that asylumseekers originating from the Central Governorates of Baghdad, Diyala, Kirkuk, Ninewa and Salah Al-Din who are not found to be refugees should receive subsidiary protection under Article 15(c) of the EU Qualification Directive (Council Directive 2005/85/EC of 1 December 2005 on Minimum Standards on Procedures in Member States for Granting and Withdrawing Refugee Status, 2 January 2006. http://www.unhcr.org/refworld/docid/4394203c4.html). Applying the reasoning of the European Court of Justice in Elgafaji v. Netherlands State Secretary of Justice (Case C-465/07, 17 February 2009, http://www.unhcr.org/refworld/docid/499aaee52.

html), UNHCR considers the degree of violence which characterizes the ongoing armed conflict in those areas to be of such a high level that there are substantial grounds for believing that a civilian, if returned to those areas, would, solely because of his/her presence in those areas, face a real risk of being subject to a serious and individual threat to his/her life or person.”

2.25. Verweerder heeft zich in het verweerschrift dienaangaande op het standpunt gesteld dat in Irak geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter door hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op een behandeling of bestraffing die door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. Dit wordt volgens verweerder bevestigd door de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) inzake F.H. tegen Zweden van 20 januari 2008 (JV 2009/74) en NA tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 juli 2008 (JV 2008/329).

2.26. Tijdens de behandeling ter zitting heeft verweerder in aanvulling op de door hem op dit punt gegeven motivering naar voren gebracht dat de UNHCR weliswaar dient te worden aangemerkt als gezaghebbende bron, doch dat verweerder de UNHCR niet volgt in haar betoog dat elke Iraakse asielzoeker afkomstig uit de in 2.24 genoemde vijf provincies in aanmerking moet komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Hoewel de veiligheidssituatie in met name in de door de UNHCR genoemde provincies slecht en zorgelijk is te noemen, is verweerder van oordeel dat de veiligheidssituatie zoals omschreven in de UNHCR Guidelines en in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van mei 2009 niet zodanig is dat elke vreemdeling die terugkeert naar deze gebieden een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en daarmee met artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Onder verwijzing naar de reeds in het verweerschrift aangehaalde jurisprudentie heeft verweerder daarbij voorts te kennen gegeven dat uit die jurisprudentie naar voren komt dat een dergelijke situatie zich slechts bij zeer uitzonderlijke omstandigheden zal voordoen. Het moet gaan om “the most extreme cases of general violence”. Verweerder baseert zich hierbij op de informatie zoals omschreven in het UNHCR-rapport zelf en op de informatie uit het algemeen ambtsbericht van mei 2009. De UNHCR en verweerder gaan, aldus verweerders gemachtigde, bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een uitzonderlijke situatie uit van een nagenoeg gelijke algehele feitelijke situatie. Het verschil tussen de UNHCR en verweerder is de aan die situatie te verbinden kwalificatie.

2.27. De rechtbank overweegt met betrekking tot het voorgaande als volgt.

2.28. Blijkens het ambtsbericht is er in het noorden van Centraal-Irak, Bagdad, West-Irak en enkele delen van Zuid-Irak sprake van een gewapend conflict. De rechtbank stelt vervolgens vast dat in het algemeen ambtsbericht wordt geconstateerd dat de veiligheidssituatie in onder meer Bagdad in de verslagperiode van juli 2008 tot en met april 2009 zeer onstabiel was. Er vonden regelmatig ernstige geweldsincidenten plaats, waaronder zware bomaanslagen. Daarnaast werden burgers geconfronteerd met schietpartijen, moordaanslagen, ontvoeringen, bedreigingen en intimidatie (p. 16-17). In zoverre komen de bevindingen in het algemeen ambtsbericht overeen met die van de UNHCR in de Eligibility Guidelines. Geconstateerd moet dan ook worden dat het verschil tussen de UNCR en verweerder, zoals verweerder ook heeft gesteld, met name zit in de daaraan gegeven waardering. Voor zover de UNHCR de veiligheidsituatie in Bagdad anders beoordeelt dan verweerder, overweegt de rechtbank dat de veiligheidssituatie in Irak zeer complex is en op uiteenlopende wijze gewaardeerd kan worden. De omstandigheid dat de UNHCR de situatie anders waardeert geeft dan ook geen reden om te oordelen dat verweerder op basis van die informatie niet tot de conclusie is kunnen komen dat er zich geen uitzonderlijke situatie voordoet in Bagdad. Niet kan worden gezegd dat genoemd ambtsbericht geen grondslag biedt voor de door verweerder daaraan, anders dan de UNHCR, verbonden conclusie.

2.29. De rechtbank zal het beroep derhalve ongegrond verklaren.

2.30. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

2.31. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. B.W.P.M. Corbey-Smits in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2009

w.g. mr. D.D.R.H. Lechanteur, w.g. mr. B.W.P.M. Corbey-Smits,

griffier rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 2 november 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.