Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1116

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
320154 - FA RK 08-7502
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzen voor recht verkaren dat tussen partijen geen huwelijk (in Somalië) heeft plaatsgevonden; subsidiair bepalen dat huwelijk nietig is; meer subsidiair verklaring voor recht afgeven dat minderjarigen buiten huwelijk zijn geboren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 08-7502

Zaaknummer: 320154

Datum beschikking: 29 juni 2009

BESCHIKKING op het op 24 september 2008 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster],

de vrouw,

wonende te [plaats A],

advocaat mr. F. Arslan te 's-Gravenhage.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende],

de man,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland,

en

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage,

zetelende te 's-Gravenhage,

hierna: de ambtenaar.

Feiten

* De vrouw heeft zich op 29 december 2005 komende vanuit Somalië in Nederland gevestigd.

* Bij binnenkomst in Nederland heeft de vrouw verklaard sedert september 2005 gehuwd te zijn met [belanghebbende] (de man), met wie zij op 16 oktober 2005 Nederland is ingereisd.

* Op [datum] 2006 is uit de vrouw geboren: [de minderjarige 1]. De man is in de geboorteakte opgenomen als de vader van het kind. De vrouw heeft de geboorte bij de ambtenaar aangegeven.

* Op [datum] 2008 is uit de vrouw geboren: [de minderjarige 2]. De man is in de geboorteakte opgenomen als de vader van het kind. De vrouw heeft de geboorte bij de ambtenaar aangegeven.

* De vrouw is in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geregistreerd als zijnde gehuwd.

* De vrouw en de kinderen hebben een onbekende nationaliteit.

Procedure

Het verzoekschrift strekt er primair toe dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat tussen partijen geen huwelijk heeft plaatsgevonden. Subsidiair wordt verzocht te bepalen dat het huwelijk tussen partijen nietig is. Meer subsidiair wordt verzocht een verklaring voor recht af te geven dat de voormelde minderjarigen buiten een huwelijk zijn geboren waardoor het vaderschap van de kinderen niet vaststaat. Een en ander kosten rechtens.

Op 27 januari 2009 is het verweerschrift van de ambtenaar ingekomen.

Op 18 mei 2009 is de zaak ter terechtzitting behandeld.

Hierbij zijn verschenen: de vrouw, vergezeld van een tolk en haar advocaat. De ambtenaar is verschenen in de persoon van J.C. Jansen Verplancke.

Voorts zijn verschenen [de heer A], de biologische vader van [de minderjarige 2] en de bijzonder curator, mr. H.D. Gelderloos, advocaat te 's-Gravenhage, benoemd in de onder de nummers 3231366/FA RK 08-7981 en 320158/FA RK 7503 geregistreerde procedures strekkende tot de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man met betrekking tot [de minderjarige 2] door de moeder en tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [de heer A] ten aanzien van die minderjarige.

De man is openbaar opgeroepen door middel van een advertentie in de op 18 maart 2009 verschenen editie van het dagblad AD/Haagsche Courant, zoals blijkt uit de door de griffier in het dossier gevoegde gegevens van de website http://www.bewijsnummers.nl. De belanghebbende man is evenwel niet verschenen.

Beoordeling

De hiervoor vermelde feiten vinden bevestiging in door verzoekster overgelegde bescheiden en staan in rechte vast.

Het primair verzochte

De vrouw verzoekt een verklaring voor recht af te geven dat er tussen haar en de man geen huwelijk heeft plaatsgevonden. Zij stelt hiertoe dat geen sprake is van een huwelijk nu de huwelijksvoltrekking in Somalië niet bij een officiële instantie is geregistreerd en er ook geen traditioneel huwelijk heeft plaatsgevonden. De vermelding van het huwelijk in de Nederlandse registers is volgens de vrouw ten onrechte en uitsluitend op grond van haar verklaring ten overstaan van een medewerker van de IND bij binnenkomst in Nederland, geschied.

