Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0980

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
320666/JE RK 08-2415
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

machtiging uithuisplaatsing, met bepaling omgang tussen ouders en minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Zaak/rekestnummer: 320666 / JE RK 08-2415

Datum uitspraak: 12 juni 2009

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het verzoekschrift van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Den Haag Zuid/Rijswijk (verder: Bureau Jeugdzorg).

Het verzoekschrift heeft betrekking op de minderjarige:

[A], geboren op [datum] 2006 te [plaats A],

kind van:

[mevrouw B] (verder de moeder),

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent,

en

erkend door

[de heer C] (verder de vader),

beiden wonende te [plaats A].

De minderjarige verblijft feitelijk in een voorziening voor pleegzorg.

Procesgang

Voor een overzicht van de procesgang in onderhavige zaak vóór 26 mei jl. wordt verwezen naar de beschikking d.d. 26 mei 2009 van de meervoudige kamer van deze rechtbank, waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd. Bij voornoemde beschikking is de aan Bureau Jeugdzorg verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen verlengd van 29 mei 2009 tot 13 juni 2009; voor het overige is de zaak aangehouden. De reden voor de aanhouding was gelegen in het feit dat zowel de raadsman van de ouders als de rechtbank slechts over een conceptrapportage van het in onderhavige zaak gelastte psychologisch onderzoek beschikten en de raadsman van de ouders tijd nodig had om de definitieve versie van het rapport - met de bijlagen - met de vader en de moeder te bespreken.

De rechtbank heeft nadien kennis genomen van de definitieve rapportage forensisch psychologisch diagnostisch onderzoek in civiel kader betreffende [de minderjarige A] d.d. 13 mei 2009, met bijlagen, opgesteld door drs. M.M. Schouten van het Haags Ambulatorium.

Het verzoekschrift is op 9 juni 2009 opnieuw ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- mevrouw [D], de gezinsvoogd, en mevrouw [E], gedragswetenschapper, namens Bureau Jeugdzorg;

- de vader en de moeder, bijgestaan door hun raadsman, mr. J. Gravesteijn;

- [als informante] mevrouw [F] van de Stichting Paus Johannes de 23e, die de ouders begeleidt.

Beoordeling

Bureau Jeugdzorg handhaaft het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Bureau Jeugdzorg heeft begrip voor de wensen van de ouders, die graag een uitgebreidere omgangsregeling zouden willen. Bureau Jeugdzorg betreurt het dat de minderjarige te vaak van pleeggezin heeft moeten wisselen en erkent dat er in dat opzicht fouten zijn gemaakt. Niettemin worden de conclusies van het onderzoek van drs. Schouten door Bureau Jeugdzorg onderschreven. De minderjarige bevindt zich in een zeer belangrijke fase waar het de hechting - aan de pleegouders - betreft en uitbreiding van de omgangsregeling wordt op dit moment niet in zijn belang geacht. Er is tot nu toe zelfs nog helemaal geen sprake geweest van veilige hechting en het risico bestaat dat als het hechtingsproces thans teveel wordt verstoord, er op termijn een reactieve hechtingsstoornis zal ontstaan, waardoor de minderjarige zich verder moeilijk zal kunnen ontwikkelen. Volgens Bureau Jeugdzorg kunnen de ouders niet bieden waar de minderjarige op dit moment behoefte aan heeft. Zo hebben zij tot nu toe nog niet echt contact met hem kunnen maken en kunnen zij niet anticiperen op zijn behoeften en hem geen structuur en veiligheid bieden. De huidige pleegouders en het gastgezin, waar de minderjarige ook regelmatig verblijft, zijn daartoe wel in staat, aldus Bureau Jeugdzorg. Bureau Jeugdzorg sluit niet uit dat er op termijn, wanneer het hechtingsproces op gang is gekomen, wel ruimte zal zijn voor uitbreiding van de omgangsregeling. Op dit moment is echter moeilijk in te schatten wanneer het precies zover zal zijn.

De ouders voeren niet langer verweer tegen het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij zien echter niet in waarom de omgangsregeling niet zou kunnen worden uitgebreid. De huidige omgangsregeling, waarbij zij [de minderjarige] slechts één dag per drie weken zien, stelt hen niet in staat om enige band met hem op te bouwen. Een omgangsregeling van één of twee dagen per week zou hen daartoe wel in staat stellen, aldus de ouders.

De ouders zijn van mening dat in het rapport veel feitelijke onjuistheden staan die waarschijnlijk zijn overgenomen uit oude rapportages van Bureau Jeugdzorg, welke rapportages ook al niet klopten. Vaststaat dat Bureau Jeugdzorg de onderzoeker buiten de ouders om allerlei informatie heeft verstrekt, hetgeen partijdigheid in de hand heeft gewerkt.

Het belangrijkste bezwaar van de ouders is dat de conclusies die drs. Schouten en Bureau Jeugdzorg aan het rapport verbinden - dat de omgangsregeling niet zou moeten worden uitgebreid - niet lijkt voort te vloeien uit de inhoud van het rapport zelf. Zo vormt één van de contra-indicaties voor uitbreiding van de omgangsregeling volgens de onderzoeker het feit dat ouders niet goed overweg kunnen met Bureau Jeugdzorg. Dat vinden de ouders echter irrelevant en bovendien valt hen in redelijkheid niet kwalijk te nemen dat zij enige wrok voelen jegens Bureau Jeugdzorg, gelet op de wijze waarop met hen en met hun zoon is omgesprongen.

Als belangrijkste contra-indicatie wordt zowel door de onderzoeker als door Bureau Jeugdzorg de gestoorde gehechtheidsontwikkeling van de minderjarige genoemd. Daargelaten dat het aan Bureau Jeugdzorg zelf te wijten is dat [de minderjarige] zo vaak van pleeggezin heeft moeten wisselen - de ouders zijn tot nu toe de enige constanten geweest in het leven van de minderjarige - heeft [de minderjarige] ook thans door toedoen van Bureau Jeugdzorg veel te veel personen in zijn omgeving waardoor de hechting waarschijnlijk moeilijk op gang kan komen. Naast bij de ouders en pleegouders, verblijft [de minderjarige] ook twee dagen per week in een gastoudergezin en gaat hij naar een peuterspeelzaal. De ouders zien in ieder geval niet in waarom [de minderjarige] in het gastoudergezin zou moeten verblijven en gedurende die tijd niet bij hen zou kunnen zijn. Voor [de minderjarige] zal de situatie in dat geval een stuk rustiger worden, waardoor zijn hechtingsproces beter op gang kan komen. De ouders krijgen bovendien voldoende hulp bij de omgang met [de minderjarige] van Stichting Paus Johannes de 23e en zij aanvaarden die hulp ook.

Mevrouw [F] heeft verklaard het standpunt van de ouders te onderschrijven in die zin dat de omgangsregeling kan worden uitgebreid naar wekelijkse contacten. Stichting Paus Johannes de 23e begeleidt de ouders al geruime tijd bij de omgangscontacten. Naar de mening van de Stichting verlopen die contacten zeer goed en is er nauwelijks meer begeleiding nodig. De omgangscontacten worden één keer per maand beoordeeld door een multidisciplinair team van de Stichting, waarbij ook een orthopedagoog aanwezig is. De ouders beschikken volgens mevrouw [F] over voldoende capaciteiten en faciliteiten om de minderjarige goed op te vangen en doen op tijd een beroep op de Stichting als zij hulp nodig hebben. De Stichting is 24 uur per dag bereikbaar voor de ouders.

Mevrouw [F] heeft ter zitting voorts verklaard dat zij moeilijk contact krijgt met Bureau Jeugdzorg, dat door Bureau Jeugdzorg niet naar haar ervaringen met de ouders is geïnformeerd en dat zij bezorgd is over de handelwijze van Bureau Jeugdzorg.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing is de rechtbank, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:261 lid 1 Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn, zodat zal worden beslist als na te melden.

