Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1866

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
AWB 07/18144 BETPDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wetsartikelen: 29, eerste lid onder b Vw, 3 EVRM, 15c Definitierichtlijn

Trefwoorden: Asiel, Somalië, Ashraf, subsidiaire bescherming, persoonlijke omstandigheden.

Samenvatting: Eiseres is een alleenstaande vrouw, afkomstig uit Mogadishu, Somalië en behoort tot de Ashraf.

Op grond van de uitgangspunten van het EHRM bij beoordeling van een beroep op artikel 3 van het EVRM, zoals neergelegd in rechtsoverwegingen 116 en 117 in het arrest van 17 juli 2008 in de zaak NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, is de rechtbank van oordeel dat een vreemdeling geen aanvullende bijzondere persoonlijke omstandigheden hoeft aan te voeren indien de vreemdeling tot een groep behoort waarvoor gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat leden van die groep systematisch worden blootgesteld aan schendingen van artikel 3 van het EVRM. Dergelijke gegronde redenen kunnen onder andere en eventueel uitsluitend zijn gebaseerd op informatie omtrent de situatie in het land van herkomst. De rechtbank volgt dan ook niet het standpunt van verweerder ter zitting dat, althans zo begrijpt de rechtbank, uitsluitend op grond van hetgeen eiseres in het verleden persoonlijk is overkomen kan worden vastgesteld dat eiseres lid is van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan schendingen van artikel 3 van het EVRM. Verder maakt de rechtbank uit de hierboven geciteerde rechtsoverweging 117 op dat de vraag of van de vreemdeling wordt verwacht aanvullende specifieke onderscheidende kenmerken aan te voeren, in verband staat met de mate van willekeurig geweld in het land van herkomst. Onder verwijzing naar het ambtsbericht van 14 februari 2007 over Somalië dat naar de rechtbank vaststelt, wordt bestendigd door het ambtsbericht van maart 2009, is de rechtbank van oordeel dat eiseres als alleenstaande vrouw van de minderheidsgroep Ashraf in combinatie met de omstandigheid dat zij bij terugkeer naar het relatief onveilige Mogadishu niet kan terugvallen op een sociaal vangnet, een aanzienlijk risico loopt op mishandeling, verkrachting of zelfs moord. Eiseres komt dan ook in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, waartoe verweerder een nader besluit zal dienen te nemen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/18144 BEPTDN

Uitspraak van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken van 30 oktober 2009

inzake

[eiseres], geboren op [1984], van Somalische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. G.J. Dijkman, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. Pruss, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij beslissing van 2 april 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 17 juni 2005 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op

22 november 2007. Daarbij is eiseres in persoon verschenen en hebben eiseres en verweerder ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

1.3 Op 20 december 2007 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heropend en aangehouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bij uitspraak van 12 oktober 2007 (LJN: BB5841) zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) in Luxemburg.

1.4 Verweerder heeft op schriftelijk verzoek van de rechtbank bij brief van 15 juli 2009 een reactie gegeven op de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof bij arrest van 17 februari 2009 (LJN: BH3646).

1.5 Het geding is wederom behandeld ter zitting van de meervoudige kamer op 4 september 2009, waar eiseres in persoon is verschenen. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 In geschil is of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.2 Ingevolge artikel 13 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien – voor zover hier van belang – internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.3 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (hierna: de b-grond) kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt gegronde redenen te hebben om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw (hierna: de d-grond) kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algemene situatie aldaar.

2.4 Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.5 Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn is – voor zover van belang – de persoon die voor een subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt een onderdaan van een derde land die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15 van de Definitierichtlijn, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, van die richtlijn niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn dient onder ernstige schade te worden verstaan, ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.6 Eiseres heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op de b-grond, dan wel de d-grond. In het kader van het beroep op de b-grond voert eiseres het volgende aan.

De moeder van eiseres is bij haar geboorte overleden. Haar vader is eveneens overleden. De tante van eiseres die haar opvoedde wilde eiseres tegen haar zin uithuwelijken. Daarop is eiseres in 1997 van haar tante weggelopen en in een opvangtehuis voor alleenstaande kinderen in Mogadishu terecht gekomen. In het opvangtehuis is eiseres in contact gekomen met een man die haar samen met vier andere kinderen in 2000 naar het Verenigd Koninkrijk heeft meegenomen. In het Verenigd Koninkrijk heeft eiseres geen asiel aangevraagd. Met het Engelse paspoort dat zij van de man had gekregen is eiseres in mei 2005 naar Nederland gereisd. Toen eiseres op 30 mei 2005 wilde terugkeren naar het Verenigd Koninkrijk is zij aangehouden, waarna zij op 17 juni 2005 asiel heeft aangevraagd.

