Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1440

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
AWB 08/4197
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9567, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zelfstandig schadebesluit in verband met - vermeend ten onrechte - opgelegde aanslagen. De fiscale bestuursrechter is de terzake bevoegde rechter. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen van de AWR doet daar niet aan af. Het vermeende schadeveroorzakende handelen is van de inspecteur. De staatssecretaris van Financiën had het bij hem ingediende verzoek om schadevergoeding daarom moeten doorzenden aan de inspecteur. Bovendien had hij sowieso moeten beslissen op het ingediende bezwaar en daar niet vanaf mogen zien op de grond dat de beslissing op het verzoek niet een besluit in de zin van de Awb was. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2730 met annotatie van Niessen-Cobben
FutD 2009-2477
V-N 2010/8.3.2

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/4197

Uitspraakdatum: 27 oktober 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1. Verweerder heeft bij beslissing van 2 april 2007 eisers verzoek om een zuiver schadebesluit niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen die beslissing bezwaar gemaakt op 3 mei 2007. Verweerder heeft geen uitspraak gedaan op het bezwaar.

1.2. Eiser heeft bij brief van 3 juni 2008, door de rechtbank ontvangen op 4 juni 2008, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaar. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009 te 's-Gravenhage.

Namens verweerder zijn verschenen mr. [A] en mr. [B]. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 februari 2009 aan eiser op het adres [a-straat 1] te [postcode] [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TNT Post is gebleken dat de brief op 24 februari 2009 op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1.4. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting van 17 maart 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2009 te 's-Gravenhage. Namens verweerder is verschenen drs. [C]. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 9 september 2009 aan eiser op het adres [a-straat 1] te [postcode] [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TNT Post is gebleken dat de brief op 10 september 2009 op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1.5. Eiser heeft voorafgaand aan beide zittingen nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

II OVERWEGINGEN

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van verweerder ter zitting, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Aan eiser zijn over de jaren 1975 tot en met 1978 (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. De dagtekening van die aanslagen was respectievelijk 31 december 1980, 19 augustus 1981 en 30 november 1981. Tevens is over de periode 1 augustus 1977 tot en met 31 december 1979 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met dagtekening 27 juli 1982.

Deze aanslagen worden hierna ook tezamen aangeduid als 'de aanslagen'.

2.2. Tegen de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1975 en 1976 is geen bezwaar gemaakt. De navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 1977 is bij ambtshalve gegeven beschikking van 7 april 1982 verminderd. De navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 1978 is gehandhaafd.

2.3. Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 16 april 1999 belanghebbendes beroep betreffende de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 1975 tot en met 1978 en de naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 augustus 1977 tot en met 31 december 1979, niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het gerechtshof heeft het verzet tegen deze uitspraak bij uitspraak van 1 oktober 1999 ongegrond verklaard. Het cassatieberoep van belanghebbende tegen deze uitspraak is bij arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2000 ongegrond verklaard. Diverse verzoeken om herziening zijn afgewezen op grond van het ontbreken van nieuwe feiten.

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiser recht heeft op een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb ter zake van de in 2.1 genoemde belastingaanslagen. Eiser stelt dat deze belastingaanslagen onrechtmatig zijn. Verweerder betwist dat.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3.3. Eiser concludeert - naar de rechtbank verstaat - tot gegrondverklaring van het beroep en toekenning van een schadevergoeding van, naar de rechtbank verstaat, twee keer ƒ 2.800.000. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Overwegingen omtrent het beroep

4.1. De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de door haar ambtshalve te beantwoorden vraag of zij als algemene of bijzondere bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van dit beroep. Op grond van het hierna onder 4.2 tot en met 4.7 overwogene acht zij zich als bijzondere (fiscale) bestuursrechter bevoegd tot kennisname van het beroep.

4.2. Met de invoering van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de wetgever een eenduidige regeling ingevoerd voor de betrekkingen tussen de burger en de bestuurder in diens publieke taakvervulling. De rechtsbescherming die in die regeling is vervat, bevat naast de mogelijkheid van bezwaar en beroep een regeling voor schadevergoeding ingeval een besluit onrechtmatig blijkt te zijn. Het verzoek om een veroordeling tot schadevergoeding kan tijdens een beroepsprocedure worden gedaan (op grond van art. 8:73 Awb). Er kan ook voor worden gekozen om bij het bestuursorgaan in kwestie een afzonderlijk verzoek tot schadevergoeding in te dienen om vergoeding van schade die het gevolg is van een vernietigd besluit. Dat laatste wordt wel aangeduid als het uitlokken van een zelfstandig of een zuiver schadebesluit. Een belanghebbende die meent aanspraak te kunnen maken op schadevergoeding als gevolg van uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid door een bestuursorgaan heeft dan ook de keus om de bestuursrechtelijke dan wel de civielrechtelijke weg te volgen. (HR 17 december 1999, nr. C98/80HR, NJ 2000, 87, Groningen/Raatgever). Daarbij geldt dat het in het stelsel van afdeling 8.1.1 Awb past dat de (algemene dan wel bijzondere) bestuursrechter (slechts) bevoegd is tot kennisneming van beroepen tegen zuivere schadebesluiten indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf (vergelijk ABRS 6 mei 1997, BR 1997, 599 (Van Vlodrop)).

4.3 Uit de inhoud van eisers verzoek om schadevergoeding, onder meer de daarin vervatte verwijzingen naar de Awb, kan worden afgeleid dat eiser kennelijk heeft geopteerd voor de bestuursrechtelijke weg.

