Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0703

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
340436/JE RK 09-1606, 338591/JE RK 09-1365, 339626/JE RK 09-4586
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ots+ muhp+ vervallen verklaring muhp+ vervangende toestemming paspoort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Zaak/rekestnummers:

I. 340436/ JE RK 09-1606

II. 338591/ JE RK 09-1365

III. 339626/ JE RK 09-4586

Datum uitspraak: 21 juli 2009

Verzoeken tot: verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing (I), vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing (II) en vervangende toestemming ter verkrijging van een paspoort (III).

Beschikking op de verzoekschriften (I) van de stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland (verder te noemen: Bureau Jeugdzorg).

Tevens beschikking op de verzoekschriften (II en III) van [de heer A] (verder te noemen: de vader), wonende te [plaats A], Verenigd Koninkrijk,

advocaat: mr. C. de Jongh, te 's-Gravenhage.

De verzoekschriften hebben betrekking op de minderjarigen:

1. [A] geboren te [plaats C] Verenigd Koninkrijk op [datum] 1994,

2. [B] geboren te [plaats C] Verenigd Koninkrijk op [datum] 1997,

3. [C], geboren te [plaats D] op [datum] 1999,

kinderen van de vader voornoemd en

[ mevrouw B] (verder te noemen: de moeder),

wonende te [plaats E]

de vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over genoemde minderjarigen.

De minderjarigen verblijven feitelijk in De Kim van Stichting Cardea.

Procesgang

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 14 oktober 2008 de

ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd van 15 oktober 2008 tot 25 juli 2009. Voorts heeft de kinderrechter bij genoemde beschikking de aan Bureau Jeugdzorg verleende machtiging de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen verlengd van 15 oktober 2008 tot 25 juli 2009.

Bij beschikking d.d. 9 juni 2009 heeft de kinderrechter in deze rechtbank op het op 19 mei 2009 door de vader ingediende verzoek tot vervallen verklaring van een schriftelijke aanwijzing, de door Bureau Jeugdzorg aan de vader gegeven schriftelijke aanwijzing d.d. 14 mei 2009 gedeeltelijk vervallen verklaard. Daarbij heeft de kinderrechter bepaald dat de vader met de minderjarigen tot 21 juli 2009 onbegeleide omgang met overnachting in Nederland mag hebben, waarbij Bureau Jeugdzorg een en ander dient te faciliteren. Voor het overige is de zaak aangehouden en ter verdere behandeling doorverwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. De kinderrechter overwoog daarbij, kort gezegd, dat Bureau Jeugdzorg vóór 21 juli 2009 duidelijkheid diende te verschaffen over de woon- en leefsituatie en de opvoedingscapaciteiten van vader. Voorts diende Bureau Jeugdzorg te onderbouwen welke omgangsregeling tussen de minderjarigen en de vader in het belang van de minderjarigen moet worden geacht en waar het toekomstperspectief van de minderjarigen ligt.

Op 8 juni 2009 is door de vader een verzoek ingediend tot het verlenen van vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort voor alle drie de minderjarigen.

Op 16 juni 2009 heeft Bureau Jeugdzorg (drie) verzoekschriften met bijlagen ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor alle drie de minderjarigen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Bureau Jeugdzorg heeft daarbij indicatiebesluiten overgelegd.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de volgende stukken:

- de op 17 juli 2009 ter griffie van de rechtbank ingekomen brief d.d. 9 juni 2009 van de moeder;

- de faxbrieven (twee) d.d. 20 juli 2009 van Bureau Jeugdzorg met als bijlagen onder meer een observatieverslag van de bezoeken van de vader aan de minderjarigen en een rapportage van de International Social Service;

- de op 21 juli 2009 ter griffie van deze rechtbank ingekomen brief d.d. 20 juli 2009 van de zijde van de vader, met bijlage.