Eiseres behoort tot de Ashraf, een groep binnen de clan van de Reer Hamar (Benadiri).

Omdat eiseres tot een minderheidsgroep behoort en een alleenstaande vrouw is, stelt zij, gelet op de situatie in het onveilige gebied Mogadishu, een reëel risico te lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

2.7 Wat betreft het beroep van eiseres op de b-grond heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres in Somalië geen problemen heeft ondervonden van de overheid of van een of meerdere groeperingen. Door haar verblijf in een opvangtehuis heeft eiseres kunnen ontkomen aan de poging van haar tante om haar uit te huwelijken. Niet is gebleken dat eiseres in het opvangtehuis is opgezocht door haar tante of dat zij op andere wijze problemen heeft ondervonden. Eiseres heeft voor haar vertrek naar het Verenigd Koninkrijk bovendien nog afscheid genomen van haar tante. De omstandigheden dat eiseres tot een minderheidsgroepering behoort, uit een onveilig gebied in Somalië afkomstig is en een alleenstaande vrouw is, zijn volgens verweerder onvoldoende voor de conclusie dat bij uitzetting sprake is van een risico in de zin van artikel 3 van het EVRM. Ter zitting heeft verweerder dit standpunt nader toegelicht en gesteld dat van belang is dat eiseres als lid van de Ashraf in het verleden geen problemen heeft ondervonden van de overheid of van een groepering.

2.8 De rechtbank oordeelt dat niet in geschil is dat geen van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw opgesomde omstandigheden zich hebben voorgedaan die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder het relaas van eiseres geloofwaardig acht. Niet in geschil is dus dat eiseres behoort tot de minderheidsgroepering Ashraf, een alleenstaande vrouw is en afkomstig is uit Mogadishu.

2.9 Over het standpunt van verweerder dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Somalië een risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft in het arrest van 17 juli 2008 in de zaak NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN: BF0248) onder meer het volgende overwogen:

“116. Exceptionally, however, in cases where an applicant alleges that he or she is a member of a group systematically exposed to a practice of ill-treatment, the Court has considered that the protection of Article 3 of the Convention enters into play when the applicant establishes that there are serious reasons to believe in the existence of the practice in question and his or her membership of the group concerned (see Saadi v. Italy, cited above, Para. 132). In those circumstances, the Court will not then insist that the applicant show the existence of further special distinguishing features if to do so would render illusory the protection offered by Article 3. This will be determined in light of the applicant’s account and the information on the situation in the country of destination in respect of the group in question (see Salah Sheekh, (…), Para. 148). (…)

117. In determining whether it should or should not insist on further special distinguishing features, it follows that the Court may take account of the general situation of violence in a country. It considers that it is appropriate for it to do so if that general situation makes it more likely that the authorities (or any persons or group of persons where the danger emanates from them) will systematically ill-treat the group in question (see Salah Sheekh, Para. 148; Saadi v. Italy, Paras. 132 and 143; (…).”

2.10 Op grond van de hierboven weergegeven uitgangspunten van het EHRM bij beoordeling van een beroep op artikel 3 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat een vreemdeling geen aanvullende bijzondere persoonlijke omstandigheden hoeft aan te voeren indien de vreemdeling tot een groep behoort waarvoor gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat leden van die groep systematisch worden blootgesteld aan schendingen van artikel 3 van het EVRM. Dergelijke gegronde redenen kunnen onder andere en eventueel uitsluitend zijn gebaseerd op informatie omtrent de situatie in het land van herkomst. De rechtbank volgt dan ook niet het standpunt van verweerder ter zitting dat, althans zo begrijpt de rechtbank, uitsluitend op grond van hetgeen eiseres in het verleden persoonlijk is overkomen kan worden vastgesteld dat eiseres lid is van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan schendingen van artikel 3 van het EVRM. Verder maakt de rechtbank uit de hierboven geciteerde rechtsoverweging 117 op dat de vraag of van de vreemdeling wordt verwacht aanvullende specifieke onderscheidende kenmerken aan te voeren, in verband staat met de mate van willekeurig geweld in het land van herkomst.