De ambtenaar voert verweer. Hij stelt dat hij op 2 september 2008, derhalve enkele weken voor indiening van het onderhavige verzoekschrift, op verzoek van de vrouw de beschikking d.d. 20 juni 2007 van deze rechtbank houdende de echtscheiding van partijen in zijn registers heeft ingeschreven en dat daarmee de ontbinding van het door de vrouw thans ontkende huwelijk een niet te passeren rechtsfeit is geworden. Als het huwelijk zoals door de vrouw is gesteld niet bestaat, is derhalve voormelde echtscheidingsbeslissing een farce. Daarnaast acht de ambtenaar het -gezien in het licht van het voorgaande- opmerkelijk dat naast het onderhavige verzoekschrift ook een verzoekschrift tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man van de kinderen door de vrouw, alsmede de vaststelling van het vaderschap van [de heer A] zijn ingediend.

De ambtenaar merkt voorts op dat de vrouw op 22 februari 2006 in de gemeente Leiden onder belofte een verklaring als bedoeld in artikel 36, lid 2 onder e, Wet GBA heeft afgelegd. Daarin heeft zij stellig en zonder enig voorbehoud -ondermeer- verklaard dat zij in september 2005 te [plaats B], Somalië, is gehuwd met [belanghebbende], geboren te [plaats B], Somalië. Verzoekster heeft deze verklaring zonder enig voorbehoud ondertekend. De gegevens van verzoekster zijn op grond van voormelde verklaring in de GBA opgenomen en door verzoekster sedertdien niet weersproken noch heeft zij op grond van artikel 82, lid 1 van de Wet GBA verzocht om de betreffende huwelijksgegevens te verbeteren of te verwijderen.

Op grond van het voorgaande stelt de ambtenaar dat er geen gronden bestaan voor het verstrekken van een verklaring voor recht dat er geen huwelijk heeft plaatsgevonden tussen de vrouw en [belanghebbende].

De vrouw heeft zich ter terechtzitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat zij niet voorbij kan gaan aan de verklaring van de vrouw zoals zij ten overstaan van de medewerker bij de IND heeft afgelegd, de door haar op 22 februari 2006 afgelegde verklaring onder belofte en de door haar gestarte en inmiddels uitgeprocedeerde echtscheiding. Het -inmiddels door echtscheiding ontbonden- huwelijk van de vrouw met [belanghebbende] is op grond van het voormelde naar Nederlands recht een vaststaand feit. Het verzoek van de vrouw tot het vertrekken van een verklaring voor recht dat tussen haar en de man geen huwelijk heeft plaatsgevonden zal de rechtbank derhalve afwijzen.

Het subsidiaire verzochte

De vrouw verzoekt te bepalen dat het huwelijk tussen haar en de man nietig is omdat dit huwelijk is gesloten onder dwang en bedreiging. Zij stelt daartoe dat zij aan de man is uitgehuwelijkt, dat zij niet uitdrukkelijk heeft ingestemd met het huwelijk en dat ook haar vader tegen dit huwelijk was, en dat zij onder druk door de man is meegenomen.

De ambtenaar voert verweer. Hij stelt dat op grond van artikel 1:71, lid 1, BW, een echtgenoot de nietigheid van zijn huwelijk kan verzoeken wanneer dit onder invloed van een onrechtmatige ernstige bedreiging is gesloten. Het bevreemdt de ambtenaar om die reden dat verzoekster in plaats van nietigverklaring van het huwelijk indertijd een echtscheidingsverzoek heeft ingediend. Nu verzoekster niet alleen de door haar verzochte echtscheiding heeft verkregen maar bovendien ook zelf het verzoek tot inschrijving van de betreffende beslissing heeft gedaan, is de ambtenaar van mening dat een nietigverklaring thans niet meer aan de orde behoort te zijn. Een nietigverklaring van het huwelijk zal overigens niet tot gevolg kunnen hebben dat het vaderschap van de echtgenoot van verzoekster over de beide kinderen vervalt. De ambtenaar stelt zich gelet op het voorgaande op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor -mede ten aanzien van het primair verzochte- is overwogen van oordeel dat de vrouw haar stellingen onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd, zodat geen rechtsgrond voor nietigverklaring van het huwelijk bestaat. De vrouw heeft overigens ook geen enkel belang bij toewijzing van het verzochte, temeer nu het door haar beoogde resultaat, namelijk het verval van het vaderschap van de man ten aanzien van voornoemde kinderen, op grond van het gestelde in artikel 1:77 lid 2 BW door de nietigverklaring niet behaald zal worden. Het verzoek van de vrouw zal derhalve worden afgewezen.

