Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1433

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/6709
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging Europese gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurder. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3

Reg.nr.: AWB 09/6709 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[A], wonende te [plaats], verzoeker,

ter zake van het besluit van 18 september 2009 van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, verweerder, waarbij de aanvraag van verzoeker om (verlenging van) een Europese gehandicaptenparkeerkaart is afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 september 2009 bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 16 oktober 2009 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en mr. A.C. Bos.

Voorts is als deskundige verschenen E. Kuyken, GGD-arts.

I OVERWEGINGEN

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

2. Verzoeker is in het bezit van een Europese gehandicaptenparkeerkaart, waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op 15 oktober 2009.

Op 15 mei 2009 heeft verzoeker verweerder om (verlenging van) een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurders gevraagd. Op 3 juli 2009 is verzoeker medisch gekeurd door E. Kuyken, adviserend geneeskundige van de GGD Zuid-Holland West (hierna: de keurend arts). Op 2 september 2009 heeft de keurend arts geadviseerd verzoeker niet in aanmerking te brengen voor een gehandicaptenparkeervoorziening omdat verzoeker in staat wordt geacht, redelijkerwijs, wezenlijk meer dan 200 meter aan een stuk lopend te overbruggen.

Bij besluit van 18 september 2009 heeft verweerder, overeenkomstig het medisch advies van de keurend arts, de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart afgewezen.

3. Om voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurders in aanmerking te komen moet worden voldaan aan de in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart gestelde criteria, te weten:

- een aantoonbare loopbeperking van langdurige aard;

- in redelijkheid - met de gebruikelijke hulpmiddelen - niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen.

4.1Verweerder heeft overwogen dat de medische situatie van verzoeker sinds zijn vorige keuring op 14 oktober 2004 mogelijk niet is gewijzigd, althans niet is verbeterd. De medische onderzoeksmethoden zijn echter verbeterd en keuringen als deze worden thans verricht aan de hand van het door de Vereniging van Indicerende en adviserende Artsen vastgestelde protocol, het zogenoemde VIA-protocol. Gelet op het GGD-advies van 2 september 2009 moet verzoeker in staat worden geacht meer dan 200 meter aan een stuk te voet te kunnen afleggen. De GGD heeft rekening gehouden met de schriftelijke informatie van de specialist van verzoeker.

Verweerder heeft daarbij verwezen naar zijn vast beleid dat het medisch advies dat wordt uitgebracht in deze procedure wordt overgenomen. Op basis van het GGD-advies komt verzoeker niet in aanmerking voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart.

Verweerder is bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet gebleken dat het vasthouden aan het door hem ingezette beleid voor verzoeker gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding met het met zijn beleid te dienen doel.

De hardheidsclausule is niet van toepassing omdat er geen overige aantoonbare ernstige beperkingen ten gevolge van een aandoening of gebrek zijn, die van belang zijn voor het advies, aldus verweerder.

4.2 Verzoeker betwist dat hij meer dan 200 meter te voet kan afleggen. Hij voert daartoe aan dat hij zich met behulp van een wandelstok en met niet acceptabele pijnbeleving ongeveer 50 meter te voet kan voortbewegen zonder rustpauze. De keurend arts heeft zich beperkt tot het klinisch waarnemen van symptomen. Na de operatie in 2001 is sprake geweest van dystrofie. Volgens een onderzoek door het Neuro-Orthopaedisch Centrum in 2003 zou rekening gehouden moeten worden met een progressie van afwijkingen. In 2006 is verzoeker wederom geopereerd aan dezelfde knie. Verzoeker stelt dat het vasthouden aan het beleid gevolgen met zich brengt die onevenredig zijn in verhouding met het te dienen doel. Verzoeker is 67 jaar en neemt nog steeds deel aan het arbeidsproces, waarbij het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een belangrijk gedeelte deelname aan het arbeidsproces mogelijk maakt. Zonder gehandicapten-parkeerkaart zou hij wellicht overwegen te stoppen met de arbeid.