2.11 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de problemen die eiseres in het land van herkomst heeft ondervonden van de zijde van haar tante niet kunnen worden aangemerkt als toereikend voor de vaststelling dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Wel acht de rechtbank in het kader van die toets de veiligheidssituatie in Somalië en de positie van (alleenstaande vrouwelijke) leden van de Ashraf ten tijde van het bestreden besluit relevant. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

2.12 In het algemeen ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 14 februari 2007 over Somalië, waarnaar verweerder in het verweerschrift van 25 oktober 2007 heeft verwezen, is onder meer het volgende vermeld:

Op pagina 21:

“In de verslagperiode was Mogadishu opnieuw het toneel van clanconflicten, banditisme, gewapende overvallen en verkrachtingen. Daarnaast vonden er hevige gevechten plaats tussen milities van de UIC en de ARPCT. (…) Het overgrote deel van de slachtoffers was burger.”

Op pagina 50:

“De Benadiri staan niet in een bijzondere relatie tot een of meer van de Somali clanfamilies en kunnen derhalve niet rekenen op clanbescherming. Sinds het uitbreken van de burgeroorlog werden de Benadiri vanwege deze relatief geïsoleerde sociale positie en hun vermeende rijkdom eerder het slachtoffer van beroving en plundering. Ook is melding gemaakt van verkrachtingen en gedwongen huwelijken. (…) Hoewel de schaal van het geweld sterk is afgenomen, bevinden zij zich in het relatief onveilige gebied nog immer in een kwetsbare positie.”

Op pagina 59:

“Over de positie van (alleenstaande) vrouwen behorend tot minderheidsgroepen is weinig specifieke informatie beschikbaar. (…) In het algemeen kan gesteld worden dat de positie van deze vrouwen een kwetsbare is. (…) Het is mogelijk dat alleenstaande vrouwen die niet kunnen terugvallen op een sociaal vangnet van de kant van leden van dezelfde clan of minderheid in een zeer kwetsbare of zelfs in een persoonlijk onveilige situatie komen te verkeren. Dit geldt met name voor de relatief onveilige gebieden, waar zij aanzienlijke risico’s lopen op mishandeling, verkrachting en soms zelfs moord. Ook in de relatief veilige gebieden bevinden binnenlands ontheemde alleenstaande vrouwen zich in een kwetsbare positie.”

2.13 Ter zitting heeft eiseres zich beroepen op het algemeen ambtsbericht over Somalië van maart 2009 en aangevoerd dat ook daaruit blijkt dat de positie van alleenstaande vrouwen onveranderd slecht is gebleven.

2.14 Eiseres heeft verklaard dat zij geen broers of zussen heeft en dat zij naast haar tante geen familie in Somalië heeft. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij bij terugkeer naar Somalië niet kan terugvallen op de bescherming van enige familie of de Ashraf. Dit volgt al, aldus eiseres, uit de omstandigheid dat zij in 1997 in een opvangtehuis voor minderjarigen is terecht gekomen.

2.15 Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiseres naast haar tante geen familie in Somalië heeft en dat eiseres in 1997 in een opvangtehuis voor minderjarigen is terecht gekomen omdat haar tante haar tegen haar zin wilde uithuwelijken. Verder is in het algemeen ambtsbericht over Somalië van maart 2009 vermeld dat alleenstaande vrouwen van een minderheidsclan bescherming kunnen krijgen van hun clan, hoewel minderheidsclans in het algemeen zwakker zijn dan andere clans, maar dat de mogelijkheid tot clanbescherming in de verslagperiode is afgenomen of zelfs is verdwenen. Verweerder heeft niet de stelling van eiseres betwist dat zij als alleenstaande vrouw die in conflict is met haar meest nabije familie, niet kan terugvallen op bescherming van leden van de Ashraf.

Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank het er voor dat eiseres bij terugkeer naar Somalië niet kan terugvallen op een sociaal vangnet van de kant van haar familie of leden van de Ashraf.

2.16 Gelet op de voornoemde inhoud van het algemeen ambtsbericht over Somalië van februari 2007 dat, naar de rechtbank vaststelt, wordt bestendigd door het algemeen ambtsbericht van maart 2009, is de rechtbank van oordeel dat eiseres als alleenstaande vrouw van de minderheidsgroep Ashraf in combinatie met de omstandigheid dat zij bij terugkeer naar het relatief onveilige Mogadishu niet kan terugvallen op een sociaal vangnet, een aanzienlijk risico loopt op mishandeling, verkrachting of zelfs moord. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Eiseres komt dan ook in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, waartoe verweerder een nader besluit zal dienen te nemen.

2.17 De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3 van het EVRM en 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw en zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.18 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,- (1 punt voor het beroepschrift en 1,5 punt voor het tweemaal verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvraag van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 805,- die deze kosten aan eiseres moet voldoen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. H. Gorter en mr. K.J. Veenstra, leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2009.

De griffier: De voorzitter:

(de griffier is verhinderd deze

uitspraak mede te ondertekenen)

mr. M.A. Visser mr. D.A. Verburg

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.