De verzoekschriften zijn op 21 juli 2009 (opnieuw, voor zover het verzoek II betreft) gevoegd, tezamen met het verzoek van de vader betreffende het ouderlijk gezag (met zaaknummer 329220) ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Daarbij zijn verschenen:

- de vader, vergezeld van zijn raadsman, mr. De Jong voornoemd, alsmede een tolk;

- de moeder, vergezeld van mevrouw Odijk van Stichting De Binnenvest te Leiden;

- namens Bureau Jeugdzorg: de heer R. David, mevrouw mr. L. Goei en de heer M.D. Wijnands;

- namens de Raad voor de Kinderbescherming: mevrouw E.K.M. Bakker.

De minderjarige [A] heeft zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.

Beoordeling

Bureau Jeugdzorg heeft verklaard de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te handhaven. Het observatieverslag d.d. 15 juli 2009 van de bezoeken van de vader aan de minderjarigen en de rapportage van de International Social Service laten op zichzelf een positief beeld zien van vader. De interactie tussen vader en de minderjarigen lijkt zeer goed te verlopen. Voor Bureau Jeugdzorg staat vast dat vader in Nederland in ieder geval onbeperkte omgang met de minderjarigen kan hebben en voorts vindt Bureau Jeugdzorg het in het belang van de minderjarigen dat zij sommige vakanties bij hun vader in Engeland doorbrengen.

Hoewel de vader als verzorgende ouder een goede optie lijkt te zijn, is het voor Bureau Jeugdzorg echter nog te vroeg om te kunnen concluderen dat de minderjarigen definitief op hun plek zijn bij vader in Engeland en is verder onderzoek nog gewenst. Zo twijfelt Bureau Jeugdzorg of de huidige woning van vader geschikt is om drie kinderen op te voeden. Het is aan de vader om zich in dat kader pro-actief op te stellen, door bijvoorbeeld alvast voor geschikte woonruimte te zorgen en een plan te maken onder welke omstandigheden de minderjarigen naar Engeland kunnen komen.

De minderjarigen verblijven nu alle drie in logeerhuis De Kim van Cardea. Voordat de vader als mogelijke opvoeder in beeld kwam, leek het niet mogelijk om hen bij elkaar in één (pleeg)gezin te plaatsen. Voor [A] is daarom een traject ingezet dat hij op termijn in "De Steiger" in Dordrecht zou kunnen worden geplaatst; dat betreft een gespecialiseerde groep voor kinderen met een autistiforme gedragsstoornis. [B] is in afwachting van een plaats in een gezinsgroep van STEK in Gouda en [C] is in afwachting van een plaatsing in een netwerkgezin, bij haar tante (de zus van moeder). Hoewel deze trajecten nu op de tweede plaats zijn komen te staan - eerst moeten de mogelijkheden van vader worden onderzocht - is de vraag of de minderjarigen voorlopig in De Kim kunnen blijven afhankelijk van die instelling zelf. Bureau Jeugdzorg acht het echter wel in het belang van [C] om de bezoeken aan haar tante voorlopig te blijven uitbreiden, nu zij het kennelijk erg prettig vindt bij haar tante.

Van de zijde van de vader wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Vader is het echter niet eens met het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het feit dat er tot nu toe nog geen uitgebreid onderzoek naar hem plaats heeft kunnen vinden, is volgens vader te wijten aan het feit dat Bureau Jeugdzorg pas laat in actie is gekomen. Vader vindt het erg onduidelijk wat Bureau Jeugdzorg wil en hoe zij een en ander willen onderzoeken. Een uitgebreid onderzoek naar zijn pedagogische vaardigheden lijkt bovendien erg lastig zolang de kinderen niet daadwerkelijk bij hem in Engeland verblijven. Vader heeft Bureau Jeugdzorg verzocht om een lijst met voorwaarden waaraan hij moet voldoen wanneer de kinderen bij hem worden geplaatst. Deze lijst heeft hij overgelegd bij brief d.d. 20 juli 2009 (hiervoor genoemd). Hij is van mening dat hij aan al deze voorwaarden voldoet; hij kan bovendien goed met zijn kinderen overweg en hij wil erg graag voor hen zorgen. Zijn familie en ook maatschappelijk werk in Engeland staan volgens vader klaar om hem te helpen en te ondersteunen bij de opvoeding van de kinderen. Vader ontkent overigens dat hij op een industrieterrein woont zoals Bureau Jeugdzorg stelt; hij werkt voor het bedrijf van zijn ouders en hij woont thans ook op grond die aan zijn ouders toebehoort.