Het meer subsidiair verzochte

De vrouw verzoekt een verklaring voor recht dat voornoemde kinderen zijn geboren buiten een huwelijk waardoor het vaderschap ten aanzien van de kinderen niet vaststaat. De vrouw stelt dat bij haar binnenkomst in Nederland te weinig rekening is gehouden met haar verklaring dat zij is uitgehuwelijkt. Zij stelt dat zij nimmer melding heeft gemaakt van het bestaan van een burgerlijk huwelijk of een traditioneel of Islamitsich huwelijk. Bij binnenkomst in Nederland was zij ongewenst zwanger. Naar haar mening zijn de Nederlandse autoriteiten derhalve ten onrechte ervan uitgegaan dat zij gehuwd was en zijn de kinderen ten onrechte in de registers van de ambtenaar en in de GBA geregistreerd als kinderen geboren uit een huwelijk.

De ambtenaar voert verweer. De ambtenaar refereert aan de verklaring van de vrouw in het rapport van eerste gehoor d.d. 4 november 2005, dat zij in september 2005 met haar echtgenoot uit Somalië is vertrokken, en dat zij op dat moment zes weken zwanger was. Niet onaannemelijk is dat de man de verwekker is van het dan nog ongeboren kind. Op

[datum] 2006 is het kind geboren, op de naam van het kind is kennelijk Somalisch recht toegepast. Gelet op de op 22 februari 2006 afgelegde verklaring onder belofte en de in de GBA geregistreerde huwelijksgegevens is de man terecht en op goede gronden als vader in de geboorteakte van het kind opgenomen. De vrouw heeft bij de aangifte van de geboorte overigens zelf aan de naamsketen van het kind de namen van de man nog eens toegevoegd. Binnen de daartoe wettelijk gestelde termijn heeft de vrouw geen verzoek tot ontkenning van het vaderschap ingediend, waarmee de -door de vrouw gestelde onjuiste- afstamming van het kind in stand is gebleven. Omdat bij de geboorte van het tweede kind het huwelijk

van de vrouw met de man nog niet door echtscheiding was ontbonden is ook in de geboorteakte van het tweede kind terecht en op goede gronden de man als vader in de geboorteakte vermeld. De vrouw heeft ook van dit kind zelf aangifte van de geboorte gedaan en de geboorteakte ondertekend. Indien verzoekster stelt dat het vaderschap van de man met betrekking tot dit kind niet vaststaat en verzoekt een verklaring voor recht af te geven dat dit kind buiten huwelijk is geboren, bevreemdt het de ambtenaar dat de vrouw naast het onderhavige verzoek tevens een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap bij de rechtbank heeft ingediend. Een dergelijk verzoek zou, indien de stellingen van de vrouw in de onderhavige procedure juist zijn, immers niet aan de orde hoeven te komen.

De rechtbank is van oordeel dat naar Nederlandse recht vaststaat dat de twee minderjarigen uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vrouw met de man zijn geboren. De stellingen van de vrouw doen daaraan niets af. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen.

De proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing:

De rechtbank:

wijst af het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de vrouw;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Steen, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2009 in tegenwoordigheid van V. van den Hoed-Koreneef, griffier.