Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1010

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
337805/JERK 09-1293
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vraagtekens bij opvoedkwaliteien van de moeder; moeder niet de kans gehad te laten zien dat zij wel voor minderjarige kan zorgen; onvoldoende aangevoerd op grond waarvan de conclusie moet worden getrokken dat moeder daartoe helemaal niet in staat is, daarom aanhouding van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing om onderzoek te laten verrichten door het NIFP

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Kinderrechter

Zaak/rekestnummer: 337805 / JE RK 09-1293

Datum uitspraak: 16 juni 2009

Verzoek machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het verzoekschrift van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (verder: WSJ) namens de Stichting Bureau Jeugdzorg.

Het verzoekschrift heeft betrekking op de minderjarige:

[A], geboren op [datum] 2009 te [plaats A]

kind van:

[de heer B] (verder de vader),

wonende te [plaats A],

en

[mevrouw C] (verder de moeder),

wonende te [plaats A],

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.

De minderjarige verblijft feitelijk in een voorziening voor pleegzorg.

Procesgang

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 10 maart 2009 de minderjarige onder toezicht gesteld van 10 maart 2009 tot 10 maart 2010.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 21 april 2009 aan de WSJ een (spoed)machtiging verleend voornoemde minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 21 april 2009 tot 22 mei 2009.

Aanvankelijk heeft de WSJ, op 14 mei 2009, een verzoekschrift met bijlagen ingediend, strekkende tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor een periode van drie maanden; bij faxbericht d.d. 19 mei 2009 heeft de WSJ het verzoek gewijzigd in die zin dat thans een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling wordt verzocht.

Bij beschikking d.d. 19 mei 2009 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd van 22 mei 2009 tot 18 juni 2009 en de behandeling van het verzoek aangehouden tot een nadere terechtzitting. De reden voor de aanhouding was gelegen in het feit dat de WSJ de conclusie, dat een terugplaatsing van de minderjarige naar moeder niet meer aan de orde is, naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende heeft onderbouwd. Voorts diende de WSJ duidelijkheid te verschaffen omtrent de opgestelde veiligheidslijst door leden van het expertiseteam van de William Schrikkergroep.

De kinderrechter heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:

- de brief d.d. 12 juni 2009, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Op 16 juni 2009 is de behandeling van het verzoek ter terechtzitting voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

- namens de WSJ: mevrouw [D] (inhoudelijk manager), mevrouw [E] (staffunctionaris van het expertisecentrum van de William Schrikker Groep) mevrouw [F] (de gezinsvoogd), alsmede mr. T.I. Visser, als raadsvrouw optredend voor de WSJ;

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. O. Huisman;

- de grootmoeder (moederszijde), mevrouw [G], als informant;

- de oom (vaderszijde), de heer [H], als informant.

Beoordeling

Van de zijde van de WSJ wordt het verzoek tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling gehandhaafd. De bevindingen van het expertiseteam van de William Schrikker Groep, neergelegd in de veiligheidslijst, rechtvaardigen dit verzoek, aldus de WSJ. In casu gaat het om een zwakbegaafde moeder met psychische problemen, waaronder een borderlinestoornis, die door factoren van buitenaf - in het bijzonder wordt het contact met de vader van [de minderjarige] genoemd - impulsdoorbraken kan krijgen die maken dat moeder agressief wordt, hetgeen gevaar oplevert voor de veiligheid van de minderjarige. In die situatie valt geen verbetering te verwachten, zodat een terugplaatsing naar de moeder niet geïndiceerd lijkt te zijn. Desgevraagd is van de zijde van de WSJ verklaard dat, in tegenstelling tot wat doorgaans de praktijk is, het expertiseteam niet met de moeder (en grootmoeder) zelf heeft gesproken, maar dat slechts is afgegaan op de informatie van de gezinsvoogd. De rol van het expertiseteam is bovendien in die zin beperkt dat het team zich in principe alleen richt op de wijze waarop de besluitvorming ten aanzien van het verzoek tot uithuisplaatsing tot stand is gekomen.

Van de zijde van de WSJ is voorts verklaard dat de meest cruciale hechtingsperiode voor minderjarigen in het algemeen plaatsvindt tussen de zevende en de achttiende maand na de geboorte (de minderjarige is nu ruim twee maanden oud). Gedurende die periode is het van groot belang dat de minderjarige zich zoveel mogelijk in hetzelfde, veilige (pleeg)gezin bevindt. Voor zover de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de minderjarige (voorlopig) teruggeplaatst wordt bij moeder, dient er daarom volgens de WSJ direct een perspectief biedend pleeggezin beschikbaar te zijn wanneer mocht blijken dat moeder de zorg voor de minderjarige toch niet aan blijkt te kunnen. Alleen op die manier kan worden voorkomen dat de minderjarige na een nieuwe uithuisplaatsing binnen korte tijd verschillende keren van (pleeg)gezin zal moeten wisselen waardoor het hechtingsproces ernstig kan worden verstoord. Zonder een machtiging tot uithuisplaatsing is het echter niet mogelijk om de minderjarige op een wachtlijst te plaatsen voor een perspectief biedend pleeggezin, aldus de WSJ.

Van de zijde van de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek tot uithuisplaatsing. De veiligheidslijst vormt onvoldoende onderbouwing voor het verzoek, temeer nu slechts is afgegaan op de informatie van de gezinsvoogd en de moeder zonder nader onderzoek reeds wordt gediskwalificeerd als opvoeder. Moeder heeft daarom zelf stukken in het geding gebracht, te weten een rapport d.d. 11 juni 2009 van psychiater V.M. Artist, die moeder psychiatrisch heeft onderzocht, en een brief d.d. 28 mei 2009 van de behandelaar van moeder, mevrouw C. Sibeijn GZ-psycholoog. Deze stukken ondersteunen het standpunt van moeder dat zij door medicijngebruik en door haar inzet haar borderlinestoornis onder controle heeft en dat het te vroeg is om te oordelen dat zij zonder ambulante hulp en ondersteuning van grootmoeder niet in staat zou zijn om de minderjarige naar behoren op te voeden.

Grootmoeder heeft verklaard het standpunt van moeder te onderschrijven en dat zij er van overtuigd is dat moeder, met haar hulp, in staat is om goed voor de minderjarige te zorgen.

Vader sluit zich ook aan bij het standpunt van moeder en wil heel graag dat zij de kans krijgt om te laten zien dat ze voor de minderjarige kan zorgen.

De kinderrechter overweegt als volgt.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting overweegt de kinderrechter dat naar zijn oordeel de WSJ nog immer onvoldoende heeft onderbouwd waarom een uithuisplaatsing in het belang van de minderjarige moet worden geacht. De kinderrechter acht het op zijn minst opmerkelijk dat bij de informatievergaring die heeft geleid tot voornoemde veiligheidslijst, welke veiligheidslijst één van de belangrijkste argumenten voor de WSJ vormt voor de uithuisplaatsing, slechts is afgegaan op de informatie van de gezinsvoogd en niet - op onderzoek - van moeder en haar familie, terwijl dat wel in de rede had gelegen. Daargelaten de waarde die moet worden toegekend aan het van de zijde van moeder in het geding gebrachte psychiatrisch rapport, worden in dat rapport naar het oordeel van de kinderrechter daarom terecht vraagtekens gezet bij het belang dat aan de risicotaxatie wordt toegedicht. De kinderrechter acht het gelet daarop van belang dat er zo spoedig mogelijk een onafhankelijk onderzoek komt en hij zal het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) verzoeken een onderzoek te (laten) verrichten naar de volgende vragen:

- Wat is het ontwikkelingsniveau van de minderjarige? Zijn er aanwijzingen voor problematiek en wat is de achtergrond daarvan?

- Hoe verloopt de gehechtheidsontwikkeling? Zijn er aanwijzingen voor problematiek en wat is de achtergrond daarvan?

- Wat zijn de opvoedingsbehoeften van de minderjarige?

- Is hulpverlening voor de minderjarige geïndiceerd? En zo ja, in welke vorm en waarop gericht?

- Wat zijn de affectieve en pedagogische vaardigheden van de moeder in relatie tot de opvoedingsbehoeften van de minderjarige?

