Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1027

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
332560 - FA RK 09-1888
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art 1:253a BW; wijziging voorgaande beschikking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 09-1888

Zaaknummer: 332560

Datum beschikking: 23 juni 2009

Artikel 1:253a BW

Beschikking op het op 5 maart 2009 ingekomen verzoek van:

[verzoekster],

de moeder,

wonende te [plaats A],

advocaat: mr. M.A. Meijer te Alphen aan den Rijn.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende],

de vader,

wonende te [plaats B],

advocaat: mr. M.C.L.G.J. Ruyters-Stevens te Kerkrade.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- het faxbericht d.d. 25 mei 2009 van de zijde van de moeder.

De hierna te noemen minderjarigen hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek van de moeder.

Op 26 mei 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, alsmede de vader, bijgestaan door mevrouw M.N. Kramp (tolk in de Engelse taal), met zijn advocaat.

Feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

- Genoemde moeder en vader zijn gewezen echtgenoten, van wie het huwelijk door echtscheiding is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank d.d. 24 november 2006 in de registers van de burgerlijke stand op 29 januari 2007.

- Uit het huwelijk van partijen zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten [minderjarige A], geboren op [datum] 1994 te [plaats C] en [minderjarige B], geboren op [datum] 1997 te [plaats D].

- Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de minderjarigen de gewone verblijfplaats zullen hebben bij de moeder. Voorts is, voor zover hier van belang, bepaald dat de minderjarigen, indien de vader in Nederland woonachtig is, bij de vader zullen zijn drie weekenden achter elkaar, waarna de minderjarigen één weekend bij de moeder zullen zijn.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 20 maart 2008 is, met wijziging in zoverre van de echtscheidingsbeschikking, bepaald dat de minderjarigen bij de vader zullen zijn:

* gedurende één weekend in de veertien dagen van vrijdag tot zondag, waarbij de vader de minderjarigen op vrijdag om 20.00 uur bij de moeder ophaalt en de moeder de minderjarigen op zondag om 17.00 uur bij de vader ophaalt;

* de helft van de korte schoolvakanties;

* de eerste drie weken van de zomervakantie.

- Partijen zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast.

- De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. De vader is Amerikaans staatsburger.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de moeder, zoals dat thans luidt, strekt tot wijziging van de in voornoemde beschikking d.d. 20 maart 2008 vastgestelde omgangsregeling, in die zin dat de minderjarigen één weekend per drie weken bij de vader zullen doorbrengen, waarbij de vader de minderjarigen op vrijdag uiterlijk om 20.00 uur bij de moeder zal ophalen en de minderjarigen op zondagavond weer zal terugbrengen dan wel de minderjarigen op zijn kosten in [plaats B] op de trein zal zetten, zodat zij van daaruit zelf naar [plaats A] kunnen reizen.

De vader heeft de rechtbank verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans het verzoek af te wijzen, kosten rechtens.

Conform afspraak met mr Paris wordt volstaan met het vermelden van de strekking van het verzoekschrift en het vermelden van het indienen van een verweerschrift zonder verder op de inhoud van de gewenste omgangsregeling resp. de inhoud van het verweerschrift in te gaan. Bij de beoordeling kan ev. op het voorgaande worden ingegaan.

Beoordeling

Verzoek ex artikel 1:253a BW

Overweging in verband met EG-verordening (Brussel II / Brussel IIbis voor verzoeken vanaf 1 maart 2005 ingediend

Op 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (Stb. 2008, 500). Nu in deze wet geen overgangsrecht is opgenomen, heeft de wet met ingang van voornoemde datum onmiddellijke werking.

Op het verzoek van de moeder tot wijziging van de omgangsregeling is artikel 1:253a BW, zoals dat thans luidt, van toepassing. In het vervolg zal de rechtbank de term 'omgangsregeling' niet meer hanteren, maar - conform de terminologie van genoemde wet - spreken over een regeling aangaande de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook te noemen: contactregeling).

Ingevolge het vierde lid van artikel 1:253a BW is artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing. Ingevolge dit artikel kan de rechtbank, voor zover hier van belang, op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

De moeder heeft gesteld dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu de minderjarigen niet langer één weekend per veertien dagen bij hun vader in Limburg wensen door te brengen. Nu de minderjarigen dit - in eerste instantie - in raadkamer hebben erkend, zal de rechtbank in het navolgende overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de moeder.

De rechtbank dient de vraag te beoordelen of, en zo ja, in welk opzicht, een wijziging van de eerdere beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtvaardigd is.