5.1 Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit gebaseerd op het medisch advies van de keurend arts van 2 september 2009. Daarin is weergegeven dat, hoewel er destijds problematiek vanwege het 'loopapparaat' was, en er, zeer vermoedelijk daarvan, nog een bepaald restverschijnsel objectiveerbaar is en verzoeker kennelijk nog klachten heeft, een en ander niet zodanig is dat zijn loopafstand, redelijkerwijs, als zijnde verminderd is in te schatten. Verzoeker is in staat te achten, redelijkerwijs, wezenlijk meer dan 200 meter aan een stuk lopend te overbruggen. In verband hiermee komt verzoeker niet in aanmerking voor enige gehandicaptenparkeervoorziening, aldus de keurend arts. Uit het advies van 2 september 2009 en de op 13 oktober 2009 door de keurend arts aan de rechtbank gezonden informatie blijkt dat de keurend arts ten behoeve van het advies gebruik heeft gemaakt van de schriftelijke informatie van orthopaedisch chirurg A.E. Witkamp van 23 juli 2009.

5.2 Ter zitting heeft de keurend arts verklaard dat de keuring van verzoeker heeft plaatsgevonden conform het herziene Protocol Gehandicaptenparkeervoorzieningen van de VIA, dat in november 2008 is vastgesteld. Voordien was het in oktober 2001 vastgestelde VIA-protocol van toepassing.

Met betrekking tot de keuring van verzoeker heeft de keurend arts verklaard dat hij zich heeft gebaseerd op een uitgebreide anamnese, lichamelijk onderzoek en observatie van de loopafstand. Voorts heeft hij de medische situatie ten tijde van de eerdere keuring vergeleken met de huidige medische situatie. De keurend arts heeft bij verzoeker thans geen aanwijzingen voor dystrofie gevonden. De aangetroffen restverschijnselen zijn objectiveer-baar. Hiertoe heeft de keurend arts verwezen naar het rapport van orthopaedisch chirurg J.H. Postma van 13 maart 2003, waaruit volgens hem blijkt dat sprake was van restverschijnselen van waarschijnlijk meniscusproblematiek en destijds evenmin sprake was van dystrofie. Tevens heeft de keurend arts gewezen op de medische informatie van de orthopaedisch chirurg Witkamp van 23 juli 2009, waarin is vermeld: 'verdacht voor een lichte dystrofie'. De restverschijnselen zijn thans niet zodanig dat de loopafstand hierdoor is verminderd. De keurend arts acht het feit dat verzoeker bij het lopen gebruik maakt van een wandelstok niet doorslaggevend. Volgens de keurend arts blijkt uit het rapport van

13 maart 2003 bovendien dat verzoeker destijds in staat werd geacht om meer dan een half uur achtereen te lopen. Dat verzoeker destijds wel een gehandicaptenparkeerkaart heeft gekregen is volgens de keurend arts, medisch gezien, niet goed verklaarbaar.

De keurend arts heeft ten slotte verklaard dat de omstandigheid dat verzoeker dagelijks drie paracetamoltabletten inneemt niet duidt op een complexe pijnproblematiek.

5.3 Hoewel het advies van de keurend arts van 2 september 2009 summier is, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter, mede gelet op hetgeen de keurend arts ter zitting heeft verklaard, niet gezegd worden dat dit advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

De informatie vanuit de behandelende sector biedt geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de volledigheid of inhoudelijke juistheid van het advies van de keurend arts. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat uit de brief van de behandelend orthopaedisch chirurg Witkamp van 23 juli 2009 blijkt dat verzoeker het laatst is gezien op 3 februari 2006. Verweerder heeft daarom het bestreden besluit op het medisch advies van

2 september 2009 mogen doen steunen. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd kan geen aanleiding worden gevonden voor het aannemen van een bijzonder geval, op grond waarvan van het medisch advies zou moeten worden afgeweken.

6. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient derhalve te worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

II BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. C. Fetter, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum.

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.