Voor zover Bureau Jeugdzorg de minderjarigen (voorlopig) niet bij hem thuis plaatst, verzoekt de vader de rechtbank te bepalen dat hij de kinderen in Nederland onbeperkt kan bezoeken en te bepalen dat hij de kinderen tijdens de vakanties mee mag nemen naar Engeland. Een netwerkplaatsing van [C] bij haar tante, acht vader niet in het belang van [C] nu de kinderen er baat bij hebben dat ze alle drie bij elkaar blijven. Bovendien is de verstandhouding tussen vader en de zus van moeder enigszins verstoord en vader vreest dat zijn contact met [C] dan gevaar zal lopen.

Voor wat betreft het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort voor de minderjarigen, voert de vader aan dat de moeder weliswaar thans toezegt dat zij mee zal werken, maar dat hij gezien haar gedrag in het verleden geen vertrouwen heeft in die toezegging.

De moeder verwijst voor wat betreft haar verweer naar de door haar in het geding gebrachte brief d.d. 9 juni 2009, waarin zij uitgebreid haar visie geeft op de situatie. Kort weergegeven komt haar visie erop neer dat zij niet gelukkig is met de handelwijze van Bureau Jeugdzorg nu zij het gevoel heeft dat zij overal buiten wordt gehouden en dat zij haar kinderen te weinig mag zien. Zij wil graag dat [C] bij haar zus wordt geplaatst en dat [A] en [B] niet te ver bij haar vandaan worden geplaatst. Zij zou het verschrikkelijk vinden wanneer beslist wordt dat de kinderen naar Engeland gaan, omdat ze vreest dat ze hen dan niet meer zal zien.

De rechtbank overweegt als volgt.

I. Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn, zodat zij zal beslissen als na te melden.

Ten aanzien van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing overweegt de rechtbank als volgt. Het laat zich thans aanzien dat de minderjarigen niet meer teruggeplaatst kunnen worden bij hun moeder. Hoewel de voorhanden zijnde informatie slechts in beperkte mate inzicht geeft in de pedagogische vaardigheden van de vader, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan zijn pedagogische kwaliteiten. Hij laat vanaf het begin een positief beeld zien en er is sprake van een goede band tussen hem en de minderjarigen. Hoewel de minderjarigen kampen met diverse problematiek, wekt vader de indruk dat hij daarmee redelijk goed om kan gaan. Vader stelt zich bovendien open voor alle aan hem geboden hulpverlening en de rechtbank gaat ervan uit dat hij dit in de toekomst zal blijven doen. Hierbij komt dat de rechtbank het niet in het belang van de minderjarigen acht om hen (en de vader) nog langer in onzekerheid te laten over hun toekomstige verblijfplaats, waarbij wordt overwogen dat deze onzekerheid voor een groot deel is te wijten aan een te passieve rol van Bureau Jeugdzorg met betrekking tot de rol van de vader als opvoeder. Daarnaast acht de rechtbank het beter voor de minderjarigen dat zij gezamenlijk in een gezin kunnen opgroeien. Dat klemt te meer nu de beoogde opvoeder en verzorger hun eigen vader is.