De moeder heeft verzocht zowel de frequentie van het contact tussen de vader en de minderjarigen als de haal- en brengregeling te wijzigen.

Frequentie van het contact

Uit het verhoor van de minderjarigen in raadkamer is gebleken dat de wens van de minderjarigen om niet meer zo vaak naar hun vader te gaan met name is ingegeven doordat zij het niet fijn vinden dat de vader de scheiding met hen bespreekt. De minderjarigen hebben echter te kennen gegeven dat zij, conform de huidige regeling, één weekend per veertien dagen met de vader willen doorbrengen als de vader niet meer met hen over de scheiding zal praten. De vader heeft toegezegd dat hij hier rekening mee zal houden. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de vader deze toezegging, in het belang van de minderjarigen, gestand doet en de minderjarigen in het vervolg niet meer zal betrekken bij zaken aangaande de scheiding tussen partijen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een wijziging van de frequentie van de huidige contactregeling niet gerechtvaardigd, zodat het verzoek van de moeder in zoverre zal worden afgewezen. Het voorgaande brengt met zich dat de vader (nog steeds) gerechtigd is om de minderjarigen één weekend per veertien dagen van vrijdag tot zondag, de helft van de korte schoolvakanties en de eerste drie weken van de zomervakantie bij zich te hebben. De rechtbank merkt op dat, indien de minderjarigen een bepaald weekend wegens activiteiten elders niet met de vader kunnen doorbrengen, dit weekend gecompenseerd dient te worden. Partijen dienen in die situatie in onderling overleg een ander weekend af te spreken waarin de minderjarigen bij de vader zullen zijn.

Haal- en brengregeling

De rechtbank is met de moeder van oordeel dat de minderjarigen, gelet op hun leeftijd, in staat dienen te worden geacht om zelf met de trein van de ene ouder naar de andere ouder te reizen. Ook de minderjarigen zelf hebben in raadkamer desgevraagd te kennen gegeven zich capabel genoeg te achten om zelf met de trein van de ene ouder naar de andere ouder te gaan. Gelet hierop acht de rechtbank wijziging van de huidige haal- en brengregeling gerechtvaardigd, zodat zij voorbij zal gaan aan het bezwaar van de vader op dit punt. De rechtbank zal, conform hetgeen ter terechtzitting reeds met partijen is besproken, bepalen dat de moeder de minderjarigen op vrijdag in [plaats A] op de trein zet, op een zodanig tijdstip dat de minderjarigen uiterlijk om 20.00 uur op het station in [plaats B] aankomen, alwaar de vader hen ophaalt, alsmede dat de vader de minderjarigen op zondag in [plaats B] op de trein zet, op een zodanig tijdstip dat de minderjarigen uiterlijk om 20.00 uur op het station in [plaats A] aankomen, alwaar de moeder hen ophaalt. De rechtbank merkt op dat de kosten van het treinvervoer voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft, dienen te komen.

Ter terechtzitting hebben partijen afgesproken dat zij de eerste twee keer een gedeelte van de treinreis samen met de minderjarigen zullen afleggen, in die zin dat de moeder op vrijdag samen met de minderjarigen naar [plaats E] zal reizen, alwaar zij de minderjarigen op de trein richting [plaats F] zal zetten, vanaf welk station de vader met de minderjarigen naar [plaats B] zal reizen. Op zondag zal de vader met de minderjarigen meereizen naar [plaats F], alwaar hij hen op de trein naar [plaats E] zet. Op dat station zal de moeder de minderjarigen opwachten, teneinde hen te vergezellen gedurende de treinreis naar [plaats A]. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen inmiddels conform voornoemde afspraken met de minderjarigen zijn meegereisd, zodat de minderjarigen de treinreis in het vervolg zonder begeleiding van hun ouders kunnen afleggen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt, met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van

20 maart 2008, dat de minderjarigen bij de vader zullen zijn:

- gedurende één weekend in de veertien dagen van vrijdag tot zondag, waarbij geldt dat:

* de moeder de minderjarigen op vrijdag in [plaats A] op de trein zet, op een zodanig tijdstip dat de minderjarigen uiterlijk om 20.00 uur op het station in [plaats B] aankomen, alwaar de vader hen ophaalt;

* de vader de minderjarigen op zondag in [plaats B] op de trein zet, op een zodanig tijdstip dat de minderjarigen uiterlijk om 20.00 uur op het station in [plaats A] aankomen, alwaar de moeder hen ophaalt;

- de helft van de korte schoolvakanties;

- de eerste drie weken van de zomervakantie;

en verklaart deze regeling aangaande de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, bijgestaan door

mr. J.M.A.L. de Backer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

23 juni 2009.