- Wat zijn de cognitieve vermogens van moeder?

- Hoe is de persoonlijkheid van de moeder en zijn er aanwijzingen voor (persoonlijkheids)problematiek? In hoeverre wordt het handelen van de moeder ten opzichte van het kind hierdoor belemmerd?

- Hoe is de relatie tussen de opvoeders onderling (moeder en grootmoeder);

- Is er hulpverlening voor de moeder geïndiceerd, en zo ja, in welke vorm en waarop gericht?

- Wat zijn de (contra) indicaties voor opvoeding en verzorging van de minderjarige bij de moeder en is zij in staat, al dan niet met behulp van haar netwerk (in het bijzonder grootmoeder) en ambulante hulp, de minderjarige een goed en veilig opvoedklimaat te bieden?

Het staat het NIFP vrij ook overige opmerkingen en/of conclusies weer te geven die men

van belang acht in het kader van bovengenoemd onderzoek.

Hoewel aannemelijk is dat er bepaalde risicofactoren zijn die maken dat er vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de opvoedkundige capaciteiten van moeder, heeft zij tot nu toe geen kans gekregen om te laten zien dat zij voor haar kind kan zorgen. Naar het oordeel van de kinderrechter is er tot nu toe onvoldoende aangevoerd op grond waarvan de conclusie moet worden getrokken dat zij daartoe in het geheel niet in staat is. Gelet daarop en gezien het door de WSJ gestelde omtrent de fase van hechting waarin de minderjarige zich nu bevindt, acht de kinderrechter het in het belang van de minderjarige het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing aan te houden, zodat de minderjarige de facto (voorlopig) thuis zal worden geplaatst. De minderjarige is nu bovendien in een crisispleeggezin geplaatst en zal daar waarschijnlijk niet langer kunnen blijven. Door de thuisplaatsing wordt de door het NIFP in te schakelen onderzoeker(s) voorts ruimschoots in de gelegenheid gesteld om de interactie tussen de minderjarige en moeder (alsmede grootmoeder) nader te onderzoeken.

De kinderrechter gaat er uitdrukkelijk vanuit dat moeder alle hulp van de gezinsvoogd zal aanvaarden en dat de gezinsvoogd op haar beurt zal zorgen voor voldoende contact tussen de vader en de minderjarige.

Gezien de aard van de problematiek ziet de kinderrechter aanleiding de verdere behandeling van de zaak aan te houden en te verwijzen naar de terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 15 september 2009 te 10.50 uur. De WSJ wordt verzocht om de rechtbank tijdig voorafgaand aan genoemde zitting nader te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de minderjarige tot dan toe. Voorts verwacht de kinderrechter van de WSJ dat wordt onderzocht op welke wijze moeder kan worden ondersteund bij de opvoeding van de minderjarige; het rapport van de deskundige behoeft daarvoor niet te worden afgewacht.

Gelet op de aard van voornoemde beslissing stelt de kinderrechter ingevolge artikel 358 lid 4 Rv partijen in staat tussentijds hoger beroep in te stellen tegen deze (tussen)beschikking.

Gelet op het vorenstaande zal de kinderrechter beslissen als na te melden.

Beslissing

De kinderrechter:

verzoekt het NIFP een onderzoek te (laten) verrichten ter fine als hierboven overwogen en daartoe te rapporteren uiterlijk vóór 1 september 2009;

bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de gedingstukken zal sturen aan:

Het NIFP, locatie 's-Gravenhage

Raamweg 8

2596 HL 's-Gravenhage

Telefoon 088-0710360

stelt partijen tot 8 september 2009 in de gelegenheid schriftelijk op de rapportage te reageren;

houdt de behandeling van het verzoek met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan tot de terechtzitting van de meervoudige kamer op 15 september 2009 te 10.50 uur;

belanghebbenden en hun raadslieden, de grootmoeder, de heer [H] en mevrouw [F] zijn aangezegd om op voormelde zitting te verschijnen;

bepaalt dat partijen tussentijds hoger beroep kunnen instellen van deze beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. H.A.G. Nijman, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2009, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.