Ten aanzien van de door de ouders verzochte uitbreiding van de omgangsregeling overweegt de rechtbank allereerst dat zij voorop stelt dat haar beslissing steunt op artikel 1:263a van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank past dit artikel toe gelet op de wijze van procederen van Bureau Jeugdzorg zoals die is omschreven in de beschikking van de kinderrechter van 4 november 2008.

De rechtbank acht het niet onwaarschijnlijk dat de hechtingsproblematiek die zich bij de minderjarige kennelijk openbaart, tenminste gedeeltelijk te wijten is aan het feit dat hij binnen korte tijd vele malen van pleeggezin is gewisseld. De rechtbank heeft dan ook begrip voor de mening van de ouders, die vinden dat zij de dupe zijn geworden van een omstandigheid waaraan zij niets kunnen doen. Het belang van de minderjarige brengt echter niet met zich dat een dergelijke - op zichzelf laakbare - handelwijze gesanctioneerd dient te worden door zonder meer de omgangsregeling tussen de ouders en de minderjarige uit te breiden. De rechtbank is namelijk van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de minderjarige zich in een cruciale fase bevindt waar het zijn hechting betreft en dat er alles aan moet worden gedaan om te voorkomen dat hij een reactieve hechtingsstoornis ontwikkelt. De hechting aan de pleegouders dient op dit moment dan ook centraal te staan voor de minderjarige en een te ruime omgangsregeling met de ouders zal dit proces in gevaar kunnen brengen.

De rechtbank constateert anderzijds dat zowel in het kader van het onderzoek van drs. M.M. Schouten als van de zijde van Bureau Jeugdzorg onvoldoende gebruik is gemaakt van de ervaringen van de Stichting Paus Johannes de 23e. Wat de redenen daarvoor ook mogen zijn, de rechtbank gaat uit van de professionaliteit van deze organisatie en kent belang toe aan hetgeen mevrouw [F] ten aanzien van haar observaties in het kader van de omgang tussen de ouders en de minderjarige heeft verklaard. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat de ouders - onder de begeleiding van de Stichting - in staat zijn om op een verantwoorde wijze invulling te geven aan de omgangsregeling.

Gezien het voorgaande, de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat Bureau Jeugdzorg onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het korte verblijf van de minderjarige bij zijn ouders in het kader van de omgangsregeling - alsmede een bescheiden uitbreiding van die omgangsregeling - een gevaar zal opleveren voor het hechtingsproces. Dit terwijl een uitbreiding - met name wat langer aaneengesloten - de ouders wel de mogelijkheid zal geven een betere invulling aan de omgang te geven, in die zin dat zij dan, zoals gewenst, meer met de minderjarige kunnen ondernemen, hetgeen hun band met de minderjarige ten goede zal komen. De rechtbank zal gelet daarop beslissen dat de omgangsregeling in het belang van de minderjarige zal worden uitgebreid naar éénmaal in de drie weken van vrijdagochtend 10.00 uur tot zaterdagmiddag 17.00 uur, in te gaan op 3 juli 2009. De rechtbank gaat er voorts van uit dat Bureau Jeugdzorg ter gelegenheid van een eventueel verlengingsverzoek van de machtiging tot uithuisplaatsing, de mogelijkheden tot verdere uitbreiding van de omgangsregeling zal bezien en dat daarbij beter gebruik zal worden gemaakt van de informatie van Stichting Paus Johannes de 23e met betrekking tot de capaciteiten van de ouders en het verloop van de omgang tussen hen en de minderjarige.

Derhalve zal worden beslist als na te melden.

Beslissing

De rechtbank:

verlengt de aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten van 13 juni 2009 tot 7 november 2009, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 26 september 2008;

bepaalt dat de ouders met ingang van 3 juli 2009 gerechtigd zijn de minderjarige bij zich te hebben: éénmaal in de drie weken van vrijdagochtend 10.00 uur tot zaterdagmiddag 17.00 uur;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs P.D. Veenendaal (voorzitter), M. Dam en A. Zonneveld, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2009, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Voor zover in deze uitspraak eindbeslissingen staan kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage.