Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0693

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
343776 FA RK 09-6241
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering, nader onderzoek van de raad gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 09-6241

Zaaknummer: 343776

Datum beschikking: 20 augustus 2009

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 21 juli 2009 ingekomen verzoek van:

De Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990, Staatsblad 202 (hierna: de Uitvoeringswet), tot uitvoering van het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, Tractatenblad 1987, 139 (hierna: het Haagse Verdrag), gevestigd te

's-Gravenhage, verder te noemen de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[mevrouw A]

hierna: de moeder,

wonende te [plaats A] België,

advocaat: M.G. de Roo-Neven te Lommel (België).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader]

hierna: de vader,

wonende te [plaats B]

advocaat: mr. G.J. Lemmen te Roermond.

Procedure

Van de zijde van de moeder is op 4 mei 2009 bij de Nederlandse Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarigen [C] en [D] naar België. Op 21 juli 2009 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Roermond ingediend.

Bij beschikking d.d. 24 juli 2009 heeft de rechtbank Roermond zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen. Op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen, juncto Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen, heeft de rechtbank Roermond bepaald dat de behandeling van deze zaak in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage zal plaatsvinden, alwaar de zaak op 27 juli 2009 is ingekomen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

- het verzoekschrift en het aanvullend verzoekschrift;

- de brieven d.d. 29 juli 2009 en 12 augustus 2009, met bijlagen, van de zijde van de Centrale Autoriteit;

- de brief d.d. 5 augustus 2009 van de zijde van de advocaat van de vrouw.

De minderjarigen [C] en [D] hebben zich op 13 augustus 2009 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 13 augustus 2009 is de zaak ter terechtzitting behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. M.M. Maljaars-Hendrikse, de moeder, de vader met zijn advocaat, alsmede de heer O. Ente namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad). Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

De moeder en de vader zijn op 18 september 1992 te Gemert met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de volgende minderjarigen geboren:

[minderjarige C] geboren op [datum] 1993 te [plaats C]

[minderjarige D], geboren op [datum] 1997 te [plaats D]

Bij vonnis van 16 oktober 2003 heeft de rechtbank te Turnhout ( België ) voor zover thans van belang, de echtscheiding tussen de moeder en de vader uitgesproken. Voorts heeft die rechtbank het tussen de moeder en de vader gesloten echtscheidingsconvenant gehomologeerd, in welk convenant zij onder meer zijn overeengekomen dat het gezag over de minderjarigen na de echtscheiding aan beide echtgenoten toekomt.

Op 24 april 2009 is de vader met de minderjarigen naar Nederland vertrokken om zich daar met hen te vestigen, zonder daartoe van de moeder toestemming te hebben verkregen.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit verzoekt, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet, de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te bevelen, althans dat de terugkeer van de minderjarigen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bevelen, dan wel te bevelen dat - indien de vader weigert hen binnen de bepaalde termijn terug te brengen naar [plaats A] in België - de vader de minderjarigen aan de moeder dient af te geven, zodat zij de minderjarigen mee terug kan nemen naar hun gewone verblijfplaats. Voorts verzoekt de Centrale Autoriteit tot betaling van de gemaakte kosten van de moeder door de vader conform artikel 26 lid 4 van het Haagse Verdrag.

De vader voert verweer en verzoekt de verzoeken van de Centrale Autoriteit af te wijzen.

Beoordeling

Het Haagse Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Haagse Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Haagse Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Haagse Verdrag).

Ongeoorloofd overbrengen in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag

Niet in geschil is dat de minderjarigen ten tijde van hun overbrenging naar Nederland op 24 april 2009 hun gewone verblijfplaats in België hadden en dat de moeder het gezagsrecht ten tijde van de overbrenging daadwerkelijk tezamen met de vader uitoefende, dan wel zou hebben uitgeoefend, indien de overbrenging niet zou hebben plaatsgevonden.

Nu de vader de minderjarigen zonder toestemming van de moeder naar Nederland heeft overgebracht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland in strijd met het gezagsrecht van de moeder is geschied. De omstandigheid dat de minderjarigen op 24 april 2009 vrijwillig met de vader zijn meegegaan, laat het voorgaande onverlet.

Gelet op het voorgaande dient de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland aangemerkt te worden als ongeoorloofd als bedoeld in artikel 3 van het Haagse Verdrag. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de minderjarigen in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Haagse Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Haagse Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 aanhef en sub b van het Haagse Verdrag

Ter terechtzitting heeft de vader naar voren gebracht dat de minderjarigen bij de moeder noch bij de vader in een voor hen gevaarlijke toestand worden gebracht. De rechtbank begrijpt hieruit dat de vader geen beroep doet op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 aanhef en sub b van het Haagse Verdrag. Deze weigeringsgrond behoeft derhalve geen nadere bespreking.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de minderjarigen zich tegen hun terugkeer verzetten en of zij een leeftijd en mate van rijpheid hebben bereikt, die rechtvaardigt dat met hun mening rekening wordt gehouden.

De rechtbank heeft de minderjarigen, die thans vijftien en elf jaar oud zijn, op 13 augustus 2009 in raadkamer gehoord. Tijdens dit verhoor is naar voren gekomen dat de minderjarigen bij hun vader in Nederland willen blijven en dat zij niet terug willen naar hun moeder in België.

De rechtbank stelt voorop dat het gerechtvaardigd is om met de mening van kinderen rekening te houden indien zij oud en rijp genoeg zijn om de gevolgen van hun wensen op korte en lange termijn te overzien.

Vaststaat dat de minderjarigen ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) hebben en dat de minderjarige [C] daarnaast aan het syndroom van Gilles de la Tourette lijdt. Nu sprake is van bijzondere kinderen met een medische achtergrond, kan de rechtbank niet zonder meer vaststellen of de minderjarigen zich daadwerkelijk verzetten en of zij een dusdanige leeftijd en mate van rijpheid hebben bereikt dat met hun mening rekening dient te worden gehouden. De rechtbank acht het dan ook aangewezen dat de raad, locatie 's-Gravenhage, een deskundigenonderzoek zal verrichten ter beantwoording van de volgende vragen:

- Verzetten de minderjarigen zich tegen een eventuele terugkeer naar België en hebben de minderjarigen een leeftijd en mate van rijpheid die rechtvaardigt dat met hun mening rekening moet worden gehouden?

In afwachting van het raadsonderzoek zal de rechtbank de teruggeleidingszaak als na te melden aanhouden.

Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)

Ter terechtzitting heeft de vader een beroep gedaan op het IVRK, waarin onder meer is bepaald dat de belangen van het kind de eerste overweging dienen te zijn.

De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie volgt dat de bepalingen van het IVRK in het Haagse Verdrag zijn geïncorporeerd. De rechtbank wijst in dit verband, in navolging van de conclusie van de A-G bij de arresten van de Hoge Raad d.d. 28 september 2007 (LJN: BB3192 en LJN: BB3193), op de bepaling van artikel 11 van het IVRK dat de staten die partij zijn bij het Haagse Verdrag, verplicht maatregelen te nemen ter bestrijding van de ongeoorloofde overbrenging van kinderen naar en het niet doen terugkeren van kinderen uit het buitenland (lid 1) en de staten aanspoort daartoe verdragen te sluiten of toe te treden toe bestaande verdragen (lid 2). Hieruit volgt dat het IVRK, evenals het Haagse Verdrag, berust op het uitgangspunt dat internationale kinderontvoering geacht moet worden in het algemeen in strijd te zijn met het belang van het kind, zodat de teruggeleiding van het kind op de voet van het Haagse Verdrag als zodanig niet in strijd is met het IVRK.

Kostenveroordeling

Nu geen eindbeslissing wordt gegeven, zal de rechtbank het verzoek met betrekking tot de kostenveroordeling eveneens aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:

verzoekt de raad voor de kinderbescherming, locatie 's-Gravenhage, een onderzoek uit te voeren waarbij de volgende vragen worden beantwoord:

- Verzetten de minderjarigen zich tegen een eventuele terugkeer naar België en hebben de minderjarigen een leeftijd en mate van rijpheid die rechtvaardigt dat met hun mening rekening moet worden gehouden?

verzoekt de raad voor de kinderbescherming het rapport uiterlijk één week vóór na te melden proformadatum aan de rechtbank te doen toekomen;

bepaalt dat de behandeling van het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen wordt aangehouden tot 10 september 2009 pro forma in afwachting van het rapport van de raad voor de kinderbescherming;

bepaalt dat de Centrale Autoriteit, de moeder en de vader uiterlijk tot en met genoemde proformadatum, voor zover daar prijs op wordt gesteld, op het rapport van de raad voor de kinderbescherming kunnen reageren;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de teruggeleiding en de kostenveroordeling aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.J. Keltjens, J.A. van Steen en M. van Loenhoud, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. L.F.A. Bos als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2009.