4.4. Artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) brengt mee dat met betrekking tot een ingevolge een belastingwet genomen besluit de rechtsbeschermingsregeling zoals vervat in hoofdstuk V van de AWR van toepassing is. Die rechtsbeschermingsregeling houdt in dat op een beroep als bedoeld in artikel 8:1 van de Awb in eerste aanleg wordt beslist door de rechtbank, op het hoger beroep wordt beslist door de belastingkamer van het gerechtshof en op het cassatieberoep wordt beslist door de belastingkamer van de Hoge Raad der Nederlanden. In de gevallen dat het besluit niet is genomen ingevolge een belastingwet maar een andere wet en in die andere wet hoofdstuk V van de AWR van overeenkomstige toepassing is verklaard, geldt eveneens de voormelde rechtsgang in drie instanties.

4.5. Op de beslissing op het verzoek om schadevergoeding is dezelfde rechtsgang van toepassing als de rechtsgang die van toepassing is op het in bezwaar en beroep bestreden besluit. Daarbij is niet van belang of het beroep tegen het in bezwaar en beroep bestreden besluit inmiddels is ingetrokken. Met andere woorden, indien op een besluit hoofdstuk V van de AWR van toepassing, of van overeenkomstige toepassing, is verklaard, geldt ten aanzien van de beslissingen op de verzoeken om schadevergoeding (art. 8:73 Awb) in het kader van bezwaar en beroep eveneens hoofdstuk V van de AWR. Dit brengt mee dat ten aanzien van een verzoek om schadevergoeding hetzelfde systeem van rechtsbescherming van toepassing is, als van toepassing is op het schadeveroorzakend besluit. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat de algemene of bijzondere bestuursrechter die de rechtmatigheid van het schadeveroorzakend besluit toetst ook de rechtmatigheid van het schadebesluit toetst (vergelijk ABRS 24 februari 2000, E03.97.0815, LJN AA5241).

4.6. Vaststaat dat de vermeende schadeveroorzakende besluiten belastingaanslagen zijn. Dit zijn ingevolge een belastingwet genomen besluiten. Op die besluiten is de regeling van hoofdstuk V van de AWR van toepassing. Diezelfde regeling is dan op grond van het vorenoverwogene ook van toepassing op het zelfstandig schadebesluit. Voor dat geval is de fiscale bestuursrechter de bevoegde rechter en beslist deze in eerste feitelijke instantie op het beroep.

4.7. Dat de AWR een gesloten stelsel van rechtsbescherming kent, doet aan het voorgaande niet af. De beslissing op een verzoek tot schadevergoeding (hetzij op grond van art. 8:73 Awb, hetzij in de vorm van een zuiver schadebesluit) heeft immers in het hiervoor omschreven bestuursrechtelijke stelsel van rechtsbescherming te gelden als een nevenbeslissing, die wordt genomen dan wel getoetst door de algemene of bijzondere bestuursrechter die bevoegd is tot kennisneming van geschillen omtrent de aan het verzoek tot schadevergoeding ten grondslag gelegd schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf.

4.8. Verweerder heeft betoogd dat de beslissing van 2 april 2007 geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb is, dat daartegen om die reden geen bezwaar mogelijk is en dat om die reden de weigering om op een dergelijk bezwaar te beslissen niet voor beroep vatbaar is. Om diezelfde reden meent verweerder dat hij niet gehouden is (alsnog) uitspraak te doen op het bezwaar.

4.9. Dit betoog van verweerder is onjuist. Uit het hiervoor onder 4.2 tot en met 4.7 overwogene volgt dat eisers verzoek om schadevergoeding kon leiden tot een zuiver schadebesluit, waartegen bezwaar en beroep openstaat. Los daarvan dient een bestuursorgaan altijd te beslissen op een bij hem ingediend bezwaar. Indien het bestuursorgaan van oordeel is dat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb, dient de beslissing te luiden dat het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk is. Verweerder had dus binnen zes weken op het bezwaar moeten beslissen (art. 7:10 Awb). Nu hij dat heeft nagelaten heeft eiser terecht beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. Reeds om die reden is het beroep gegrond.

4.10. De aanslagen zijn vastgesteld door de inspecteur der directe belastingen, 1e afdeling te Rotterdam. De thans ten aanzien van eiser bevoegde inspecteur is de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Haaglanden (hierna: de inspecteur). Indien, zoals in dit geval is geopteerd voor de bestuursrechtelijke weg, dient het verzoek om schadevergoeding te worden ingediend bij het bestuursorgaan waaraan het vermeende schadeveroorzakend handelen moet worden toegerekend. Dat is in dit geval de inspecteur. Verweerder had eisers verzoek om schadevergoeding dus dienen door te zenden aan de inspecteur (art. 2:3 Awb). Nu hij in plaats daarvan op het verzoek heeft beslist, is dat besluit onbevoegdelijk genomen en dient het op die grond te worden vernietigd.

4.11. Vaststaat dat de aanslagen onherroepelijk vaststaan en niet zijn vernietigd. De rechtbank moet er dan vanuit gaan dat deze belastingaanslagen juist zijn en op de juiste wijze tot stand zijn gekomen. Reeds hierom is geen ander oordeel mogelijk dan dat eisers verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. Nu geen andere beslissing mogelijk is dan afwijzing van eisers verzoek, is eiser niet gediend met een verwijzing van het verzoek naar de inspecteur. De rechtbank zal er daarom van afzien verweerder op te dragen eisers verzoek door te zenden aan de inspecteur en zal op proceseconomische gronden beslissen als hierna is vermeld.

4.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

III BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 2 april 2007;

- stelt vast dat er geen grond is voor de gevraagde schadevergoeding;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. L. de Loor-Alwin, mr. I. Obbink-Reijngoud en mr. C.A.F.M. Stassen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. Holdert.

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.