Onder de geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de ondertoezichtstelling en de vergelijkbare variant van de ondertoezichtstelling in het Verenigd Koninkrijk - de rechtbank gaat ervan uit dat Bureau Jeugdzorg voldoende mogelijkheden heeft om de ondertoezichtstelling over te dragen aan de jeugdbescherminginstanties aldaar - van de minderjarigen in beginsel toereikend is om de vader te begeleiden en te ondersteunen bij de opvoeding van de minderjarigen. Met Bureau Jeugdzorg ziet de rechtbank evenwel in dat een thuisplaatsing ineens niet in het belang van de minderjarige moet worden geacht, zodat naar het oordeel van de rechtbank thans nog voldaan is aan de gronden als bedoeld in artikel 1:261 lid 1 BW voor een (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing. De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing evenwel verlenen voor korte duur, te weten tot 21 december 2009, opdat Bureau Jeugdzorg tot die tijd in samenwerking met de vader kan toewerken naar een thuisplaatsing. Afgezien van de onbeperkte omgang in Nederland, is de vader in ieder geval gerechtigd om de minderjarigen gedurende één week in de zomervakantie en één week gedurende de herfstvakantie bij zich te hebben in Engeland. De rechtbank gaat er daarbij voorts van uit dat de minderjarigen tussentijds niet zullen worden verplaatst vanuit De Kim naar andere instellingen of pleeggezinnen, nu de rechtbank de hiermee gepaarde onrust niet in hun belang acht en de beoogde overplaatsing van de jongste minderjarige bovendien haar band met de vader in gevaar lijkt te brengen.

Nu Bureau Jeugdzorg heeft verklaard dat de overgelegde indicatiebesluiten dienen te worden aangepast, zal de rechtbank beslissen als na te melden.

Ten slotte gaat de rechtbank er vanuit dat Bureau Jeugdzorg het contact tussen de minderjarigen en hun moeder zal stimuleren.

II. Verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing

Gezien het vorenstaande en gelet op de inhoud van de schriftelijke aanwijzing d.d. 14 mei 2009, ziet de rechtbank geen aanleiding om het daarin bepaalde nog langer in stand te laten. De opgelegde beperkingen voor wat betreft het contact tussen de minderjarigen en de vader zijn immers niet langer aan de orde. De rechtbank zal de aanwijzing derhalve vervallen verklaren.

III. Verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort

Nu de moeder heeft toegezegd te zullen meewerken aan de aanvraag voor een eigen paspoort voor de minderjarigen, behoeft te dien aanzien niets meer te worden beslist. Voor zover mocht blijken dat moeder haar toezegging niet nakomt, zal de vader met behulp van de gezinsvoogd alsnog een daartoe strekkend (spoed)verzoek bij de rechtbank kunnen indienen.

BESLISSING

De rechtbank:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen van 25 juli 2009 tot 25 juli 2010 met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg,

en

verlengt de aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland verleende machtiging de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 25 juli 2009 tot 21 december 2009 en met inachtneming van hetgeen in het lichaam van deze beschikking is overwogen, te weten dat zal worden toegewerkt naar een plaatsing bij de vader in het Verenigd Koninkrijk;

bepaalt dat deze machtiging van kracht blijft indien en voor zover indicatiebesluiten, binnen 4 weken na 21 juli 2009 afgegeven, strekken tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in dezelfde categorie;

*

verklaart de schriftelijke aanwijzing d.d. 14 mei 2009 vervallen en bepaalt dat de vader met de minderjarigen onbegeleide omgang met overnachtingen in Nederland mag hebben en dat de vader gerechtigd is de minderjarigen - onbegeleid - bij zich te hebben in het Verenigd Koninkrijk gedurende één week in de zomervakantie en één week in de herfstvakantie;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Dam, V.J. de Haan en C.L. Strop, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2009, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Afgezien van de beslissing ten aanzien van het verzoek tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing - waartegen slechts cassatie in het belang der wet open staat - kan tegen eindbeslissingen in deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage.